De Tourploeg van de Volkskrant beantwoordt lezersvragen. Vandaag: Wanneer wordt het wielrennen / de Tour multicultureel?
Theo van On Yer Bike vraagt:
Wanneer wordt het wielrennen / de Tour multicultureel? Met andere woorden, wanneer zien we er de eerste zwarte sporter? Na atletiek, voetbal, tennis, golf, schaatsen is het wielrennen onderhand ook wel toe aan wat meer kleur, niet?
Je zou zeggen van wel. Er is er het wachten op, maar voorlopig dient de donkere sporter zich in de Tour de France nog niet aan. Ze zijn er wel, donkere renners. Ze zijn zelfs met velen, maar niet in het profpeloton dat in Europa zijn wedstrijden rijdt.
Momenteel rijdt er een renner met Noord-Afrikaanse roots in de Tour rond, Saïd Haddou bij Bbox Bouygues Telecom. En de Algerijn Abdelkader Zaaf is waarschijnlijk de bekendste Afrikaan in de historie van de Tour geweest.
Er zijn wel theorieën te bedenken waarom er weinig gekleurde renners in het peloton rondrijden, zoals er ook weinig Aziaten deel van uitmaken. Maar feiten zijn het niet. Ik heb er geen onderzoek naar gedaan.
Dat de sport niet in de cultuur gebeiteld zit, zoals bijvoorbeeld in Nederland en België, staat wel vast. En er is natuurlijk ook een sociale en financiële achtergrond. In België hebben ze geprobeerd van een aantal renners uit Zimbabwe gerespecteerde veldrijders te maken. Dat lukte aardig, maar ze zijn niet groot geworden met de fiets, zoals wij. Die achterstand laat zich moeilijk inhalen.
Het heeft waarschijnlijk ook iets te maken met de fysiologie, maar ik moet eerlijk bekennen dat ik me daarin nooit heb verdiept. In Frankrijk zijn er wel baanrenners van olympisch niveau, dus fietsen kunnen ze wel, hoewel dat eerder de spierbonken zijn dan de gevleugelde klimmers. Maar we hebben ook altijd gedacht dat ze niet konden schaatsen, totdat Shani Davis het tegendeel bewees. Ik vrees dat het nog wel een jaar of tien wachten blijft op zijn fietsende evenknie.
Als ik om me heen kijk zie ik ook geen donkere verslaggevers in de perszaal. En ook in de reclamekaravaan zijn ze schaars. Zou het ook iets met interesse te maken hebben?
In 2002 schreef ik een verhaal over het onderwerp :
De winnaar is nog altijd blank
Afrikaan met racefiets vaak de rijkste, niet de beste
Overal ter wereld wordt tegenwoordig gekoerst. Vorig weekeinde nog op Curaçao, deze week in Burkina Faso en binnenkort weer in Qatar en het Maleisische Langkawi. In het peloton fietste afgelopen seizoen zelfs voor het eerst een Keniaan mee. Wielrennen is, mede door de impulsen van de UCI, een mondiale aangelegenheid geworden. Maar niet in alle opzichten. Want de winnaar is altijd blank.
SOMS MOET een droom gewoon een droom blijven. Het bestaat namelijk niet dat een droom zo was als de werkelijkheid is geworden. Dat geloven alleen de dromers. En zo is Duncan Seko niet.
Halverwege het seizoen was hij voor het eerst aan zichzelf gaan twijfelen. Al sinds hij als klein jochie op zijn fietsje door de straten van Nairobi scheurde, had hij zeker geweten dat hij ooit profrenner zou zijn. En nu hij het was geworden, wilde hij ineens dat hij het nooit had gedroomd.
Het was voorbij op het moment dat de mister tegen hem had gezegd dat hij de volgende dag niet mocht koersen omdat hij een interview had. Dat had hij nog nooit eerder gehoord. Maar de mister zei hem dat het beter voor hem was. Dat dat meer succes opleverde. Meer aandacht vooral.
Maar hij was heus geen slechte renner. In zijn vaderland behoorde hij tot de besten. Duncan Seko had een held kunnen worden in het Europese wielerpeloton, als hij daarvoor maar de tijd had gekregen, vindt hij. Een jaar heeft hij mee mogen rijden bij RDM/Flanders. Daarna was voor de sponsor het nieuwtje eraf. Frans Assez, manager en ploegleider van de Belgische ploeg, ontkent dat niet. Hij heeft zijn publiciteit gehad.
En hij hoeft er niet omheen te draaien: daar is het hem altijd om te doen geweest. Beter slechte publiciteit dan geen publiciteit. Want daar draaide het met Seko uiteindelijk op uit. Assez: ''Hij was vriendelijk, fotogeniek en mediageil. Hij presteerde vooral vóór en ná de koers. In het begin vond iedereen dat geweldig, later lachten ze me uit.''
Assez heeft zich schuldig gemaakt aan positieve discriminatie, zeg maar. ''Als hij niet zwart was geweest, hadden we hem nooit een plaats in de ploeg gegeven,'' stelt hij onomwonden. Hij is met Seko bij acht televisiezenders geweest, alle dagbladen hebben hem geïnterviewd. De opzet was geslaagd.
Daarna gold ook voor Seko, net als voor iedere andere renner, het recht van de sterkste. En in die jungle kon hij zich niet staande houden. Afgestapt in de Grote Scheldeprijs, dertig kilometer volgehouden in de Ronde van Drenthe, zestig in de Brabantse Pijl. ''De sportmoraal verplicht mij de besten mee te laten doen en daar hoorde hij niet bij. Ik heb hem kansen genoeg gegeven,'' zegt de Belg. Seko reed zo'n 25 koersen, in drie of vier haalde hij de finish. Assez: ''Ik was op een gegeven moment al dolgelukkig als hem dat lukte.''
Seko vraagt om begrip. Als hij van tevoren had geweten hoe hij zou worden behandeld, had hij tegen de mister gezegd: Go to Africa, haal iemand zonder droom uit het bos en sleur hem van televisiestation naar televisiestation. ''Ik vond het niet erg om te doen. Ik dank God dat ik zwart ben, maar dat was niet mijn droom. Ik deed het niet alleen om geschiedenis te schrijven. Ik wilde een atleet zijn die prestaties leverde, geen bezienswaardigheid in de wereld van de blanken.''
Ze hebben hem uitgebuit en hij heeft zich laten gebruiken. En daar is hij teleurgesteld over. Seko: ''Ik had meer menselijkheid verwacht. Er is niemand die ooit heeft gezegd: oké, we hebben hem naar België gehaald, we profiteren van hem, nu gaan we ook proberen hem te helpen. Ik ben geen slechte renner. Ik zeg niet dat ik geen succes kan hebben. Ik heb alleen tijd nodig.''
Die tijd is hem niet gegund. Daarvoor is de wielersport te commercieel en misschien zelfs wel te conservatief. Donkere atleten zijn in veel sporten geaccepteerd, behalve in het wielrennen. Toen Michel Bationo dit jaar in de Ronde van Frankrijk opdook als 'tijdschrijver', keek iedereen zijn ogen uit. Hij was 'die zwarte uit Burkina Faso'.
Vorig weekeinde grinnikte Michael Boogerd voor de start van de eerste professionele wielerkoers op Curaçao onhandig dat hij nog nooit 'een zwarte op een racefiets had gezien'. ''Het wielermilieu, je moet er maar tegen kunnen. Het zijn idioten, profiteurs. Het zit vol racisten. De vraag is of je de Afrikanen wel helpt door ze in zo'n milieu te brengen,'' zegt Peter Winnen.
Twee weken fietste de voormalige Tourheld mee in de Ronde van Senegal. Hij was onder de indruk van het niveau. ''Er werd fantastisch gekoerst, met hoge snelheden. Vooral de Marokkanen stonden hun mannetje in het Italiaanse profgeweld. En die jongens dromen van niets anders dan profwielrenner worden. Wordt daar eigenlijk wel gescout?'' vraagt Winnen zich af.
Overal ter wereld wordt tegenwoordig gekoerst. Wielrennen is niet langer een aangelegenheid van West- en Zuid-Europeanen. Het heeft een mondiaal karakter gekregen. Hoewel dat niet in alle opzichten zo is, want de winnaar is nog altijd blank. Vorige week was er voor Abraham Emice uit Trinidad alleen een stageplaats in Nederland te verdienen als beste Caribische renner. De winst in de Amstel Curaçao Race was voor Michael Boogerd.
In Afrika hebben veel landen inmiddels een eigen ronde op poten gezet. ''Daar moet u zich niet te veel bij voorstellen,'' waarschuwt Frans Assez. ''Die koersen worden bevolkt door West-Europeanen: oud-profs en amateurs die het leuk vinden om aan de diarree te geraken of minutenlang met een lekke band in de wildernis te staan. En de Afrikanen die meedoen, zijn alleen maar op zoek naar nieuwe onderdelen voor hun fiets.'' De Europeanen blijken namelijk gulle gevers.
Winnen beweert dat hij beroepsmatig in Senegal meedeed, de ontberingen moesten hem genoeg stof tot schrijven opleveren, maar ontkent ook niet dat het hem ook vooral om het avontuur te doen was. Een uitnodiging voor de Ronde van Kameroen heeft hij daarom afgeslagen. ''Daar gebeurt hetzelfde als in Senegal.''
Toch lijkt het wielrennen in de ontwikkelingslanden steeds vastere voet aan de grond te krijgen. In Burkina Faso is de organisatie van de ronde inmiddels ter hand genomen door Amaury Sports, het bureau dat ook de Tour de France in goede banen leidt. Maar tot veel verbeteringen heeft dat niet geleid, klaagde Boureima Belem, die voor de WK in Zolder een bezoek bracht aan België. ''Iedereen denkt dat er bij ons vooruitgang in zit, maar dat is niet zo.'' Het aantal koersen in Burkina Faso is afgenomen, er zijn geen sponsors en ondanks de professionele organisatie wacht hij nog altijd op het prijzengeld van de Tour du Faso van vorig jaar.
OM TALENTEN uit de arme landen een kans te geven, opende de internationale wielerunie (UCI) dit jaar in het Zwitserse Aigle het World Cycling Center. Het is een internaat waar jonge renners een opleiding tot topper kunnen genieten. Het eerste succes was er al meteen op de WK baan, waar een Chinese, gevormd in Aigle, de wereldtitel keirin pakte. ''Het centrum is een manier om talenten een kans te bieden,'' zegt Lucien Bailly, manager van de ontwikkelings- en solidariteitscommissie van de UCI. ''Maar we willen niet alles zelf doen. We werken altijd samen met de bestaande structuren in een land. Dat is beter voor de continuïteit.''
Maar dat laatste blijkt vooral in de Afrikaanse landen een probleem te zijn. Vaak is er geen bondsbureau, wisselt de voorzittershamer per dag en is het systeem corrupt. Robert Vunderink vertrok vorig jaar met vier wegfietsen en drie mountainbikes van zijn werkgever Shimano naar Kenia. ''Wat er met die fietsen is gebeurd, weet ik niet. Ik wil het ook niet eens meer weten. Als ik eraan denk, raak ik al gefrustreerd.''
Bij aankomst in Nairobi werd hem gevraagd duizend dollar aan invoerrechten te betalen. Vunderink weigerde. En dus bleven de fietsen op het vliegveld achter. Van de instructieles over hoe een racefiets te verzorgen, kwam daardoor niets terecht. ''De voorzitter van de wielerbond bepaalde daar wie gebruik mocht maken van die dingen. Dus als je geen vriend of kennis van hem bent, fiets je in Kenia niet.''
Shimano is sponsor van de UCI en dus wordt het bedrijf geregeld gevraagd materiaal op te sturen naar ontwikkelingslanden. Op het kantoor van Vunderink staat de zending voor de Seychellen klaar, al maanden. Shimano vertikt het zelf nog langer het vervoer te regelen. Het kost handenvol geld en het materiaal komt vervolgens toch niet op de goede plaats terecht. Bovendien is het een druppel op een gloeiende plaat. Vunderink: ''Ook al sturen wij containers met fietsen, daar krijg je echt geen zwart peloton door.''
De UCI heeft dat inmiddels ook ingezien. Het is niet de manier om het fietsen te ontwikkelen, zegt Bailly. Wat heeft het voor zin rijwielen te distribueren en vervolgens je ogen te sluiten omdat je geen geld hebt om te controleren waar het terechtkomt? Toch hoeft Vunderink volgens hem niet teleurgesteld te zijn. De eerste ziel die die nieuwe fietsen ziet, die springt erop. Zo werkt dat nu eenmaal in ontwikkelingslanden. ''Maar aan de mondialisering van de sport draagt het niets bij. Het wordt pas serieus als die mensen zelf een fiets kunnen kopen. Als op de hoek van de straat een winkel is waar ze terecht kunnen voor onderdelen.''
Afrikanen hebben hem voorgerekend dat dat pas mogelijk is als de racefietsen voor zo'n tweehonderd euro op de markt komen. Maar er is geen fabrikant in Europa of Amerika die daar een fiets voor kan leveren. De productie is hier vooral gericht op de elite. Die wil het nieuwste van het nieuwste en dan maakt het vaak niet uit wat dat kost.
Bailly onderzoekt daarom de mogelijkheid om in Azië, waar arbeid nog goedkoop is, de fietsen te laten bouwen die hij zoekt. Maar ook hij kan geen ijzer met handen breken. Afgelopen seizoen had hij welgeteld 220.000 Zwitserse frank te besteden voor zijn ontwikkelingsprogramma. Hij is afhankelijk van de fondsen van het Internationaal Olympisch Comité, dat over een uitgebreid ontwikkelingsprogramma beschikt (Olympic Solidarity). Bailly waarschuwt dan ook dat het niet van vandaag op morgen zal gebeuren dat de eerste Afrikaanse, Antilliaanse of Chinese Tourwinnaar zich zal aandienen.
Dat de ervaringen met Seko managers en ploegleiders huiverig hebben gemaakt voor nog meer exotische verrassingen, gelooft hij niet. ''De Afrikanen die nu een fiets hebben, zijn vaak de rijksten, niet de besten.''
Assez zegt nog niet te weten of hij in de toekomst zijn deuren weer wijdopen zet voor Afrikaanse renners. In de ploeg leidde het desondanks tot bonje. ''De renners gingen mij vragen of ze hun gezicht soms zwart moesten maken om populair te worden. Collega's hebben me verweten dat ik Seko in het peloton heb gebracht. Ze vonden het gevaarlijk. Dat ging mij te ver. Hij was bekend met de westerse wereld, ik heb hem niet uit de bananenboom gehaald. Toen heb ik gezegd: als mijn zwarte uw witte doet vallen, moet u zorgen dan uw witte voor mijn zwarte zit.''
Seko wordt er verdrietig van. Het doet hem pijn dat in zijn debuutjaar bij de profs alleen maar over zijn huidskleur is gesproken. In Afrika zien ze hem ook niet als een mislukking, weet hij. Hij is er hét voorbeeld voor velen geworden, ook al vielen de resultaten tegen. Net zoals Algerijn Abdelkader Zaaf dat na zijn historische capriolen in de Tour van 1950 een voorbeeld werd.
''Je wordt niet vandaag geboren om morgen al te kunnen lopen. Mij is iets gelukt wat nog niemand was gelukt. Ik heb laten zien dat het wielrennen ook van de zwarten is. Misschien ben ik tot driekwart van mijn droom gekomen, ooit zal iemand de hele weg afleggen. En dan heb ik ze daarbij geholpen.''
Lees alles over de Tour in de Tourspecial!
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.