*

 

Donner op drijfzand

Door Willem Velema − 02/05/09, 09:40

Minister Piet Hein Donner van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is vastbesloten de pensioenleeftijd te verhogen tot 67 jaar – naar het heet ‘zorgvuldig en geleidelijk’. Als het kabinet-Balkenende zijn zin krijgt, zullen we in 2034 uiteindelijk allemaal aan AOW-67 moeten geloven.

Behalve wat Donner de ‘bijdrage aan de houdbaarheid van de aanvullende pensioenen’ noemt, zal AOW-67, zo liet hij de Tweede Kamer op 25 maart weten, ook nog moeten bijdragen aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, de verhoging van de arbeidsparticipatie en de verlaging van de collectieve uitgaven.

Dat gaat niet lukken. Een degelijke onderbouwing van deze gunstige effecten ontbreekt en alles wijst erop dat verdere stijging van de arbeidsparticipatie van ouderen er niet in zit. Zo zullen ook de voorspelde budgettaire voordelen uitblijven. Dan rest er van Donners plan niet meer dan een ordinaire lastenverhoging, die voor de financiering van de AOW bovendien niet nodig is.

Slag in de lucht

Het Centraal Planbureau (CPB) biedt geen solide onderbouwing voor de verhoging van de AOW. Het CPB baseert zich op slechts één empirisch onderzoek, namelijk naar de verhoging van de pensioenleeftijd in de Verenigde Staten in 2003 met twee maanden. Amerikaanse werknemers, die vanaf 62-jarige leeftijd van een flexibel pensioen gebruik mogen maken, bleken na 2003 tussen hun 62ste en 65ste gemiddeld een maand langer te zijn gaan werken. Vijftig procent effect, juicht het CPB in de studie Rethinking Retirement. Die schatting rust op drijfzand.

]]>Indrukwekkende stoet
Het is wel een indrukwekkende stoet goede doelen, die Donner allemaal in één klap wil dienen met AOW-67. Wie kan daar nou bezwaar tegen hebben? Kennelijk heel wat werknemers, zoals blijkt uit de felle protesten van de vakbeweging. Zij zullen, tot hun ergernis en verdriet, de komende jaren een paar maanden langer op hun pensioen moeten wachten. Als ze toch, als vanouds, met werken willen stoppen op hun 65ste, zullen ze duizenden euro’s van hun spaargeld moeten aanspreken of een lening moeten afsluiten om het gat te dichten.

Ook minstens de helft van de werkgevers is niet enthousiast, meldt de chief economist bij Rabobank, Wim Boonstra, op 9 april in Het Financieele Dagblad, al is hun koepelorganisatie VNO-NCW nog altijd voorstander van langer doorwerken. Dit standpunt stamt nog uit de periode van de overspannen arbeidsmarkt van vóór de kredietcrisis en de recessie. Individuele werkgevers maken zich momenteel meer zorgen over de kosten en lasten die verbonden zijn met het twee jaar langer in dienst houden van dure en niet altijd even productieve oudere werknemers. Die kunnen onder de geldende regelgeving alleen tegen afschrikwekkende vergoedingen worden ontslagen.

Afslanken
Alles wijst erop dat bedrijven die noodgedwongen hun personeelsbestand moeten afslanken, net als tijdens de crisis in de jaren tachtig, bij voorkeur oudere werknemers willen lozen. Verhoging van de pensioenleeftijd maakt dat veel duurder en kan dat proces aanzienlijk bemoeilijken.

Minister Donner hoopt vooral de arbeidsparticipatie onder ouderen te verhogen. Maar juist de arbeidsmarkt voor ouderen is ‘stilstaand water’, zoals drie prominente economen dat in deze krant noemden (‘Ouderen verdienen te veel’, Forum, 23 april) . Minder dan 1 procent van de werknemers boven de 55 jaar verandert nog van baan, tegen 31 procent van de werknemers onder de dertig. In 2008 bedroeg de arbeidsparticipatie van alle 64-jarigen bovendien nog maar een schamele 13 procent. Als dat niet drastisch verandert, zal verhoging van de pensioenleeftijd op maar erg weinig ouderen effect kunnen hebben.

Kosten gaan omhoog
Daar komt nog bij dat werkgevers die nu nog afzien van het ontslaan van minder productieve oudere werknemers, omdat de hoge ontslagkosten niet opwegen tegen de besparingen, nu opeens een andere calculatie op hun bord krijgen. De kosten van in dienst houden van oudere werknemers worden met twee volle jaren verhoogd. Het is dan al gauw voordeliger om hun al in een vroeger stadium ontslag aan te zeggen. Dat zal de werkloosheid onder oudere werknemers, met relatief hoge WW-uitkeringen, zonder twijfel opdrijven. De oudere werkloze is vervolgens, op de volkomen versteende Nederlandse arbeidsmarkt voor ouderen, volstrekt kansloos geworden.

Toch zal minimaal 25 procent van de beroepsbevolking tot het 67ste jaar moeten werken om de budgettaire doelstelling van Donner, een saldo van euro 4 miljard per jaar, te bereiken. In de praktijk is dat niet minder dan een verdubbeling van het percentage 64-jarigen dat nu werkt. Een solide onderbouwing van deze wel zeer optimistische schatting ontbreekt pijnlijk (zie kader ‘Donners euro4 miljard is boterzacht’).

Nauwelijks kans van slagen
Recente CPB-studies bevatten sterke aanwijzingen dat Donners plan nauwelijks kans van slagen heeft. Zo heeft tweederde van de niet-werkenden tussen de 55 en 65 helemaal geen pensioenuitkering. Die ouderen zijn dus ongevoelig voor veranderingen in het pensioenregime. Zij zullen echt niet op hun 65ste opeens weer gaan werken, alleen omdat Donner hun AOW wat later laat ingaan. Bovendien heeft het wegvallen van riante ontsnappingsroutes als VUT en WAO weliswaar tot een spectaculaire stijging van de gemiddelde arbeidsdeelname van ouderen geleid, maar het percentage mensen dat op hun 64ste nog werkt is sinds 1992 juist helemaal niet gestegen. Vandaar dat het CPB in 2008 al concludeerde dat ‘sleutelen aan de pensioenvoorziening een minder effectief middel is om mensen te bewegen langer door te werken’.

De weinige ouderen die op hun 65ste nog werken en daarna willen doorgaan, doen dat nu ook al, zonder enige financiële prikkel. Het gaat doorgaans om personen met een hoge opleiding, een hoog salaris en een werkende partner met dezelfde kenmerken. Donner heeft veel te hoge verwachtingen van zuiver financiële prikkels om menselijk gedrag te sturen, in een richting die niet spoort met in de cultuur gewortelde voorkeuren van degenen waarop die prikkels gericht zijn.

Daarbij heeft het kabinet zich ook nog vastgelegd op compenserende maatregelen voor ‘zware beroepen’. Hierdoor zal de opbrengst van Donners ingreep bij voorbaat ver onder de ingeboekte euro 4 miljard uitkomen.

Weinig invloed
Alles overziend moet de conclusie luiden dat niet te verwachten valt dat AOW-67 veel invloed zal hebben op de arbeidsparticipatie van 65-plussers. Als bestaande regelingen voor ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, die gemiddeld (veel) hogere uitkeringen kennen dan de AOW, langer moeten worden voortgezet , zal de stijgende lastendruk die daarvan het gevolg is ook drukkend werken op de bereidheid van 65-minners om betaalde arbeid te verrichten.

Een reële schatting van de effecten van AOW-67 zou de bijdrage aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën dan ook aanzienlijk lager moeten stellen dan euro4 miljard. In wat pessimistischer, maar nog altijd realistische scenario’s vallen ze zelfs negatief uit. Het Centraal Planbureau (CPB) dat in 2008 de gammele cijfers leverde waarop Donners euro4 miljard opbrengst is gebaseerd, geeft in zijn nieuwste studie Rethinking retirement te kennen dat geforceerde verdere verhoging van de arbeidsparticipatie ‘wellicht minder wenselijk’ is, ‘omdat het financiële voordeel terecht komt bij mensen die het minder nodig hebben’.

Meer kwaad dan goed
Zo zal AOW-67 in de nabije toekomst meer kwaad dan goed doen. Pas als het merendeel van de werknemers op 65-jarige leeftijd nog actief is, zal deze maatregel meer opleveren dan hij kost. Als dat gebeurt, zal de collectieve lastendruk niet worden verlaagd, maar verhoogd. En zal de houdbaarheid van de overheidsfinanciën verslechteren in plaats van verbeteren. Dan resteert Donner als nuttig effect alleen nog de ‘winst’ die hij binnenhaalt voor de ‘houdbaarheid van de pensioenfondsen’, niet in de laatste plaats het ambtenarenpensioenfonds ABP. Die winst blijft inderdaad onder alle kritiek fier overeind. Geen wonder ook, als er twee jaar minder pensioen hoeft te worden uitgekeerd en die twee jaar gewoon premie mag worden geheven, zonder dat daar voor de pensioengerechtigden iets tegenover staat.

Over de rechtmatigheid en rechtvaardigheid van zo’n greep in de pensioenkassen kunnen we kort zijn. Deze ‘winst’ vloeit geheel voort uit het eenzijdig korten van al opgebouwde pensioenrechten. Acute noodsituaties daargelaten, hoort het daar nooit van te komen. En van acute nood is bij de pensioenfondsen nog lang geen sprake, omdat de pensioenen nog jarenlang met groot gemak uit de binnenstromende premies betaald en geïndexeerd kunnen worden. De nationale ‘pensioenspaarvarkens’ bevatten momenteel nog altijd een vermogen van ongeveer euro 600 miljard. Daarmee steekt Nederland nog altijd zeer gunstig af tegen de rest van de wereld.

Afstempelen
Donner suggereert dat ‘afstempelen’ (liefst onder een andere naam) van opgebouwde pensioenrechten de enige, oplossing voor de boekverliezen van de pensioenfondsen is. Maar als commerciële banken en ‘kleine spaarders’ met euro100.000 op de bank, zomaar voor tientallen miljarden overheidssteun en –garanties kunnen krijgen, valt niet in te zien waarom de pensioenfondsen, die een minstens zo belangrijke ‘systeemfunctie’ vervullen, niet soortgelijke garanties zouden kunnen krijgen. Dan kan ook de indexatie, waarop pensioengerechtigden domweg moeten kunnen rekenen, gewoon doorgaan.

Minister Donner gokt op een ‘cultuuromslag’ op de Nederlandse arbeidsmarkt, met name onder ouderen. Maar die zijn niet van zins daaraan vrijwillig mee te werken. Ook als zij niet over voldoende eigen middelen beschikken om gewoon te doen wat zij zelf willen, bestaan er voor hen mogelijkheden genoeg om zich niet lijdzaam voor Donners karretje te laten spannen.

Superieur alternatief
Donner zet met AOW-67 zijn reputatie op het spel, terwijl er een superieur alternatief voor bestaat. Alle geweeklaag over ‘hebzucht’ en ‘doorgeschoten individualisme’ ten spijt, zijn Nederlanders, zeker ouderen, nog altijd volop bereid om hulpbehoevende geliefden, familie en kennissen met raad en daad terzijde te staan. Dat doen 3,5 miljoen Nederlanders, zo blijkt uit een recente studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau over de mantelzorg, doorgaans als vanzelfsprekend, ook als ze daarvoor aanzienlijke offers moeten brengen.

Op de natuurlijke neiging van mensen om waar nodig te helpen, werken de onwelkome financiële prikkels waar Donner op gokt averechts. Een beetje financiële en materiële steun in de rug zou weer wel kunnen helpen om de dreigende capaciteitsproblemen in de zorgsector drastisch te verlichten. Dan ligt het meer voor de hand de pensioenleeftijd te verlagen dan te verhogen. De grove contouren van zo’n andere, creatievere benadering van het vergrijzingsvraagstuk zouden minister Donner bekend moeten voorkomen. In 1993 publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid op eigen initiatief het spraakmakende rapport Ouderen voor ouderen. De toenmalige WRR-voorzitter was ene mr. J.P.H. Donner.

mailIcon print |