Kopland was Nederlands 'meest geliefde dichter'

Door: Erik Menkveld − 15/07/12, 11:07
© ANP. Rutger Kopland

Postuum 'Uw meest geliefde dichter' - zo werd de woensdag op 77-jarige leeftijd overleden Rutger Kopland al in de jaren negentig aangekondigd op de Utrechtse Nacht van de Poëzie. Bij de eerste verkiezingen voor de Dichter des Vaderlands in 2000 kreeg hij de meeste stemmen, maar hij bedankte voor de eer.

En nog altijd is zijn werk ongekend populair. Het verschijnt regelmatig boven rouwadvertenties. Van zijn bundels zijn in totaal meer dan 200.000 exemplaren verkocht, en ze worden nog steeds herdrukt.

Die grote populariteit zal ongetwijfeld te maken hebben met Koplands toegankelijke, bedachtzame stijl, zijn milde ironie, zijn weemoed, en met de voor velen herkenbare onderwerpen, vooral in de vroegere poëzie. Zijn (christelijke) jeugd, de omgang met zijn kinderen (en later kleinkinderen), het sterven van zijn ouders, het ouder worden, zijn idyllische tuin en de omringende natuur van herfstige bosranden en paarden in opkomende nevel.

Al in zijn tweede bundel, Het orgeltje van Yesterday (1968) schreef hij:

'Dichtregels worden de dichter gegeven,
(...)
Dat heb ik nooit geweten, wel dat soms 
een vreemd soort ontroering opkomt 
waarvoor ik naar woorden zoek.'

Om de verwoording van die ontroering was het hem tot in zijn laatste bundels te doen, al werd de taal daar steeds kariger en had de ontroering daar, nadat de dichter ternauwernood een hartinfarct en een ernstig auto-ongeluk overleefde, steeds meer te maken met het verdwijnen, de kortstondigheid en het geluksgevoel 'dat ik er nog ben en dit mag beleven'.

Troostends
'Het gaat uiteindelijk toch over het besef dat alles voorbijgaat en over hoe dat besef ook iets troostends kan hebben,' zei hij tegen het Vlaamse weekblad Humo. 'Dat beleef ik steeds meer als ik in een landschap loop, alles aanschouw en bedenk dat dat er nu zo ligt en dat dat er denkelijk straks ook zo ligt als ik er niet meer ben.'

Rutger Kopland werd als Rudi van den Hoofdakker in 1934 in het Overijsselse Goor geboren. Zijn vader was gasfitter en het gezin verhuisde veel. Kopland bezocht in Assen de middelbare school, ging medicijnen studeren in Groningen, en specialiseerde zich in de psychiatrie. In de jaren zestig was hij werkzaam als psychotherapeut en vanaf de jaren zeventig was hij verbonden aan de afdeling Biologische Psychiatrie van de Groningse Universiteit, van 1981 tot aan zijn emeritaat in 1995 als hoogleraar. Hij publiceerde enkele spraakmakende boeken op zijn vakgebied, zoals Het bolwerk der betweters (1970) en Een pil voor Doornroosje (1976). Als hersendeskundige was hij fel gekant tegen de eenzijdig mechanistische opvatting van het menselijke brein, zoals die de afgelopen jaren opgang maakt in boeken van bijvoorbeeld Dick Swaab.

Pseudoniem
Op aandringen van zijn vriend en toenmalig Tirade-redacteur Aad Nuis, debuteerde hij in 1966 als dichter met Onder het vee. Ook het pseudoniem Rutger Kopland was een idee van Nuis. In een tijd waarin het experiment en het hermetisme van de Vijftigers hoogtij vierden naast het coole hyperrealisme van de Zestigers, werd Koplands ironisch-persoonlijke parlandopoëzie als verfrissend en vernieuwend ervaren. Samen met generatiegenoten als Judith Herzberg, Dick Hillenius en Jan Emmens bleek hij tegen wil en dank zelfs een nieuw strominkje in de poëzie: die van het anecdotisme.

Met klassiekers als 'Onder de appelboom', 'Weggaan' en 'Jonge sla' en met bundels als Een lege plek om te blijven (1975) en Al die mooie beloften (1978) bereikte hij voor een dichter een ongekend groot publiek, wat na de bloemlezingen Herinnering aan het onbekende (1988) en Geluk is gevaarlijk (1999) nog toenam.

Lees morgen in de Volkskrant een uitgebreid postuum van Rutger Kopland.

mailIcon print |