Nederland koploper in afluisteren telefoons

Door: Wil Thijssen − 23/05/12, 08:05
© ANP. Het schotelpark in het Friese Burum. Met de shotels kan telefoonverkeer worden onderschept.

In Nederland worden ruim 22 duizend telefoons afgeluisterd. Dat is 1 per 1.000, gemiddeld zo'n 50 per gemeente. Nederlandse opsporingsambtenaren luisteren daarmee veel meer telefoons af dan hun collega's in omringende landen.

Dit blijkt uit onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoeks- en Documentatie Centrum (WODC) van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Toch levert het vele afluisteren van telefoons zelden direct bewijs op voor misdaad. Criminelen weten dat zij worden afgeluisterd. Bovendien verloopt de communicatie tegenwoordig steeds vaker via internet.

In omringende landen wordt meer geïnfiltreerd, geobserveerd en afluisterapparatuur geplaatst', zegt WODC-onderzoeker Geralda Odinot. Van die opsporingsmethoden wordt in Nederland juist relatief weinig gebruik gemaakt. 'Sinds de IRT-affaire is men hier huiverig voor het inzetten van bepaalde opsporingsmethoden', aldus Odinot - in 1994 constateerde een parlementaire commissie die de geruchtmakende IRT-zaak onderzocht dat veel opsporingsmethoden ongeoorloofd waren.

Telefoons worden niet alleen afgeluisterd, ook wordt achterhaald op welke locatie iemand telefoneerde, hoe laat, hoe lang en met wie. Daarnaast vraagt de Nederlandse politie 'in sterk toenemende mate' de naam en het adres op van de bezitter van een specifiek telefoonnummer.

Aantasting privacy
Ook familie, vrienden en kennissen van verdachten worden vaak afgeluisterd. Het internet wordt hoogst zelden afgetapt, terwijl communicatie juist steeds vaker over internet verloopt. In 2010 werden 1.704 internettaps geplaatst. Dat geringe aantal hangt samen met het tekort aan digitale expertise bij de politie. Ook ontbreken duidelijke richtlijnen in hoeverre de politie andermans computer mag binnendringen, constateert het WODC.

Het aftappen van communicatie is een aantasting van de privacy. Mensen die zijn afgeluisterd, moeten hierover worden geïnformeerd, maar dat heeft bij het OM niet altijd prioriteit. Wie hierover wel een brief van het OM ontvangt, kan nergens zijn beklag doen als hij niet begrijpt waarom hij is afgeluisterd. Dat moet beter, stelt Odinot.

Het WODC baseert zich voor dit onderzoek op statistische gegevens en op interviews met 69 opsporingsambtenaren, juristen en academici, zowel in Nederland als in omringende landen. Zij klagen voornamelijk over de grote hoeveelheid geld, tijd en werk die is gemoeid met het uitwerken van taps, die weinig direct bewijs opleveren. Odinot stelt dat je je kunt afvragen of de wijze waarop wordt gewerkt met telefoontaps nog wel van deze tijd is.

mailIcon print |