Als judoka trotseerde Anton Geesink in 1964 een hele natie. Als IOC-lid stond hij daarna tegenover een reeks Nederlandse sportbestuurders.
Dit artikel werd op 13 augustus jongstleden gepubliceerd in de Volkskrant als onderdeel van de sportcanon.
Nog één triomf wilde het trotse Japanse volk om zijn weken van olympische glorie compleet te maken. Eén dag voor de sluitingsceremonie van de Spelen in Japan (1964) moest Akio Kaminaga de hegemonie van het Japanse judo bevestigen door goud te winnen in de open klasse (alle categorieën). Het was de eerste keer dat, onder druk van het organiserend land, judo in het olympisch programma was opgenomen.
Maar de held van de natie sneuvelde op die onvergetelijke dag tegen Anton Geesink, de Nederlandse volksjongen, tegen wiens karakter, spierkracht en atletisch vermogen niemand bleek opgewassen. Drie jaar had Kaminaga zijn gevreesde tegenstander ontlopen, en toen het erop aan kwam en hij zich verzekerd wist van de steun van de gehele natie, ging de Japanse troef technisch en mentaal volledig onderuit.
Geesink was een groot judoka, die als geen ander besefte dat de weg naar succes niet alleen via een keihard trainingsregime verloopt. Hij speelde ook het spel van de psychologische oorlogsvoering op voortreffelijke wijze.
In de aanloop naar de Spelen trainde hij langdurig in Tokio. Hij gebruikte de dagen niet alleen om zichzelf te verbeteren, maar ook om de Japanners zand in de ogen te strooien. Hij verloor in kleine wedstrijden bewust van judoka’s die in eigen land in de schaduw van Kaminaga vertoefden.
Hij voerde zijn psychologische oorlog tot voorbij de aanvang van de olympische finale. In de Nippon Budokan Hal zaten 18 duizend merendeels Japanse toeschouwers. ‘De mat lag op ongeveer anderhalve meter hoogte. Als je naam werd omgeroepen, moest je naar een trapje lopen, waar je moest wachten op je tegenstander en de scheidsrechters. Maar ik besloot de man van het protocol weg te duwen en door te lopen.
‘Toen Kaminaga na mij hetzelfde wilde doen, werd hij tegengehouden. Terwijl ik mijn warming up overdreven fanatiek deed, stond Kaminaga te protesteren: ‘Waarom mag ik niet, wat Geesink wel mag?’ Mijn enige opzet was om verwarring te zaaien’, aldus Geesink later in zijn boek Tot hier en niet verder.
Maar ook op de mat kreeg het man-tegen-mangevecht een extra lading, toen Geesink plotseling zijn hand opstak om te protesteren tegen de aanwezigheid van Japanse coaches op een plaats waar dat niet was toegestaan.
Ze werden weggestuurd en Geesink is tot op de dag van vandaag ervan overtuigd dat beide zaken een belangrijke rol hebben gespeeld in de nederlaag van Kaminaga. ‘Voor ons hoort deze vorm van intimideren er gewoon bij, zij zijn het in hun cultuur niet gewend. Ik wilde hem van de kook brengen en dat is gelukt.’
Op het moment dat hij de mensen in de hal, maar ook miljoenen in het land, in diepe rouw had gedompeld, stond Anton Geesink op als een groot sportman.
Met zijn sportieve triomf had hij het respect van het Japanse volk al gewonnen. Maar toen hij, direct na de wedstrijd en het protocol van eerbetoon aan tegenstander en scheidsrechters, twee leden van de Nederlandse delegatie van de mat stuurde, omdat ze hem op de schouders wilden nemen, wisten alle Japanners dat Geesink de stijl en waardigheid van hun geliefde sport tot in het diepste van zijn ziel met zich meedroeg.
Op vrijdag 23 oktober 1964 glorieerde hij, met zijn imponerende verschijning – 1.96 meter lang en 250 pond zwaar – in het land dat de bakermat is van zijn sport. Hij veroverde de harten van de Japanners en de hele judowereld en onderging de over hem uitgestorte roem ook als erkenning en rechtvaardiging.
Hij had in alle opzichten karakter moeten tonen om zijn doel te bereiken. Lang hield hij zichzelf voor dat hij, een eenvoudige volksjongen uit Wijk C in Utrecht, en later metselaar, nooit de erkenning en status kreeg die bij zijn sportprestaties hoorden.
Hij voelde zich zelfs tegengewerkt. Op 1 januari 1964 wist hij nog niet of hij wel mocht meedoen aan ’s werelds grootste sportmanifestatie. De reden was dat hij vier jaar eerder, op weg naar de Spelen in Rome, door het Nederlands Olympisch Comité tot prof was uitgeroepen.
Geesink zou als worstelaar deelnemen en had zich in de voorbereiding aangesloten bij een beroemde Franse legerploeg. In ruil daarvoor gaf hij de Franse soldaten judoles. Voor het NOC was dat aanleiding om vast te stellen dat hij niet meer de amateurstatus bezat, waarna hij werd geweerd van de Spelen in Rome.
Nadat Geesink zijn wankele positie als olympische sporter tijdens de nieuwjaarsreceptie van het NOC onder de aandacht van prins Bernhard had gebracht, hoorde hij korte tijd later dat hij bij de Spelen in Tokio mocht uitkomen.
Met zijn indrukwekkende erelijst, met naast olympisch goud ook drie wereldtitels en 21 Europese titels, gold hij als een levende legende in de sport. Maar na zijn gouden sportcarrière droeg hij ook als bestuurder van de Internationale Judo Federatie zijn boodschap uit.
In die hoedanigheid kruiste zijn pad dat van IOC-voorzitter Juan Samaranch, die een Nederlandse opvolger zocht voor het overleden IOC-lid Cees Kerdel. Geesink stelde zich beschikbaar voor een plaats tussen de hoogwaardigheidsbekleders, wat tot dan toe een zaak van en voor de elite was geweest. Hij sprak langdurig met Samaranch, maar zonder het Nederlands Olympisch Comité daarvan op de hoogte te brengen. Het NOC zelf kwam vervolgens met zijn eigen IOC-kandidaten: voorzitter Henk Vonhoff en secretaris Ruud Frese. Zo kon het IOC-congres op 11 mei 1988 in Istanbul kiezen uit de drie Nederlandse kandidaten. Het werd Geesink. Daarmee was de volksjongen uit Wijk C een superbobo geworden.
‘Mijn leven bestaat, gewild of ongewild, uit één en al uitdaging’, zegt Geesink in zijn boek. ‘Dat komt omdat ik onbegaande wegen bewandel. Ik weet dat deze manier van werken veel weerstand oproept. Dat moet dan maar, met als consequentie dat de lat te hoog ligt voor hen die uitgaan van geleidelijkheid en consensus. Ik kies nimmer voor de weg van de minste weerstand.’
In sportbestuurlijk Nederland groeide hij uit tot een conflictueus mens. Zijn aanvaringen met het hoogste NOC-niveau zijn talrijk en leverden hem het etiket van ‘de luis in de pels’ op. Geesink zelf verweet zijn medebestuurders voortdurend gebrek aan loyaliteit en waardering voor zijn werk in het IOC.
‘U dwingt mij op de solotoer te gaan’, zei hij tegen voorzitter Blankert, nadat hij had vastgesteld dat hij nooit werd begroet in de vergaderingen en er ook geen stoel voor hem werd vrijgehouden aan de bestuurstafel, zoals bij zijn voorganger wel het geval was geweest. Bovendien verweet hij het bestuurscollege dat bepaalde maatregelen werden voorgekookt, zonder dat hij erbij betrokken was.
Op bestuurlijk niveau is één van Nederlands grootste sportmannen aller tijden de vechtjas gebleven die hij ook op de judomat was. Zijn ruzies met gelouterde voorzitters van het kaliber Vonhoff, Huibregtsen en Blankert zijn historisch.
Nog steeds geldt Geesink als een gewaardeerd IOC-lid, maar steeds minder toont hij de behoefte zijn karakteristieke strijd op Nederlands niveau aan te gaan. De roem van het verleden straalt nog steeds op hem af, maar ook het ongenoegen zit nog steeds heel diep bij Anton Geesink.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.