Nauwelijks heeft koningin Wilhelmina met haar slepende dictie op de radio gedeclameerd dat de Duitsers onze neutraliteit hebben geschonden, of hij ziet hoe zijn vader een hoed uit het rek pakt, het gezin gedag zegt, en kalm de deur uitwandelt. De plicht op het effectenkantoor wacht, oorlog of niet.
Het is kwart voor negen, 10 mei 1940. Jan Andries Blokker, dan bijna dertien jaar, zal deze gebeurtenis als ijkpunt meedragen, en zijn licht spottende kijk op de wereld bepalen. Er zal een bijna verlegen glimlach om zijn mond spelen, als hij er over vertelt. Daarmee is de wichtigmacherei van al die publieke figuren in zijn latere Volkskrant-columns op voorhand doorgeprikt, geredresseerd tot het ritueel van de klerk die een kledingstuk van de kapstok plukt in het besef die dag gewoon opnieuw zijn stinkende best te moeten doen. Zonder kapsones. Punt. Gewoon doen.
Hoewél. Als Nederland zich in 1972 bij monde van het duo Sandra & Andrès naar het Eurovisie Songfestival zingt op basis van de volkswijsheid ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’, ziet Jan Blokker daar prompt het nieuwe volkslied in. In een column beschrijft hij een jongetje met een autoped op straat dat tegen zijn vader zegt, wijzend op z’n step: ‘Kijk pappa, ik heb een paard.’ Waarop de vader, gehuld in grijze kleding, geërgerd roept: ‘Dat is geen paard. Dat is een step! Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.’ Nooit meer, concludeert Blokker, heeft het jongetje sindsdien gedacht dat z’n step een paard was. En zo werd dat jongetje later net zo’n grijze muis als zijn vader.
Cultuurpessimist Blokker heeft nooit de illusie gehad dat mensen iets nobelers zouden nastreven ‘dan zuipen en naar pulp-tv kijken’, al zag hij tegenwoordig ook allerlei volk in het museum dat daar niet thuis hoorde. Voor zichzelf was hij ook niet mals. Hij herkende eigen contouren in een passage uit Voer voor psychologen van Harry Mulisch, luidend: man wilde een roman schrijven, maar moest trouwen, kreeg kinderen en werd overreden door een tram. Conclusie: helaas, geen talent! ‘Het leven is tenslotte één grote uitvlucht’, schreef Jan Blokker, voordat hij in maart 2003 een zware operatie onderging en in zijn Volkskrant-column ziekte vergeleek met plichtsverzuim. Het ontbrak er nog maar aan dat hij zei: aanstellerij.
Aanstellers, dat waren voor hem – met stip – de pluizenbollen van de welzijnssector die, met moeite gediplomeerd geraakt aan de ‘sosjale academie’ met het aplomb van kandidaat-Nobelprijswinnaars durfden te beweren dat een cirkel wel degelijk rond was! Hoe meer franc-tireur Blokker de Jan-Jaaps van het agogendom op de korrel nam, des te gretiger werd hij gevoed door ‘dictatuur van de kletskoek uit het vormingscentrum waar de godganse dag over communicatiepatronen en tolerantiegrenzen wordt gebazeld’: daar kon Blokker nieuwe scepsis uit putten. ‘De bewijsstukken zijn me als gebraden duiven in de mond gevlogen.’ Waren er geen sociologiestudenten die hun doctoraalscriptie bleven opsturen met de vraag of Blokker ’m niet grappig wilde kraken?
Stokpaardje was inmiddels ook de liturgisch aandoende Ons Kent Ons-klefheid van Bekende Nederlanders ‘die zich bij elkaar op schoot in inteelt-tv programma’s exhibitioneren.’ Het kon gebeuren dat een bekende sportpresentator, die door Blokker totaal was afgebrand, in de NOS-kantine afstapte op het tafeltje waar de columnist zat te lunchen om hem omstandig te bedanken voor diens scherpe waarneming.
Niettemin was Blokker van mening dat een column (‘raar bastaardgenre’) niet in de krant thuishoorde, evenmin als een commentaar of hoofdartikel (‘echt onzin’), dat hij zag als erfenis van de verzuiling van de jaren vijftig. Verslaving aan nieuws: het naoorlogse Polygoon-journaal in de Amsterdamse Cineac is er niet vreemd aan. Maar de ambitie om schrijver te worden speelt op. Voor iemand die zich in de Hongerwinter heeft voorbereid op het eindexamen gymnasium en halverwege sjeest als geschiedenisstudent, is de Reina Prinsen Geerligsprijs in 1951 (een jaar vóór Harry Mulisch) een opmaat. Het blijft bij de novelle Séjour en twee weinig succesvolle romans. Als spraakmakend filmcriticus bij Het Algemeen Handelsblad raakt hij gebiologeerd door de nouvelle vague en door filmmaker Luis Buñuel die z’n hele leven lang aanschopte tegen de burgerlijke middenmoot, ‘dat immobiele, snel tot fascisme en rechtsheid en luiheid geneigde reservoir van griezeligheden.’
Blokker houdt er een soort zendelingengevoel aan over, schrijft behalve cursiefjes ook scenario’s voor de speelfilms Fanfare en Makkers, staakt uw wild geraas en doet mee aan het geruchtmakende satirische tv-programma Zo is het toevallig ook nog eens een keer dat in ’64 aanschopt tegen de tv-verslaving (‘beeldreligie’) en daarmee Holland op z’n kop zet.
Als zijn krant een deal sluit met De Telegraaf neemt hij zijn ontslag en wordt met open armen als eindredacteur binnengehaald bij de VPRO die bezig is zich te ontworstelen aan de greep van remonstrantse dominees – en Franse chansons.
Met sonore stem geeft hij commentaar bij een reeks documentaires over de crisisjaren en moet dat door moeheid zó vaak overdoen, dat programmamaker Hans Keller – op het nippertje met de filmrollen van de montagekamer in Nederhorst den Berg onderweg naar studio Concordia in Bussum – van de zenuwen de weg kwijtraakt, zodat tv-kijkend Nederland – er zijn maar twee netten – minutenlang naar het pauzebordje ‘Even geduld a.u.b.’ zit te staren.
Als kleine C-omroep vecht de VPRO voor haar bestaan, dat er in de jaren zeventig niet makkelijker op wordt wanneer Wim T. Schippers zijn creaties Fred Haché (alias Otto Kolkvet), Barend Servet (‘Pollens!’), Sjef van Oekel (‘Pardon reeds’) en ir. Evert van der Pik brakend, subsidiair halfnaakt over het scherm laat buitelen.
Aangewakkerd door het Telegraaf-geweten Henk van der Meyden wordt de VPRO (‘Vieze Pielen Rukkers Omroep’) bestookt met protesten. Jan Blokker c.s. nemen de telefoon aan met een laconiek ‘Bent u lid? Dan wordt u nu geschrapt’ – hetgeen niet per definitie de bedoeling van een ledenwerfactie blijkt.
Bij de VPRO geldt Blokker als een inspirerende autoriteit met ‘ongelooflijk veel lef’ (Hans Keller); bij de Volkskrant is de goodwill niet anders. In 1968 is hij er als columnist begonnen. Als adjunct-hoofdredacteur, vanaf 1978 voor vijf jaar, treft hij in het van God en pastoor losgeraakte deel van de Wibautstraat een redactionele volksvergadering die in het ribfluweel c.q. verschoten spijkerblauw van de revolutie een ‘totalitaire schijndemocratie’ omhelst.
Zulke plenaires doen Blokker denken aan een kibboets in Israël ‘waar ze een hele avond lang met moties, amendementen en tussenstemmingen hadden gedebatteerd over de vraag of in de kantine wel of niet een extra neonbuis moest worden geplaatst, waarna een voorstel tot aankoop van een sinaasappelsorteermachine van 500 duizend dollar bij hamerslag werd aanvaard’.
Dat iemand in een lawaaiige kantoortuin twee zinnen achter mekaar uit de schrijfmachine krijgt, is hem een raadsel. Menig verslaggever bewaart warme herinneringen aan het ‘prullenbakoverleg’ met de Caballero-verslaafde vaderfiguur die door management by speech aan het bureau weet te inspireren, steevast op de dichtstbijzijnde prullenbak gezeten en gewapend met een Hema-kladblok van 40 cent.
Zijn credo: weg met de modieus-sektarische malligheid van de softe incrowd, van het onbespoten tuinbroekfeminisme. De verslaggever die zojuist door de hoofdredacteur is berispt wegens het schrijven van het woordje ouwel, in plaats van ‘hostie’, kan daarentegen rekenen op Blokkers applaus waar de hoofdredacteur bij staat.
Blokkers loyaliteit uit zich anders. Hij is op vakantie wanneer hoofdredacteur Harry Lockefeer de column van Hugo Brandt Corstius afkeurt, waarna deze uit protest niets meer van zich laat horen. Terug van vakantie zegt adjunct Blokker tegen zijn chef: ‘Zeg Harry, er lag vanochtend zomaar een column van Hugo bij me in de brievenbus.’ Conflict opgelost; staaltje van blokkeriaanse diplomatie dat grote indruk maakt.
Terwijl columnist Blokker volkszanger Willy Alberti van het epitheton ‘zingende tuinkabouter’ voorziet, Maartje van Weegen ‘schuddekopje’ noemt en Sonja Barend ‘een gratekut’, is zijn krant bezig met een kwaliteitsslag, waar 30 april 1980 een domper op zal zetten. Bij rellen rond de troonswisseling krijgen verslaggevers tegenstrijdige consignes van boven hen gestelden die alvast een flesje of wat hebben ontkurkt. De berichtgeving is ernaar. Zwarte dag, the day after, het regent opzeggingen.
Zelf staat Blokker bloot aan kritiek als hij twintig jaar na de Zesdaagse Oorlog in een reportage over Israël een blonde soldate ‘Brünnhilde’ noemt en in militaire onderscheidingen het ‘IJzeren Führerkruis met eikenloof’ ziet. Maar zijn definitie van antisemitisme is vlijmscherp: ‘Wanneer je het meneer Polak in Amsterdam kwalijk neemt dat meneer Cohen uit Groningen je een kunstje heeft geflikt.’
Alles is te verklaren uit het verleden; gebeurtenissen moet je nooit zonder hun historische context vermelden: met dat adagium zal Jan Blokker ook VPRO-programmamakers van Diogenes als discipelen aan zich binden. ‘Jan hamerde er altijd op: om Duitsland te begrijpen moet je weten wie Bismarck is, en om Midden-Europa te doorgronden moet je net zo lang reizen tot de torenspitsen veranderen in uien. Voor mij was er maar één norm’, zegt filmer Hans Fels, ‘en dat was Jan Blokker. Iemand die je op een heldere manier op het juiste spoor zette. Er was een ongelooflijke chemie tussen ons.’
Eenzelfde euforie heeft componist Theo Loevendie als Blokker hem het libretto levert voor de opera Esmée, over de femme fatale van de Nederlandse illegaliteit in ‘40-’45; bekroning van vier jaar ‘intense samenwerking in kwajongenssfeer’. Tussen het schrijven van filmscenario’s door – met als hoogtepunt de driedelige tv-serie De Partizanen (regie Theu Boermans) – bekleedt homo universalis Blokker het voorzitterschap van het Productiefonds van de Nederlandse film, en hijst hij zich in toga om ‘als prins carnaval’ te worden geïnaugureerd tot bijzonder hoogleraar persgeschiedenis aan de Erasmus Universiteit. Motto: een journalist hoort nooit en te nimmer aan te schurken tegen de macht, om zich te vrijwaren van wat schrijver Willem Frederik Hermans smalend als ‘hoernalistiek’ had gebrandmerkt.
Verslaggevers zijn de infanteristen van de geschiedschrijving, houdt hij zijn studenten voor, ‘en van de infanterie is bekend dat daar de hardste klappen vallen omdat er de stomste streken worden uitgehaald’. Voor menig niet-Volkskrant-abonnee is Blokkers boekenrubriek Als de dag van gisteren reden om de krant op vrijdag te kopen, terwijl hij zelf met bloedend hart ziet hoe ‘zijn’ Volkskrant ten prooi valt aan ‘een krampachtig soort opleuking’ om de jongere lezer te behouden.
Scherp blijven, historische boeken lezen: de liefde voor het journalistieke ambacht gaat zo ver dat Blokker in zijn Franse buitenhuis, voorzien van schotelantenne, dagelijks per fax met knipsels wordt geïnformeerd door zoon Bas die bij NRC Handelsblad werkt. Met regelmaat zien buren een kaaskop per Mobylette door het Bourgondische heuvelland toeren; het beeld draagt bij tot de onverzettelijkheid van de stukjesschrijver die trouw is aan zijn lijfspreuk: ‘Ik schrijf door tot ik er echt bij neerval.’
Als kettingroker Blokker het advies krijgt met roken te kappen, verstopt hij de peuken eerst nog in theezakjes. Totdat ze ook nog achter een boekenrij worden ontdekt. Hij capituleert, de pater familias die een kinderboek schreef voor een kleinzoon; die altijd getrouwd is gebleven met oud-bijlesleerlinge Anneke én niet minder getrouwd was met zijn fobie voor de tandarts.
Burgerman en nog eens Ridder in de Orde van Oranje-Nassau ook. Je hoort hem erbij gnuiven. Jan Blokker, icoon uit de eregalerij van de Nederlandse journalistiek, gaat de geschiedenis in als de man die één norm kende: de norm Jan Blokker. Die de telefoon aannam met een allerkorzeligst ‘Ja!’, om na een kwartier uitwisseling over het mooiste ambacht ter wereld besmuikt uit te roepen: ‘Zég, je bent toch journalist? Is het bij jullie tegenwoordig verboden om de straat op te gaan?’
‘De Volkskrant stinkt naar krant’, zei hij evengoed óók, en dat bedoelde hij als een compliment. Toch ging het uiteindelijk mis tussen Blokker en het dagblad waar hij al die jaren zo hartelijk op gekankerd had. Na een aanvaring met de boekenredactie bleek de breuk niet te repareren. Blokker waande zich niet meer geliefd, voelde zich niet langer thuis, en geen enkele hoofdredactionele lijmpoging kon daaraan iets veranderen.
‘Ik neem met pijn in het hart afscheid van een even spannende als capricieuze krant’, schreef hij op 1 juli 2006 in zijn laatste Volkskrant-column.
Na 38 jaar vertrok Blokker naar de concurrent: de afgelopen jaren verscheen zijn column in nrc.next, door hemzelf off the record als NRC nijntje getypeerd. Hij eindigde in stijl, afgelopen maandag, door een vooruitblik op een kabinet met Wilders in één moeite door te verbinden met een omineuze herinnering aan het einde van de Weimarrepubliek. De afmaker leende hij uit Sebastian Haffners Von Bismarck zu Hitler, een standaardwerk – hoor je hem brommen – dat journalisten tegenwoordig natuurlijk óók al niet meer kennen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.