Dankzij de nationale spaarwoede bulken Chinese banken op het eerste gezicht van het geld. Maar fraude en corruptie zijn alom aanwezig....
Raadsel: hoe komt het dat China’s staatsbanken zo populair zijn bij beleggers en bij buitenlandse branchegenoten, terwijl zij hoog scoren op de wereldranglijst van slechtst bestuurde financiële instellingen? Is het speculatie, gedreven door de hype over de Chinese groei, of zit er een uitgekookte lange termijnvisie achter?
Afgelopen donderdag begon aan de beurs van Hongkong de officiële handel in het aandeel Bank of China (BOC), de op twee na grootste staatsbank van China. De instelling mocht van de regering in Peking 20 procent van zijn aandelen in roulatie brengen en beleggers, zowel institutionele spelers als particulieren, stonden te dringen. Het aandeel boekte meteen een winst van 15 procent, in weerwil van een matig beursklimaat.
BOC haalde bijna tien miljard dollar op: de grootste beursgang ooit van een Chinese firma en de grootste in de wereld van de laatste zes jaar. De bank verwacht binnen een jaar ook nog eens twintig miljard renminbi (ruim 2,2 miljard dollar) te oogsten via de binnenlandse beurzen van Shanghai en Shenzhen.
De grote belangstelling voor BOC volgt op het opmerkelijke succes van de beursgang van de China Construction Bank (CCB) in oktober vorig jaar. Die haalde ruim negen miljard dollar op, en de aandelenkoers steeg sindsdien in Hongkong met bijna 50 procent. De bouwbank, nummer vier in China, was de eerste grote bank die naar de beurs mocht.
Het is niet moeilijk te raden waarom banken van Peking naar de beurs mogen. De financiële autoriteiten willen geld en kennis uit het buitenland aantrekken, waarmee een einde kan worden gemaakt aan het hardnekkige mismanagement in het Chinese bankwezen. Bij de grootmacht die China aan het worden is, horen goede eigen financiële dienstverleners, is de redenering. Maar alleen kan men de omslag niet maken, daar is – net als eerder bij de ontwikkeling van de industrie – voorlopig veel hulp van buiten voor nodig.
De herstructurering is een operatie die qua omvang nergens anders is vertoond. China’s banksector is sinds 1949, toen de communistische partij aan de macht kwam, gewend te dienen als instrument van de politiek. Wilde Peking dat er ergens fabrieken, dammen, wegen of huizen kwamen, dan kregen de banken opdracht het geld te fourneren. Dat is er genoeg: Chinezen behoren tot de spaarlustigste burgers ter wereld en omdat ze hun geld nauwelijks in het buitenland mogen beleggen, bulken de lokale banken van het geld.
In de staatsfilialen heerst een speciale cultuur, die zich weinig bekommert om financieel rendement. Dankzij de economische liberalisering die in 1980 werd ingezet, is daar een graaicultuur bijgekomen. De laatste jaren komen veel fraude en corruptie naar buiten, met als dieptepunt een immense verduistering bij BOC. Daar wisten drie managers bijna een half miljard dollar naar hun privérekeningen te sluizen, waarna de heren de benen namen naar Canada. Het trio is inmiddels gearresteerd.
De hervorming van de banken wordt sterk vanuit Peking aangejaagd. Was het de communistische partij die van China’s geldschieters een treurig ensemble maakte, diezelfde partij heeft de staatsbanken vervolgens van de ondergang gered door injectie van grote sommen belastinggeld.
In totaal pompte Peking sinds 1998 400 miljard dollar in zijn noodlijdende banken, ter sanering van de bergen slechte leningen. De bankbalansen zijn verder opgeschoond door miljarden aan hopeloze leningen in speciale houdsterfirma’s onder te brengen. Deze ‘staatssterfhuizen’ moeten het onderpand van de leningen, vaak sterk verouderde kantoren en woningen, te gelde maken. Dat lukt nog niet erg.
Ook is in Peking een nieuwe banktoezichthouder aangesteld, die de controle op het reilen en zeilen van de sector professioneler moet maken. De gezondheid van het Chinese bankwezen is daarom beter dan voorheen. ‘Minder slecht’ is een betere omschrijving, want anno 2006 hebben slechts 25 van de ruim 130 grote en kleine staatsbanken volgens officiële cijfers voldoende reserves.
Ook BOC heeft een reputatie als brekebeen. De ‘oudste bank van China’ (1912) kreeg enkele jaren geleden twintig miljard dollar van Peking om de boeken te zuiveren, en claimt sindsdien mooie winsten. Maar zoals bij alle Chinese banken, maakt het gebrek aan transparantie het bijzonder moeilijk in te schatten hoeveel lijken er in de kast zitten.
Het weerhoudt buitenlanders er niet van aandelen te kopen. Alle grote internationale banken zijn druk op zoek naar een voet tussen de deur in de Chinese groeimarkt, nadat Peking hen drie jaar geleden toestemming gaf maximaal 20 procent van de aandelen van Chinese banken te verwerven.
Zo heeft het Britse HSBC, een bank met zijn historische wortels in Hongkong en Shanghai, 19,9 procent van de Bank of Communications gekocht en 8 procent van Bank of Shanghai. Een andere sterk opkomende buitenlandse speler is Temasek, de investeringsarm van de Singaporese regering, die met 10 procent de grootste buitenlandse partner is van Bank of China. Singapore kocht ook al bijna 5 procent van China Construction Bank en Minsheng Bank.
Ook Citigroup, Deutsche Bank, BNP Paribas, Bank of America, Goldman Sachs, Allianz, American Express, ING en de Commonwealth Bank of Australia hebben inmiddels ergens een belang gekocht. ‘De risico’s zijn groot, het levert voorlopig alleen maar hoofdpijn op, het kost veel geld, maar je kunt hier niet ontbreken’, zo vat een buitenlandse bankier in Shanghai de toeloop samen.
Het is tegelijk de oplossing van het raadsel. China’s banken zijn gewild omdat geen bank of belegger meent het zich te kunnen veroorloven de potentie van de Chinese markt te negeren. ‘Het is deels een koele lange termijnberekening, deels een gok.’
Het kan een wilde gok blijken. Kredietbeoordelaar Fitch meldde vorige week dat Chinese banken nog steeds 476 miljard dollar aan slechte leningen in de boeken hebben. Bijna de helft moet als oninbaar worden beschouwd, de rest is zorgelijk. Accountantsfirma Ernst & Young becijferde onlangs dat de berg ellende nog veel hoger is, een rekensom die het hoofdkantoor in Londen – onder Chinese druk – vervolgens haastig introk.
Ook het Internationaal Monetair Fonds gaf in april een duidelijke waarschuwing. ‘Hoewel de formele bestuurs- en toezichtstructuur substantieel is gewijzigd, lijkt het erop dat de wijze waarop bankzaken worden gedaan nog niet veel is veranderd’, aldus het IMF.
Op de website van Bank of China zul je dergelijke scepsis niet aantreffen. Geen letter over megafraude of miljardensteun. Integendeel. ‘Euromoney verkoos ons in 2002 tot de beste bank van China’, pocht BOC, dat zijn site sinds vorig najaar niet meer heeft bijgehouden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Geld:
economie,
consument.