Mister Corporate Governance, luidde zijn eretitel. Maandag overleed Jaap Glasz (70). Een commissaris bij een bedrijf, vond de gentleman en wereldverbeteraar Glasz, ‘moet vooral de rug recht houden’....
Lang voor Tabaksblat en zijn code had Jaap Glasz al talloze publicaties over goed ondernemingsbestuur op zijn naam staan. Hij stookte ruim twintig jaar geleden al onrust in het toen nog overwegend deftige en knusse, maar vooral besloten circuit van de commissaris van bedrijven. Glasz waarschuwde in 1983 voor het risico dat de commissaris in de vuurlinie zou komen te liggen en het risico liep wettelijk aansprakelijk te worden gesteld voor onbehoorlijk bestuur. Het werd hem niet in dank afgenomen. De grote Willem van der Grinten, de toenmalige autoriteit in het vennootschapsrecht, wees Glasz terecht in een toonaangevend vakblad onder de kop De mythe van de aansprakelijkheid. ‘Heren onder elkaar slepen elkaar niet voor de rechter’, vond Van der Grinten. Glasz wist wel beter. ‘In een voetnootje verwees Van der Grinten naar de verkondiger van de nare boodschap: de heer Glas – zonder z’, herinnerde Glasz zich met de hem typerende milde humor in zijn laatste interview, eind december vorig jaar, in de Volkskrant. Het gesprek vond plaats omdat Glasz ook zijn laatste commissariaat noodgedwongen moest neerleggen. Bijna vier jaar geleden hoorde hij dat hij leed aan de spierziekte ALS. Tientallen jaren speelde Glasz een hoofdrol in de discussie over ondernemingsbestuur als publicist, hoogleraar, lid van de Ondernemingskamer en als lid van de commissie-Tabaksblat, die eind 2003 de veelbesproken code voor goed ondernemingsbestuur opstelde. Hij werd de godfather van de commissarissen en een altijd beschikbare vraagbaak voor journalisten. Hij verzette zich tegen de druk van de collegialiteit. Een commissaris hoeft niet in het team te passen, vond hij. Als hij of zij maar deskundig en integer is. ‘De commissaris moet zijn rug recht houden. Er lopen o zo veel mensen rond die wel beter weten, maar die zich niet tegen de president-directeur of de andere commissarissen willen keren. Je moet durven zeggen wat je eigenlijk vindt.’ Glasz had daar geen moeite mee. Nooit. Maar hij verpakte zijn kritiek in hoffelijkheid, humor en zelfspot. Glasz omschreef zich eens als een wereldverbeteraar, maar wel met het besef dat het kwaad niet voorgoed uit de wereld kan worden verbannen. Hebzucht is van alle tijden en, zo besefte Glasz, de bron van de regelmatig opduikende schandalen in het bedrijfsleven. ‘Het is greed, pure hebzucht en gretigheid, gekoppeld aan de enorme druk om te presteren. Elke mogelijkheid wordt aangegrepen om de beurskoers overeind te houden.’ Glasz werd een vanzelfsprekend lid van de commissie-Tabaksblat, maar betwijfelde, ondanks de recente commotie en affaires, of het ‘vennootschappelijk fatsoen’ een schaarser goed is geworden. ‘Alles is transparanter geworden. Vroeger gebeurden die dingen ook, maar werden ze niet opgemerkt. Maar het is wel zo dat de extreme nadruk op aandeelhouderswaarde mensen op hun tenen doet lopen en aanzet tot slechte dingen.’ Glasz was duidelijk een aanhanger van de Rijnlandse visie dat alle belanghebbenden in een bedrijf – niet alleen aandeelhouders, maar ook werknemers, klanten en de samenleving – een stem moeten hebben. Onder druk van Angelsaksische beleggers kwam de nadruk bij veel Nederlandse bedrijven in de jaren negentig bij de aandeelhouders te liggen. Tot spijt van Glasz. ‘De wind komt uit het westen en waait eigenlijk te hard.’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Geld:
economie,
consument.