*

 

‘Franse boeren zien hun vrouw en kinderen elke dag en hoeven helemaal niet zo hard te werken’

Fokke Obbema − 24/10/05, 00:00

Naam: Pim de Roos Leeftijd: 57 Nationaliteit: Nederlandse Beroep: bankier/business coach in Parijs..

‘Natuurlijk wantrouwen de Fransen die Peter Mandelson. Een Engelse onderhandelaar die met de Amerikanen over het Europese landbouwbeleid aan de slag gaat! Dan kan je je er toch niet over verbazen dat de Fransen, die het meest bij die onderhandelingen te verliezen hebben, geen vertrouwen hebben. De Engelsen zijn in Europees verband nou niet bepaald teamspelers. Als ik moet kiezen tussen Fransen en Engelsen, dan weet ik het wel.’

De 57-jarige Pim de Roos komt met zijn openhartigheid meer over als de Amsterdammer die hij van geboorte is, dan als de keurige bankier voor de Rabobank aan de Boulevard Haussmann in Parijs, die hij ook is. Hij voelt zich dat laatste ook niet. ‘Ik weet niks van bankieren’, had hij tegen de bank gezegd, toen die hem in 2000 vroeg om business coach te worden van Nederlanders die in Frankrijk aan de slag willen.

De Roos, getrouwd met een Française, deed dat werk al sinds 1979 voor Arcadis, voorheen Heidemij. Dat ingenieursbureau wilde Nederlandse boeren op weg helpen in Frankrijk. Zo’n vierhonderd boeren vonden er via De Roos hun weg, wat hem onlangs een Franse onderscheiding opleverde; hij is nu geridderd tot ‘Chévalier dans l’Ordre du Mérite Agricole’.

‘Een buitenlander krijgt die titel niet zo vaak. En al helemaal niet zo’n gewone volksjongen als ik’, zegt hij met ingehouden trots. De uitreiking vond in hartje Parijs plaats; Nederlandse boeren uit heel Frankrijk hadden die dag hun koeien in de steek gelaten om ‘hun Pim’ toe te juichen.

Omgekeerd spreekt De Roos met warmte over zijn klanten. ‘Een van hen is de grootste aardappelteler van Frankrijk geworden. Een paar anderen behoren bij de top-vijf van melkproducenten. Het zijn Néderlandse boeren, hè.’

Met dat accent op de nationaliteit geeft De Roos ook meteen zijn afstand aan tot de Fransen, ook al verkeert hij al meer dan een kwart eeuw onder hen. Voor het Franse wantrouwen tegen Mandelson mag hij dan begrip kunnen opbrengen, tegelijkertijd vindt hij de boerenstand in Frankrijk ‘veel te defensief’ reageren. ‘Ze moeten zich veel meer openstellen voor de rest van de wereld. Een moderne, Franse boer staat aan de vooravond van een gouden tijd’, beweert hij in flagrante strijd met al het geklaag dat in de sector zelf te beluisteren valt.

‘Ga maar na. Hun levenskwaliteit is hoog: ze kunnen tien keer per dag hun vrouw omhelzen, ze zien hun kinderen opgroeien en ze hoeven helemaal niet zo hard te werken. Het platteland wordt herbevolkt door ouderen, dus sociaal isolement is er ook niet meer, ook al niet omdat hun vrouwen tegenwoordig vaak een baantje buiten de deur hebben. Als ze dan ook nog producten van hoge kwaliteit leveren die de voedselveiligheid garanderen, dan worden ze ook nog eens door de maatschappij gerespecteerd. Een perfect leven, toch?’

Om die kwaliteitsproducten te leveren, moet de boerenstand een omslag doormaken: van de zwaar gesubsidieerde producten (zoals graan, vlees en melk) naar producten uit de sfeer van de ‘vrije economie’, zoals bloemen en fruit.

‘In Nederland is die omslag al grotendeels gemaakt, hier niet. Waarom komt 60 procent van de bloemen uit Nederland en waarom importeren ze tomaten? Beláchelijk. Die producten zouden ze hier toch prima zelf kunnen maken.’

Zijn pleidooi is er niet een voor schaalvergroting. ‘Natuurlijk heb je ook boeren die het groot en industrieel willen aanpakken. Dat kan ook wel, de graanboeren bij Troyes en richting Verdun moeten gewoon doorgaan met wat ze doen. Maar wie aan de massamarkt levert, behaalt kleine marges. Zo’n grote boer kan wel eens minder verdienen dan de ambachtsman die potjes vijgenjam maakt, waar jij en ik 6 euro voor willen betalen.’

‘De Franse boeren moeten veel meer op die vraag naar kwaliteitsproducten inspelen. Daarnaast kunnen ze andere inkomstenbronnen gaan aanboren. Neem de boeren in Beieren: die halen eenderde van hun inkomen uit toerisme, eenderde uit bosbouw en eenderde uit de landbouw.’

De Franse overheid zou de boerenstand makkelijk een flinke impuls kunnen geven, meent De Roos, door de grondbank Safer af te schaffen’. Die oppermachtige bank houdt de grondprijzen al decennialang kunstmatig laag. Dat was nuttig in tijden dat ontvolking van het platteland moest worden voorkomen. Maar inmiddels neemt het aantal inwoners er weer toe.

Frankrijk, ‘dat nu nog de goedkoopste gronden van Europa heeft, vijf keer goedkoper dan in Nederland’, zou de grondprijs kunnen vrijgeven. Die zou omhoog vliegen, met weldadige gevolgen voor de boeren, betoogt hij enthousiast. ‘De boeren zouden ineens veel meer kunnen lenen en dus ruimte voor nieuwe projecten krijgen. Ze zouden veel dynamischer kunnen worden.’

Fokke Obbema

mailIcon print |