Nederlandse bedrijven exporteren zich suf en aan importeren hebben burgers en bedrijven een broertje dood. Record stapelt zich op record: het overschot op de lopende rekening van de betalingsbalans, het verschil tussen exporten en importen, gaat elk kwartaal omhoog....
Met dit handelsoverschot, dat al sinds midden jaren zeventig bestaat, is iets vreemd aan de hand. De uitgespaarde miljarden verdwijnen in wat Arnold Kusters van het Centraal Planbureau een 'zwart gat' noemt. Waarom, is de vraag, kan Nederland nog niet gaan rentenieren?
Een structureel overschot op de handelsbalans duidt op spaarzin. Nederland produceert meer dan het verbruikt, en verkoopt het productie-overschot aan het buitenland. De verdiende dollars, marken en yens worden in het buitenland geïnvesteerd en belegd. De vruchten van dit in het buitenland verzamelde vermogen vloeien als rente- en dividendinkomsten terug naar Nederland. Als het handelsoverschot maar groot genoeg is en lang genoeg aanhoudt, wordt die inkomstenstroom op enig moment groot genoeg om van te leven.
Het is een aanlokkelijk beeld: drukdoenerige Amerikanen, nijvere Aziaten, ploeterende Polen, allemaal druk aan het werk, terwijl de kapitaalverschaffende Nederlanders bij geboorte al gepensioneerd worden. Een handelsoverschot past inderdaad bij een vergrijzende samenleving.
Nederland lijkt aardig op weg. Eind jaren zeventig liep het handelsoverschot terug naar bijna nul - de oliecrisis joeg de importprijzen omhoog - , maar sinds die tijd jaagt Nederland op vervroegde pensionering. Begin jaren tachtig liep het handelsoverschot op tot ruim 3,5 procent van het nationaal inkomen, bleef vervolgens jaar in jaar uit rond dit niveau hangen, om in het begin van de jaren negentig de
5-procentsgrens te doorbreken. Als alle overschotten tussen 1975 en 1994 domweg bij elkaar worden opgeteld, resulteert de indrukwekkende som van ruim 241 miljard gulden.
Dit handelsoverschot vindt zijn spiegelbeeld in de kapitaalrekening, waarop de financiële transacties met het buitenland staan geregistreerd. De drie belangrijkste posten zijn directe investeringen in buitenlandse bedrijven, aangeschafte aandelen en obligaties.
Directe investeringen zijn kwantitatief het belangrijkste. Tussen 1975 en 1994 investeerden Nederlanders voor ruim driehonderd miljard gulden in buitenlandse bedrijven; buitenlanders investeerden voor een kleine 160 miljard in Nederland. Per saldo investeert Nederland dus in het buitenland. Dit loont alleen als er een aantrekkelijk rendement wordt behaald.
Niet dus, schrijft Arnold Kusters in zijn analyse van 'het zwarte gat'. Het rendement dat Nederlandse ondernemingen in het buitenland realiseren, ligt enkele punten onder hetgeen buitenlandse ondernemingen in Nederland weten te behalen.
Daar komt nog iets bij: de harde gulden vernietigt Nederlands vermogen in het buitenland. Uit zijn analyse van de investeringen tussen 1987 en 1994 concludeert Kusters dat er 84 miljard is uitgevoerd om een vermogenspositie te bereiken van 41 miljard gulden. 'De netto vermogensverliezen bedroegen derhalve 43 miljard gulden, waarvan tweederde deel kan worden toegeschreven aan de harde gulden.'
Dit vermogensverlies is voor een deel schijn. Zolang het belang in het buitenlandse bedrijf niet verkocht wordt, en de verdiende dollars en ponden (en bahts en ringgits en wons) opnieuw in het betreffende valuta-gebied worden geïnvesteerd, is het vermogensverlies een papieren kwestie. Maar op het moment dat de vreemde munten worden omgewisseld in guldens (straks: euro's), wordt het verlies reëel. Zoveel bahts en dollars voor zo weinig guldens - pensionering is er niet meer bij!
Bij aandelenbeleggingen in het buitenland kiest Nederland evenmin gelukkig. Het bezit aan buitenlandse aandelen is volgens Kusters opgelopen van veertig miljard gulden (of 9 procent van het nationaal inkomen) eind 1986, naar 119 miljard (19 procent nationaal inkomen) eind 1994 - en dat is in recente jaren natuurlijk verder toegenomen. Het valuta-risico is klein vanwege de voorkeur om in harde-muntlanden te beleggen.
Buitenlanders zijn zeer actief op het Damrak: de waarde van hun aandelenportefeuille steeg van 82 tot 186 miljard gulden tussen 1986 en eind 1994. De netto kapitaaluitvoer door aandelentransacties - export min import - bedroeg daarom in die periode 46 miljard gulden.
Buitenlanders handelen op het Damrak handiger dan de Nederlanders op de buitenlandse beurzen. De buitenlanders versloegen de AEX-index, wat een belangrijke verklaring vormt voor het toenemen van de waarde van hun portefeuille. Maar Nederlanders leden tussen 1986 en 1994 een netto vermogensverlies van 71 miljard gulden op hun buitenlandse aandelenbeleggingen. De netto kapitaaluitvoer in die periode - 46 miljard gulden groot - viel in een zwart gat, en op het belegde vermogen moest nog eens 25 miljard worden afgeboekt.
Naast het ongelukkige koersverloop haalden de buitenlanders in Nederland ook nog een hoger dividendrendement dan Nederlanders in het buitenland.
Het enige wat Nederlanders aardig doen is beleggen in buitenlandse obligaties. We doen het conservatief (Duitsland is met afstand het belangrijkste koopland), maar op de aldus belegde negentig miljard halen Nederlanders wel een hoger rendement dan buitenlanders in Nederland.
Rentenieren zit er dus voorlopig niet in. Er is geploeterd, verkocht, gespaard, geïnvesteerd en belegd, maar deze collectieve inspanning heeft er vooralsnog niet toe geleid dat er een fortuin is vergaard dat substantiële inkomsten oplevert. Succesvol ondernemen in het buitenland is Nederland blijkbaar niet meer gegeven.
Heel voorzichtig moet de vraag worden opgeworpen of we, in reactie op deze constatering, nu elders moeten beleggen en investeren, of dat we de spaarzaamheid van ons af willen werpen teneinde losbandig te gaan consumeren in het hic et nunc.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Geld:
economie,
consument.