Nederland verzuimde jarenlang de gasbaten duurzaam te besteden. Minister Zalm brak met dat beleid, maar de Hollandse Ziekte is niet genezen.
De vraag waar alle rijken mee te maken krijgen is: wat moet ik met mijn geld?
Ook Nederland, dat de afgelopen halve eeuw rijk is geworden van de enorme aardgasbel onder Groningen, heeft jarenlang met dat probleem geworsteld. De oplossing uit de jaren zeventig en tachtig – niet sparen, maar potverteren – is berucht geworden als de Dutch Disease. Nu, bij de vijftigste verjaardag van de ontdekking van de gasbel van Slochteren, wordt een nieuw antwoord gezocht.
De ‘Hollandse Ziekte’ kwam neer op: alle gasopbrengsten gingen simpelweg in de grote pot in Den Haag en werden vervolgens naar believen van het vigerende kabinet uitgegeven aan bijvoorbeeld onderwijs, AOW en uitkeringen.
En dat waren geen kleine bedragen. Volgens het Centraal Planbureau (CPB) heeft Nederland tussen 1970 en 2008 wel 201 miljard euro verdiend aan het Groningse gas. In sommige jaren bedroegen de gasopbrengsten meer dan 5 procent van het bruto nationaal product.
De consumptieve besteding van de aardgasbaten (‘potverteren’) was volgens veel economen een principieel onjuiste keuze. Een voorraad gas vertegenwoordigt tijdelijke inkomsten, die je volgens critici niet zomaar mag verbrassen. De opbrengst moet daarentegen worden besteed aan de opbouw van een vermogen dat tot in lengte van dagen geld oplevert.
Van dat soort duurzame investeringen waren ook in de jaren zeventig wel voorbeelden te vinden. Zo zijn de bewegende deuren van de Oosterscheldekering uit de aardgasbaten betaald. Die uitgave werd beschouwd als een investering die ‘maatschappelijk rendement’ opleverde, namelijk behoud van het getijdenmilieu van de Oosterschelde.
Om een groter deel van het gasgeld duurzaam te investeren, bedacht minister Zalm van Financiën in 1994 het Fonds voor Economische Structuurversterking (FES), waarin voortaan 41,5 procent van de gasbaten zou worden gestort. Uit de FES-pot zijn onder meer de Betuwelijn en de Hogesnelheidslijn betaald. Of dat zulke duurzame investeringen waren, is trouwens maar de vraag. Uit het fonds zijn bovendien ook ‘zachte’ zaken gefinancierd, zoals het Innovatieplatform. Het aantal discutabele uitgaven groeide toen de gasopbrengsten met de olieprijs de pan uit rezen, en ‘het budget op zoek ging naar aanwending’, aldus het CPB. Dat veegde in 2006 de vloer aan met de besteding van de FES-gelden, en stelde dat de helft van de projecten ‘maatschappelijk onrendabel’ was.
Inmiddels heeft het kabinet het vaste percentage afgeschaft. De komende jaren wordt volgens een schatting van De Nederlandsche Bank nog maar een vijfde van de gasbaten (bijna 10 miljard euro per jaar) via het FES besteed. Dat betekent dat de overige 8 miljard weer vrij beschikbaar komt.
Geen goed idee, vinden De Nederlandsche Bank en andere instituten. Al het gasgeld zou volgens hen in een fonds moeten worden gestopt, waarvan alleen het rendement mag worden gebruikt.
Noorwegen is daarbij het grote voorbeeld. In het Noorse oliefonds, onder meer bedoeld om de AOW te financieren, zat eind 2008 250 miljard dollar. Alleen: dat was een daling van 23 procent ten opzichte van het jaar daarvoor. Het fonds heeft de afgelopen tien jaar gemiddeld maar 0,3 procent rendement geleverd, terwijl er 4 procent is begroot.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Geld:
economie,
consument.