Banksparen is niet het wondermiddel tegen woekerpolissen waarop de Consumentenbond hoopte. Alles zelf regelen kost nog altijd het minste.
Veel mensen willen de aflossing van hun hypotheek en hun pensioen zo goed mogelijk regelen, omdat ze op die punten veel behoefte aan zekerheid hebben. Bij hypotheken en pensioenen gaat het om grote bedragen waarvoor mensen doorgaans tientallen jaren moeten sparen.
De eenvoudigste manier om een spaarpotje voor de oude dag of de afbetaling van het huis bij elkaar te scharrelen, is natuurlijk via een spaarrekening bij een bank. Maar dat vereist wel de discipline om maandelijks een paar honderd euro (of een paar duizend euro per jaar) opzij te zetten voor de lange termijn. Voor de verbrassers onder ons is dat geen haalbare kaart.
De Nederlandse regering ziet niet graag dat horden berooide verbrassers rond hun 65ste op straat belanden. Daarom beloont de overheid ‘goed’ gedrag en stimuleert zij de spaarzin met belastingvoordeeltjes.
De inleg in de pensioenspaarpot is fiscaal aftrekbaar en de pensioenuitkering valt onder het lagere belastingtarief voor 65-plussers. Voor hypotheeksparen geldt dat de spaarder geen vermogensrendementsheffing van 1,2 procent verschuldigd is over de hypotheek-spaarpot en dat de uitkering van het bedrag geheel belastingvrij is.
Deze belastingvoordelen gelden niet voor mensen die op eigen houtje sparen voor het pensioen of de hypotheekaflossing. Tot vorig jaar konden mensen alleen fiscaal profiteren als zij spaarden via een geblokkeerde spaar- of beleggingsrekening bij een verzekeraar: een lijfrentepolis (voor een pensioen) of een kapitaalverzekering (spaar- of beleggingshypotheek).
Consumentenorganisaties als de Consumentenbond en de Vereniging Eigen Huis (VEH) waren daar allerminst gelukkig mee, omdat de lijfrentepolissen en kapitaalverzekeringen allerlei verborgen kosten bevatten. Van het geld dat de spaarder inlegde, trekt de verzekeraar bijvoorbeeld afsluitprovisie voor de tussenpersoon en beheerkosten af. Daardoor kwam gemiddeld maar 60 procent van de inleg daadwerkelijk in de spaarpot van de klant terecht. Ook is er vaak sprake van koppelverkoop: de klant moest verplicht een dure overlijdensrisicoverzekering erbij nemen. De consument kreeg meestal geen inzicht in die kosten, en werd soms ronduit misleid. Dit is de oorsprong van de woekerpolisaffaires, waarbij consumenten het schip ingingen met ondoorzichtige verzekeringsproducten waar het rendement en het fiscale voordeel meer dan teniet werden gedaan door veel te hoge kosten.
Opengooien
De consumentenorganisaties pleitten er daarom voor de markt voor pensioen- en hypotheeksparen open te gooien, in de hoop dat de verzekeraars onder invloed van meer concurrentie de prijs van hun producten zouden verlagen.
De politiek had wel oren naar die argumenten en voerde met ingang van januari 2008 een wetswijziging door. Sindsdien mogen ook banken geblokkeerde spaar- en beleggingsrekeningen aanbieden die onder het soepele belastingregime vallen. Dat heet ‘banksparen’. Een enigszins misleidende term, want er vallen ook beleggingsrekeningen onder.
Een voordeel van banksparen is dat de consument daarbij niet verplicht is een aparte levensverzekering af te sluiten. Indien gewenst kan dat uiteraard wel, maar een afzonderlijke overlijdensrisicoverzekering is bijna altijd goedkoper dan de verplichte levensverzekering die de verzekeraar verkoopt.
Banksparen is echter niet per definitie goedkoper dan een lijfrentepolis of een kapitaalverzekering, zo blijkt uit het boekje Het nieuwe sparen. Daarin vergelijkt de Consumentenbond bankspaarproducten met gelijkwaardige producten van verzekeraars. Uit dat onderzoek blijkt dat het helemaal van de wensen en omstandigheden van de individuele consument afhangt wat de beste keuze is. Een vuistregel is er eigenlijk niet.
Qua pensioen is er wel een belangrijk verschil tussen banksparen en een lijfrentepolis. Een bank keert het gespaarde bedrag altijd uit, ook als de rekeninghouder op de pensioendatum overleden is. Dan krijgen de nabestaanden de spaarpot uitbetaald. Voor lijfrentepolissen geldt dat niet: als de polishouder overlijdt voordat de volledige spaarpot is uitgekeerd, valt de rest terug aan de verzekeraar.
Maar het omgekeerde kan ook gebeuren. Een lijfrentepolis biedt een levenslange uitkering. De verzekeraar heeft dus pech als de polishouder 100 jaar wordt. Een bank loopt dat risico niet, want die keert nooit meer uit dan het gespaarde bedrag. De uitbetaling wordt meestal uitgesmeerd over ongeveer twintig jaar. Wie op zijn 65ste met pensioen gaat, krijgt dan tot zijn 85ste een uitkering. Wie ouder wordt, krijgt dus te maken met een plotselinge inkomensdaling.
Of banksparen het probleem van de ondoorzichtige kosten oplost, is maar de vraag. De Consumentenbond constateert dat banken geneigd zijn bankspaarders onder te brengen in hun eigen beleggingsfondsen, die niet per se de best renderende hoeven te zijn. Bovendien rekenen ook banken beheerkosten en afsluitprovisies.
Zowel banksparen als verzekeringen hebben bovendien als nadeel dat ze uiterst inflexibel zijn. Het geld staat jarenlang onder strenge voorwaarden vast en mag op straffe van fikse boetes na uitbetaling alleen aan de hypotheek of het pensioen worden uitgegeven.
Wie de discipline heeft om consequent te sparen en meer hecht aan flexibiliteit dan aan belastingvoordelen, kan zijn geld beter op een gewone spaar- of beleggingsrekening zetten, of investeren in onroerend goed of kunst. Dat bespaart advies- en beheerkosten en biedt maximale vrijheid om in te springen op actuele spaarrente- of beurskoersontwikkelingen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Geld:
economie,
consument.