*

 

Groei is een dubieuze maatstaf

Door onze verslaggever Pieter Klok − 08/05/09, 19:39

Welbeschouwd is het allemaal voor niets geweest. Al het zwoegen van de afgelopen 36 jaar, de steeds hogere salarissen, de steeds duurdere huizen en de steeds verdere vakanties, het heeft ons geen centimeter gelukkiger gemaakt.

  • - (anp)

Welbeschouwd is het allemaal voor niets geweest. Al het zwoegen van de afgelopen 36 jaar, de steeds hogere salarissen, de steeds duurdere huizen en de steeds verdere vakanties, het heeft ons geen centimeter gelukkiger gemaakt.

Nederlanders geven hun eigen leven precies hetzelfde cijfer als in 1973. En andere landen, die economisch zijn gegroeid, vertonen hetzelfde beeld. Als er al sprake is van een voor- of achteruitgang in het geluk, is die nauwelijks meetbaar.

Economische vooruitgang levert de mensheid dus niets op, zou de conclusie kunnen zijn. Waarom zouden we er ooit nog naar streven? En waarom zouden we überhaupt nog geïnteresseerd zijn of de economie krimpt of groeit?

Voorlopig heeft de maat voor economische groei, het bruto nationaal product (bnp), nog een heilige, bijna onaantastbare status. Het hele land kijkt reikhalzend – en tegenwoordig ook met angst en beven – uit naar de voorspellingen van CPB-directeur Coen Teulings. Toen Teulings wist te melden dat de economie 3,5 procent zou krimpen, keek premier Balkenende alsof zojuist de derde wereldoorlog was uitgebroken.

Teulings is ook de man die het finale oordeel velt over de partijprogramma’s. Welke partij slaagt erin het bnp het meest vooruit te krijgen, is zo’n beetje de belangrijkste vraag, merkte Femke Halsema van GroenLinks in 2006.

Als GroenLinks aan de macht zou komen, zou het bnp met 2,3 procent groeien, had het CPB berekend. Dat was minder dan de 2,5 procent groei die andere partijen zouden boeken. Dat in ruil voor de 0,2 procent lagere groei, tweehonderdduizend banen werden gecreëerd, het onderwijs werd verbeterd en het milieu werd gespaard, bleef tot Halsema’s verbijstering vrijwel onbesproken.

Halsema wil sindsdien af van dat bnp als belangrijkste maat, zodat politici weer echt gaan nadenken in welk land we eigenlijk willen leven en of Nederland het wel echt zo goed doet, als de voortdurende bnp-groei suggereert.

Alternatieve maat
Halsema staat niet alleen. Steeds meer politici zien in dat het bnp als welvaartsmaat niet zaligmakend is. De Franse president Nicolas Sarkozy schakelde de economen Armatya Sen en Joseph Stiglitz in om een alternatieve maat voor welvaart te bedenken. En in november 2007 al hielden de Europese Commissie, het Europees Parlement, de Club van Rome, de OESO en het Wereld Natuur Fonds een gezamenlijke conferentie ‘Voorbij het bnp’.

Om te beginnen moeten de milieueffecten worden meegewogen. Die kun je nog best kwantificeren, bijvoorbeeld door een prijs te verbinden aan de uitstoot van CO2. En dan moet er ook rekening worden gehouden met alles wat mensen vrijwillig doen om een leukere samenleving te creëren.

Maar zijn we er dan? Wat is eigenlijk het uiteindelijke doel? Geluk, natuurlijk, want dat – en daar is iedereen het wel ongeveer over eens – is toch het mooiste dat we in dit aardse bestaan kunnen bereiken. (Al kun je ook betogen dat mensen ongelukkig worden van de druk altijd maar gelukkig zijn. Je moet het dus niet al te fanatiek nastreven.) Hoe richt je de economie zo in, is dan de vervolgvraag, dat inwoners zo gelukkig mogelijk zijn?

De Britse econoom Richard Layard is de belangrijkste denker op dit gebied. Hij vindt dat geluk een beleidsdoel zou moeten worden, en dat de vergroting van het landelijke geluk net zo grondig zou moeten worden gemeten als de groei van het bnp.

Er is tot nu toe maar één land dat expliciet streeft naar verhoging van het Bruto Nationaal Geluk. En dat is het bergstaatje Bhutan. Het land met zijn 700 duizend inwoners was lange tijd van de buitenwereld afgesloten. Tv’s en mobiele telefoons waren tot voor kort verboden en de inwoners verdienden niet veel meer dan een dollar per dag.

De resultaten zijn ernaar. Bhutan eindigde op de achtste plaats in een internationaal geluksklassement, waar alle 178 landen aan meededen. Voorwaar een voortreffelijke prestatie gezien het beperkte bnp. Toch moet Nederland Bhutan niet achterna, vindt Halsema. ‘Het is nogal zweverig. Onze bevolking zal dat niet als lonkend perspectief ervaren.’

Maar is de bevolking wel in staat te beoordelen wat haar gelukkig maakt? Ook daar kunnen vraagtekens bij worden gezet. Kijk alleen maar naar Oost-Europa. Vanaf 1989 hebben alle landen daar de vrije markt omarmt. Dit leidde tot een onstuimige economische groei, maar gelukkiger zijn de Oost-Europeanen er niet van geworden. In alle geluksklassementen eindigen ze steevast onderaan en dat terwijl hun inkomen vergeleken met de rest van de wereld best redelijk is.

Dat mensen denken dat ze van materiële welvaart steeds gelukkiger worden, komt volgens de Nijmeegse hoogleraar economische theorie Esther-Mirjam Sent door de Easterlin-paradox. ‘In een samenleving zijn rijke mensen meestal gelukkiger dan armen. Daaruit kun je de conclusie trekken dat je je inkomen moet verhogen, maar een samenleving die als geheel rijker wordt, wordt niet gelukkiger.’

Ook het Centraal Plan Bureau (CPB), dat in 2008 een uitgebreide studie deed naar geluk, stuitte al snel op de Easterlin-paradox. ‘Als jij relatief steeds rijker wordt, worden anderen relatief armer, en dus ook relatief ongelukkiger’, zegt George Gelauff, die als onderdirecteur het onderzoek leidde.

Wie materiële welvaart afzet tegen het geluk in een land, krijgt een wolk aan gegevens, laat Gelauff zien. Uit een statistische analyse blijkt bijvoorbeeld dat landen met een hoger bnp per hoofd van de bevolking over het algemeen ook gelukkiger zijn, maar het verband is verre van overtuigend.

Veel Zuid-Amerikanen blijken ondanks hun relatief lage inkomen heel gelukkig te zijn. ‘Ik kan me daar wel iets bij voorstellen’, zegt Gelauff, ‘Als ik aan Zuid-Amerika denk zie ik vrolijkheid en opgewektheid voor me.’

Ook lijkt het erop alsof de lijn op het eind iets afbuigt. Vanaf een bepaald moment leidt een hoger bnp niet tot meer geluk en dat punt hebben we in Nederland gepasseerd. Hoe moet je het geluk daarna maximaliseren?

Femke Halsema komt ze geregeld tegen. GroenLinksers die diep in hun hart naar een stevige economische krimp verlangen. De voordelen zijn natuurlijk legio: geen files meer, minder uitstoot van CO2 en andere vieze stoffen en een einde aan de – in veler ogen wanstaltige – hyperconsumptie, de haast en misschien ook de hufterigheid.

Groei of krimp?
Halsema vindt het streven naar krimp echter net zo onzinnig als het streven naar groei. ‘Je stelt weer het bruto nationaal product centraal en het moet nu juist om andere zaken gaan, zoals het milieu, een goede leefomgeving en geluk. Bovendien is er ook goede bnp-groei, als je windmolenparken in zee zet bijvoorbeeld.’

Halsema is ook beducht voor het psychologisch effect. ‘Als de economie krimpt, zal de ondernemerszin dalen. Het geloof in de toekomst zal worden aangetast en de behoudzucht zal toenemen. Daar ben ik niet voor.’

Ook Esther-Mirjam Sent vindt het nastreven van krimp niet verstandig. ‘De mens heeft van nature een stevige aversie tegen verlies, blijkt uit onderzoek. Hij wordt misschien niet gelukkiger als hij meer verdient, maar hij wordt wel veel ongelukkiger als hij minder verdient.’

We moeten dus groeien om niet ongelukkig te worden. Bert Heemskerk, scheidend topman van Rabobank, kwam deze week in de Volkskrant met een compromis: nu even hard krimpen, zodat we straks weer rustig en duurzaam kunnen groeien.

Het CPB is neutraal, zegt Gelauff. ‘Het is heus niet zo dat wij willen dat de economie elk jaar groeit. Onze doelstelling is veel breder. Wij zeggen zelfs niet: je moet blijven groeien om de werkgelegenheid op peil te houden. Er is in principe niets mis mee als er minder werk is. Dan gaat het bnp naar beneden, maar misschien staan daar wel grotere voordelen tegenover, zoals meer vrije tijd. ’

Meer ongelijkheid?
Sent ziet de krantenberichten nu al voor zich. ‘Het Amerikaans bnp trekt straks natuurlijk veel sneller aan en dan krijg je weer discussies over de Europese verzorgingsstaat die het herstel vertraagt.’

Maar we moeten niet vergeten, vindt Sent, dat die verzorgingsstaat ons echt gelukkiger maakt. Hoe minder inkomensverschillen, hoe gelukkiger mensen gemiddeld zijn.

Het geluk blijkt namelijk in grote mate ook af te hangen van de buurman – en door de televisie hebben we er ineens heel veel buurmannen bij. Als de buurman een materiële sprong omhoog maakt, of dat nu in de vorm is van een hoger inkomen of een nieuwe auto, dan maakt hij zijn buren een beetje ongelukkiger.

Wie zijn status verhoogt, duwt tegelijkertijd een ander naar beneden. ‘Als je het geluk in een land wilt stimuleren, zou je dit wellicht moeten verbieden’, grapt CPB’er Gelauff.

Nog een punt om over na te denken: tegenwoordig wordt van werknemers een grote flexibiliteit verwacht. De baan voor het leven bestaat niet meer en werknemers moeten zich voortdurend ontwikkelen. Volgens veel economen is dat nodig om als bedrijf en land concurrerend te blijven. Het maakt mensen echter niet gelukkiger. Mensen willen volgens de geluksdenker Richard Layard bovenal stabiliteit en zekerheid.

Hyperconsumptie of niet?
De Amerikaanse wetenschapper Fred Hirsch concludeerde in de jaren zeventig al dat de strijd om status tot een ‘inefficiënt hoge productie en consumptie leidt’. ‘De Verenigde Staten zijn natuurlijk een prachtig voorbeeld’, zegt Sent. ‘Ze rijden rond in SUV’s terwijl een mini volstaat en ze wonen in belachelijke grote huizen. Daardoor worden grondstoffen sneller uitgeput dan nodig en wordt het milieu onnodig vervuild.’

In de geluksliteratuur wordt vaak uitgegaan van een natuurlijk geluksniveau, dat individueel – en misschien wel genetisch – bepaald is. Dat wordt set point genoemd.

Een sprong in inkomen, een nieuwe auto, een nieuwe tas en mooie schoenen leiden allemaal slechts tot een tijdelijk gelukssprongetje. Vlak daarna keert iemand al weer terug naar zijn natuurlijke geluksniveau, dat voor de een hoger kan liggen dan de ander. Dit gelukssprongetje kan overigens heel verslavend zijn, net als een sigaret die ook vooral tijdelijke vreugde biedt.

Volgens de set-pointtheorie maakt het ook niet uit of iemand werkloos wordt of een deel van zijn inkomen moet inleveren. Dat zal hooguit tot kortstondig ongeluk leiden. ‘Zelfs mensen die ziek zijn, kunnen een goed leven hebben’, zegt Gelauff. ‘Ook zij keren terug naar het stabiele evenwicht.’ Als deze theorie al te consequent wordt volgehouden, maakt het dus niet uit wat de overheid doet.

Met de huidige gegevens over geld, geluk en de relatie daartussen is het niet eenvoudig een onderbouwd, op geluk gericht beleid te voeren, vindt Gelauff. Er is eenvoudigweg nog te veel onduidelijk. Als je puur naar geluk kijkt, zou je misschien beleid moeten voeren dat tegen het gezond verstand indruist.

‘Het blijkt dat het minder erg is om werkloos te zijn als veel mensen in je omgeving ook werkloos zijn’, zegt Gelauff. ‘Hieraan zou je de conclusie kunnen verbinden dat je werkloosheid moet bestrijden in regio’s waar de werkloosheid al laag is.’

Spitsuur van het leven
Ook blijkt dat de geluksbeleving een U-vorm heeft. Jongeren en ouderen zijn relatief gelukkig. Alles wat daar tussen zit, is ongelukkiger. ‘Dat zijn de mensen die in het spitsuur van hun leven zitten’, zegt Gelauff, ‘wellicht kan de overheid overwegen of er reden is die groepen te ontlasten.’

Tot slot blijken mensen die actief betrokken zijn bij religie, geen etnische minderheid zijn, geen kinderen hebben, seksueel actief zijn en een stabiele relatie hebben, gelukkiger te zijn. Maar de gemiddelde Nederlander is vooralsnog van mening dat anderen zich daarmee niet moet bemoeien.

Reageren op dit artikel? Ga naar vk.nl/opinie.

mailIcon print |