Jelena Voronina (45) werkt al achttien jaar in een fabriek in Foermanovo, een textielstadje zo’n 350 kilometer ten noordoosten van Moskou.
‘De textielfabriek draait nog altijd, al is het werk deels stilgelegd. In november zijn er tweehonderd mensen uitgevlogen. Ik werk nu in deeltijd en ontvang tweederde van het minimumsalaris, 3.500 roebel (80 euro, red.) per maand. In november kregen we te horen dat we minder gingen werken en verdienen. De minst gedisciplineerde werkers zijn het eerst ontslagen.
‘Voor de crisis, in de goede tijd, verdiende ik 7.000 roebel. Nou, de echt goede tijd was natuurlijk de sovjettijd. Die 7.000 was tenminste genoeg. We begonnen hier net te geloven dat we een normaal leven konden hebben. Mensen gingen leningen afsluiten, om een huis te kopen of een auto.
‘Ik werk in fabriek Nr. 2. In fabriek Nr. 1 is de situatie nog erger. Er is ook nog een derde fabriek, daar gaat het relatief iets beter omdat ze uitgekocht zijn en wat moderner materieel hebben. Om op onze machines te werken, is echt heel moeilijk. Alleen wij kunnen het nog. Iedereen kan een computer bedienen, maar wat wij doen...’
‘In de jaren negentig hadden we rantsoenkaarten en overleefden we alleen dankzij de tuintjes die we hadden. Naar die tijden willen we niet terug. Op een goed moment begonnen ze de salarissen op tijd te betalen en zagen we soorten voedsel in de winkel uitgestald die we van ons leven nog niet hadden gezien. En dus werden we te lui om nog in onze tuintjes te werken. Het was makkelijker om aardappels in de winkel te kopen. Maar nu moeten we misschien weer terug naar de tuin.
‘De fabriek kreeg de afgelopen jaren meer opdrachten. Nu ook nog wel, maar we hebben geen geld om katoen te kopen om kleren van te maken. In de jaren negentig bleven de fabrieken trouwens ook open. Natuurlijk werden we onderbetaald, of betaald in kleren of brood, maar ze gingen nooit dicht. De mensen hebben hele scherpe herinneringen aan de jaren negentig en zijn als de dood dat die weer terugkomen.
‘Onze buurt heeft licht en verwarming, maar die hiernaast heeft geen verwarming. Dat komt omdat ze voorzien worden via de fabriek, die zijn rekening niet kan betalen. In onze opgang van de flat hebben we 14 appartementen – in 10 ervan wonen nu werklozen. En het probleem is dat er geen andere banen zijn in deze stad. Alleen de textielfabrieken. Mijn man werkte zijn hele leven hier, hij had het altijd over de drie walvissen die iedereen onderhielden. De fabrieken bouwden appartementen, sportfaciliteiten, een clubhuis.’
‘Ik bedien 26 machines, we produceren stof. Maar ik kan ook spinnen. Met mijn 45 jaar behoor ik tot de jongste generatie. Jongere mensen willen niet werken in de fabriek. In sovjettijden wel, toen verdiende je hier goed geld. Nu gaan de jongeren studeren in Ivanovo. En onze mannen werken vaak in Moskou als bewaker of in de bouw. Dat is hoe zulke families overleven. Sommigen laten de kinderen achter bij oma en werken beiden in Moskou. Maar nu komen de mensen terug uit Moskou omdat ze hun mooie baantjes daar verliezen.’
‘Iedereen is bang voor wat komen gaat. Ik krijg 3.500 roebel, maar de huur inclusief gas en licht is 2.500. En gas en licht worden almaar duurder. Dus het is voor mensen die alleen zijn onmogelijk om zo te leven. Ik heb een man die 7.000 roebel verdient, maar mijn buurvrouw, met twee kleine kinderen, staat er helemaal alleen voor.
‘De straat opgaan om te demonstreren zullen we niet snel doen. We hopen nog dat het ten goede keert. En Poetin heeft beloofd leningen aan onze industrie te geven, zodat we weer katoen kunnen kopen. Het geloof in Poetin onder de mensen is groot. De fabriek moet blijven draaien, als het eenmaal stilligt is het moeilijker om weer te beginnen. Het belangrijkste is om de winter door te komen, te overleven tot de lente – dan zullen we onze tuintjes weer omspitten.’
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Geld:
economie,
consument.