De productsschappen organiseren campagnes als 'Kip, het meest veelzijdige stukje vlees'. &copy ANP
De productsschappen organiseren campagnes als 'Kip, het meest veelzijdige stukje vlees'. &copy ANP © UNKNOWN

Met opheffen productschappen verdwijnt laatste restje corporatisme

De Tweede Kamer heeft gisteren tegen de zin van het kabinet een eind gemaakt aan bedrijfs- en productschappen. Daarmee is het laatste restje corporatisme verdwenen waarbij vakbeweging en werkgevers overheidstaken uitvoeren.

Nu zijn er nog zeventien schappen voor onder meer tuinbouw, wijn, vee en vlees, akkerbouw, detailhandel, stukadoorsbedrijf en horeca. Zij voeren wet- en regelgeving uit, bijvoorbeeld over productveiligheid. Daarnaast kunnen zij verordeningen uitgeven, campagnes voeren en heffingen opleggen. Vakbonden en werkgevers besturen de schappen. Minister Henk Kamp (VVD) van Sociale Zaken had juist voorgesteld drie product- en bedrijfschappen te handhaven.

Maar VVD, PVV, SP, D66 en GroenLinks steunden een motie van VVD'er Charlie Aptroot om de schappen op te heffen. Opheffing levert Kamp een tegenvaller van 31 miljoen euro en extra ambtenaren op. Bij de schappen werken nu ruim driehonderd mensen.

De schappen zijn bij het publiek het bekendst van de campagnes als: 'Kijk eens wat vaker in de spiegel van de kapper', 'Breek de dag, tik een eitje' en 'Kip, het meest veelzijdige stukje vlees'.

Einde aan na-oorlogse corporatisme
Met het opheffen van de schappen komt een eind aan het na-oorlogse corporatisme. Daarbij werd de uitvoering van overheidsbeleid overgedragen aan vakbeweging en werkgevers. Al voor de Tweede Wereldoorlog kregen vakbeweging en werkgevers de uitvoering van overheidstaken toebedeeld. Na de oorlog werd dat in wetgeving verankerd.

Zo kregen de sociale partners de uitvoering van sociale wetgeving in handen, vormden zij de besturen van de arbeidsbureaus en waren zij betrokken bij de ziekenfondsen. Ook vormden zij het bestuur van de Kamers van Koophandel en kregen zij de mogelijkheid per bedrijfstak of product schappen op te richten. In de jaren vijftig waren er 59 schappen, vooral in agrarische sectoren, waarmee sociale partners een groot deel van de economie reguleerden.

Heft in handen
In de jaren negentig taande het corporatisme. Na een parlementaire enquête en jaren discussie nationaliseerde het tweede kabinet-Kok in 2000 de uitvoering van de sociale zekerheid. Daar komt het UWV uit voort. Tegelijk werden de arbeidsbureaus geprivatiseerd.

Het aantal schappen slonk al, nu maakt de Tweede Kamer er een eind aan. De overheidstaken worden ondergebracht in een agentschap, net als bij de Kamers van Koophandel. Ook daar worden de sociale partners buiten gezet en neemt de overheid het heft in handen.

Gevolgen voor de SER
De opheffing van de schappen heeft ook gevolgen voor de Sociaal-Economische Raad, van waaruit vakbeweging, werkgevers en oud-politici het kabinet adviseren. De SER houdt nu toezicht op de schappen. Dat werk vervalt. Ooit gold de SER als machtig instituut en belangrijke adviesraad. Sinds de jaren vijftig moest het kabinet de SER advies vragen over belangrijke wetten. In 1994 werd die adviesplicht geschrapt. Tot de eeuwwisseling speelde de raad nog een rol met baanbrekende adviezen over bijvoorbeeld ziektekosten en WAO. Maar die stroom is opgedroogd.

Van de machtige na-oorlogse positie van vakbeweging en werkgevers in het landsbestuur resteren nu nog twee ondergeschikte posities. Bij het UWV vormen sociale partners nog de ontslagcommissies die ontslagaanvragen beoordelen. In het onderwijs zijn de sociale partners betrokken bij het opstellen van de eisen voor vakbekwaamheid bij beroepsopleidingen.