De taal had het goed bij Jan Eijkelboom

Als dichter was Eijkelboom een introverte kijker. Donderdag is hij op 81-jarige leeftijd gestorven in Dordrecht.

Jan Eijkelboom, die is gestorven voor zijn taal op was, moet veel in de verte hebben getuurd, over het water, vooral over dat van de meest epische Nederlandse rivier, de Merwede bij Dordrecht. Of het moet het grootse water van de Hef zijn geweest. Zijn ogen leken altijd de verte te zoeken. Soms werd hij stil en leek hij aandachtig te luisteren: het verre of dichtbije water sprak zijn taal. Die heeft hij zich in een aantal van zijn mooiste gedichten toegeëigend, lees maar, een fragment uit het gedicht Wolwevershaven dat in de sterke bundel De gouden man staat:‘Zie door de scheefgestreepte ruit/ een vogel die hardwerkend/ toch stil staat in de storm./ Water wordt uit het water/ geslagen, regen geselt/ de regen, de wind botst/ op het niet te stuiten tij.’De bundel verscheen in 1982, drie jaar na zijn hoog geprezen debuut Wat blijft komt nooit terug. Bij dat debuut was hij al 53; pas jaren na de storm van de Vijftigers kon hij zijn zachte stem laten horen en de waarde van de traditie weer zichtbaar maken. Een eerder verschenen mooie Indische novelle had hem een toen al bijna verdwenen bekendheid gegeven, evenals de in 1957 verschenen bloemlezing uit het werk van John Donne, tien gedichten en drie preken in een superieure vertaling.Zijn eigen poëzie bleek die van de zachte krachten, ingetogen haast, verfijnd, beeldend, in soms heel rake beschrijvingen, helder vooral, doorzichtig als water zou ik haast zeggen. Poëzie van kijken en reflecteren. Hij kreeg er vele lezers mee. Zijn eigenlijke debuut, de Donne-bundel, liet in bijna al zijn bundels sporen na: uit het Engels vertaalde gedichten sloten die bundels af. Overigens: de dubbelzinnige virtuositeit van Donne was zijn eigen poëzie vreemd. Zijn Engelse geestgenoot was Philip Larkin (voortreffelijk door hem vertaald). Diens geest moet vanuit Engeland naar de waterstad aan de Merwede zijn overgevlogen. Zijn in 1991 verschenen bundel Kippevleugels ontleende zijn titel aan een gedicht van Larkin, in vertaling door Eijkelboom aan het eind van de bundel geplaatst met een duidelijke poëticale bedoeling:‘Woorden gewoon als kippevleugels/ kennen geen leugens,/ stellen de zaken niet mooier voor,-/ zijn te verlegen./’Dat is de eerste strofe. In de woorden van een ander krijgen we even al die zachte krachten te horen. Karakteristiekjes van poëzie, met de laatste woorden over de verlegenheid, als onvergetelijk hoogtepunt. Verlegen woorden, Eijkelboom schreef er vele geschreven: ze durven het beschrevene nauwelijks aan te raken (wat verlegen moet een dichter daarvan zijn). Hier een der stilste, uit de reeks Op het water geschreven, uit de bundel De wimpers van de dageraad:Valavond. Nog één schip
verbreekt het stille water.Het lijkt daarbij voorzichtiger te
gaan
dan overdag.Het water ligt maar even later
weer ongestoord
als was er olie op gegoten
onzichtbaar en weldadig.Onrust alleen bij de poëet
op zoek naar het juiste woord.Een introverte kijker was Jan Eijkelboom als dichter. De taal heeft het bij hem goed gehad. Hij was ook jarenlang een voortreffelijk journalist, ik herinner me hem in zijn jonge jaren als redacteur van Vrij Nederland. Hij had toen al een heel scherp inzicht in literatuur; dat heeft zich steeds meer ontvouwen. Het laatst heb ik hem ontmoet bij een door hem te houden lezing, 7, 8, 10 jaar geleden. Zijn stem had de vertrouwde zachtheid van eens behouden. De lezing was uitstekend. Hij was een gouden man gebleven.