Een melk spuwend monster

Het zal je maar gebeuren. Al heel jong weet je één ding zeker. Dat je schrijfster wilt worden. Schoolschriftjes vol verhalen schrijf je vol op je meisjeskamertje....

En dan gebeurt het verschrikkelijke: je jongste broer, een verwend ventje dat nooit iets anders dan Kuifje las, altijd bij de marine wilde of popster wilde worden, noemt zich óók ineens schrijver. Erger nog, zijn boeken worden gepubliceerd. En dan begint het grote gevecht om wie de beste is. En wie het gouden materiaal dat in de chaotische familiegeschiedenis ligt opgeslagen, mag confisqueren. Eigenlijk moet hij dood, de vuile concurrent. Maar dat kan niet. Want hij is haar kleine, onschuldige broertje.Dat is het dilemma van Andrea, de ik-figuur in Moord, het eerste deel van een ‘dubbelroman’ die Doeschka Meijsing schreef samen met haar broer Geerten Meijsing. Andrea’s broer Timbeer woont al jaren in Italië, eerst in Toscane, later in Syracuse, op Sicilië – uiteindelijk was hij het die wegvluchtte uit de literaire kringen van zijn zuster. Met Timbeer ging het, sinds ze hem aangetroffen had met doorgesneden polsen, niet zo goed. Nooit herstelde hij helemaal van zijn depressie, en hij kreeg er een hartkwaal bij. Zij besluit hem op te zoeken, met als alibi dat zij hem een hoed komt brengen, een fedora, die Timbeers gevoelige hoofd moet beschermen in het hete zuiden. Meteen na Andrea’s aankomst zet Timbeer de hoed op. In deze scène ligt de hele, gedoemde verhouding tussen broer en zus besloten. Wat Andrea al vreesde, is waar. ‘‘‘Gaat best, hè?’’, zei hij tegen beter weten in. (...) De Fedora stond bovenop zijn hoofd als de hoedjes van de clowns in de piste. Zijn gezicht kreeg de verbijsterde uitdrukking van het mormel dat ik, meer dan een halve eeuw geleden, op mijn weg had gevonden toen ik thuiskwam van een zonnig middagje schommelen.’En daarmee zijn we bij de oerscène van dit, en van ieder broer-en-zusverhaal: Andrea en Timbeer, door de schrijver van het tweede deel al snel kribbig ontmaskerd als Doeschka en Geerten, op de dag dat het zusje van drie blij thuiskwam, maar in de armen van haar moeder een brullend, melk spuwend monster aantrof. Algauw was hij een wezen met engelachtige blonde krullen en grote blauwe ogen dat voortaan alle liefde en aandacht zou opeisen. Ze besluit een jaar lang niet meer te praten. In de box beraamt ze een moordplan. Om te oefenen drukt ze alvast vakkundig bij pop Katrien de oogjes in.Maar de ellende is dat ook zij, de grote zus, niet kan ontkomen aan de bekoring van het jongetje dat, als hij voor het eerst een meisje bewondert, ‘de dans van het meisje met de kleurpotloden danst’. Hoe vilein ze ook mag spotten met zijn ijdelheid en snoeverij, zij blijft verantwoordelijk voor zijn welzijn, of hij nu ligt leeg te bloeden op een Amsterdamse etage of eenzaam wegkwijnt op Sicilië. En hij, de gebenedijde jongste, kan niet anders dan zijn eigenzinnige, wilskrachtige zus die hem ernstig irriteert, bewonderen. Niks moord. Zij zijn Kaïn en Abel niet. Dat zijn de twee eerstgeborenen, de oudere tweelingbroers, van wie – in Andrea’s versie althans, haar broer Geerten snijdt die mythe meteen aan flarden, er was in het Meijsing-gezin maar één oudere broer – er één sterft.Maar tot openlijke liefde zijn broer en zus evenmin in staat; dat zou een zwaktebod zijn. De laatste weken van Doeschka/Andrea’s verblijf brengen ze als zoete kinderen samen door op Geertens appartement. Hij bakt voor haar patatjes en dient haar een afgemeten rantsoen alcohol toe, zij sluipt op kousenvoeten rond om hem niet te storen. Ze zingen liedjes, vertellen moppen en zwijmelen bij Bob Dylan.Zij is getuige van zijn jongste obsessie, een moord die gepleegd werd op het driejarige jongetje Samuele, in de omgeving van Aosta. Dagelijks staan de kranten er vol mee. Zijn moeder Annamaria zou hem vermoord hebben, maar Geerten gelooft heilig in haar onschuld. Op de dag van Doeschka’s vertrek wordt de vrouw in hechtenis genomen. Nu hij weer alleen is krijgt de jaloezie lucht: zíj voltooide haar roman, ze schrijft veel te makkelijk naar zijn zin, híj kreeg in haar aanwezigheid geen letter op papier. Moord en Moord en doodslag vormen een dubbelroman met driedubbele bodem. Alles loopt treiterig door elkaar, fictie en werkelijkheid, opzettelijke verdraaiing en geniepige onthulling, verwijzingen naar eigen werk, elkaars werk en de andere helft van de dubbelroman – een kolkend Droste-effect. Ergens daarachter bevindt zich een moment in het echte leven, waarop broer en zus met hun uitgevers afspraken om samen (maar toch alleen) een boek te schrijven, over elkaar (maar toch weer niet). Doeschka Meijsing dateert haar deel met ‘Ortigia, 6 november 2003 – 6 maart 2004’. Zij was dus een halfjaar op Sicilïë en schreef daar dit boek. In Geerten Meijsings deel is de datering onduidelijk. Er is sprake van aankomst van zijn zus op 27- 2-2002 en een vertrek op 15-3-2002, niettemin heeft zij voor een halfjaar een appartement gehuurd – met een vriendin, die in Doeschka’s deel ontbreekt – en verblijft zij enkele weken in zijn appartement. Het lijkt alsof er twee bezoeken door elkaar lopen, maar ach, wat geeft het.Eén ding hebben broer en zus gemeen: moed. Zij stortten zich onverschrokken in de beproeving die zij het meest vrezen: zij nodigen de lezer uit tot een vergelijking van hun literaire prestaties. Gek genoeg is dat, een definitief Salomonsoordeel, nu juist niet waartoe deze dubbelroman uitdaagt. Je zou kunnen zeggen dat Doeschka Meijsing, een oudste zus waardig, de materie het best beheerst. Haar toon is kalm en ironisch; soepel springt ze naar van heden naar verleden, met de vertelling van Kaïn en Abel als bindmiddel. Bij Geerten Meijsing overheerst een soort narrigheid, alsof hij helemaal geen zin had om te schrijven over zijn zus. Hij was druk doende met een andere roman, over Annamaria Franzoni, de onschuldige Medea, en daar gaat hij stug mee door. Juist die stekelige onwil, en het totale gebrek aan schaamte daarover – gespeeld of niet – verleent charme aan zijn deel van de dubbelroman.Als je ze achter elkaar leest, gaan de twee romans een chemische verbinding aan. In beide vormen de passages in het heden een komische, ongewilde bewijsvoering bij beweringen over hun gedeelde jeugd, en hun beminde en gehate ouders. Broer en zus schreeuwen om het hardst hun gelijk uit, een gelijk dat nooit kan bestaan, en laten zich daarmee in de kinderziel kijken. Het effect daarvan is ontroerend.Deze twee grote, weerbarstige ego’s laten zich niet in één band proppen; de jongste doet in talent, eigenzinnigheid en betweterigheid niet onder voor de oudste. Hun samenwerking faalde, maar dat is nu juist wel weer aardig om te zien: het gevecht begon al in de box. Moord en Moord en doodslag vormen een meeslepende, hartveroverende mislukking. Doeschka Meijsing: Moord. Querido; 208 pagina's. & Geerten Meijsing: Moord en doodslag. De Arbeiderspers; 313 pagina's; dubbelroman; ¿ 22,95. ISBN 90 214 7486 7