*

 

Een glunderend gebouw met geheimen

Door: redactie − 29/11/99, 00:00

Een vuurtoren wordt verbouwd tot hotel, een spinnerij tot museum en een pakhuis tot Steunpunt Cultureel Erfgoed. Deel dertien van een serie over hergebruik in de architectuur....

WIE ooit betwijfelde of een gebouw kan glunderen, moet naar Wormerveer. Daar, bij de Zaanbrug, staat aan de overkant van de rivier het gebouw Mercurius. Stoer, ijdel en, jawel, glunderend. Ooit, rond 1920 werd het gebouwd als pakhuis en rijstpellerij. Onnoemlijk veel balen Lassie-rijst hebben dit gebouw verlaten, in latere jaren gevolgd door duizenden dozen Corn Flakes. Maar vanaf eind jaren tachtig was het gebeurd: het werd een leeg spookhuis dat langzaam verkruimelde, de instorting nabij.

Nu staat het er weer als nieuw. Als Steunpunt Cultureel Erfgoed van de provincie Noord-Holland en vooral als provinciaal depot voor bodemvondsten. In duizenden kartonnen dozen liggen er scherven, botten, voorwerpen en bodemrestanten die ooit in de provincie zijn opgegraven. Nauwkeurig geadministreerd, in afwachting van latere technieken die nog meer geheimen kunnen blootleggen.

Het gebouw zelf kan ook in zo'n doos worden opgeslagen. Bij wijze van spreken dan. Want Mercurius heeft nog vele geheimen die latere generaties kunnen blootleggen.

Neem het uiterlijk. Een stevig betonnen pand, vier bouwlagen hoog, met aan de Zaanzijde een bijna symmetrische gevel, waarin het midden, als een fronton op de daklijst, trots de letters Mercurius. Tussen het beton bevinden zich bakstenen bekledingen, ramen gevat in zwart ijzer, afgewisseld met houten stolpdeuren met een Amsterdamse-Schoolachtige versiering van witte, gepotdekselde - vanonder naar boven over elkaar geplaatste - houten ornamenten.

De meeste van die deuren hebben een transportbalkonnetje. Die Amsterdamse School, met zijn voluptueuze vormen, vind je terug in de twee priemende vlaggenmasten aan de daklijst.

Maar het wonderlijke zit in de hoeken. Die zijn van getrapte, verticale betonnen stroken die even onder de daklijst rond van vorm worden en nog een toefje baksteen krijgen. Daarnaast zitten gevelhoge verticale stroken van haaks staande baksteen. Ze eindigen in driehoekige, kubistische vormen van beton. En neem de hoogste ramen: die lopen naar boven taps toe, en eindigen in een driehoekje. Kunsthistorici noemen dat Art Deco. Best, alleen de datering klopt niet: het pand is van 1920 toen de Art Deco nog moest worden uitgevonden.

Het geheim ligt wellicht in het interieur. Dat waren ooit ruime zalen vol regelmatige geplaatste betonnen kolommen die boven uitwaaieren in achtkantige, schuin oplopende dragers: de paddestoelkolom, in Nederland beroemd geworden door de Van Nelle-fabrieken (1929) in Rotterdam en het warenhuis Schunck (1936) in Heerlen.

Maar dit is 1920. Mercurius werd ontworpen door ingenieur Mart. J. Stam (1886-1957), geen familie van de Mart Stam die sommigen vereren als held van de Moderne Architectuur.

Deze Mart. J. Stam studeerde architectuur in Stuttgart en werkte bij een belangrijke Duitse betonfabriek. En hij moet goed hebben begrepen waar het in de architectuur om ging: hoogstaande, efficiƫnte constructies met een vervoerende aanvulling. Dat die constructies in beton moesten, dat stond voor hem vast, daar wist hij alles van.

Die betoverende aankleding deed hij intuïtief, al probeerde hij wel de eigenschappen van het beton te volgen. Dat was eerder gebeurd. In Praag, rond 1913, toen daar verschillende architecten een ingetogen, kubistische benadering van gebouwen praktiseerden.

Maar Stam kan ook een Nederlands voorbeeld hebben gehad: het gebouw dat de textielbroers Gerzon in 1917 in Amsterdam lieten bouwen aan de Kalverstraat en de Sint Luciensteeg.

Architect A. Moen maakte ook daar een betonnen gebouw met strak expressionisme dat vele kunsthistorici nu nog slapeloze nachten bezorgt omdat het z'n tijd te ver vooruit is.

De provincie Noord-Holland heeft in de jaren tachtig Mercurius ontdekt, en op de provinciale monumentenlijst gezet. Dat gaf heisa en beroepen bij de Raad van State, maar het bleef monument, zij het zonder bestemming. Toen heeft de provincie haar verantwoordelijkheid genomen: ze heeft het pand aangekocht.

Architect Jan A.C. Boot restaureerde het vanaf 1995 zorgvuldig en zette er behoedzaam een nieuw interieur in met goed begrip van de bestaande maten en verhoudingen. Terecht.

Want architect Mart. J. Stam mag dan een raadselachtige constructeur zijn geweest, hij kon wel architectuur maken. Architectuur die zelfs kan glunderen.

Hilde de Haan

Ids Haagsma

mailIcon print |