*

 

Schokbestendig familiegevoel EVELIEN GANS OVER DE JOODSE VERBONDENHEID MET ISRAEL

Anet Bleich − 24/09/99, 00:00

'Geen zionisme zonder antisemitisme - maar net zomin zonder emancipatie, secularisatie, liberalisme en nationalisme.' In haar studie over joodse sociaal-democraten en socialistisch-zionisten in Nederland beschrijft Evelien Gans de ontwikkeling van het 'Israël-gevoel'....

BLADEREND in het lijvige proefschrift van Evelien Gans over socialistisch-zionisten en joodse sociaal-democraten in Nederland, dwaalde ik in gedachten af. Naar begin jaren tachtig, naar de veldtocht van Israël (onder leiding van premier Begin en minister Sharon) tegen Libanon.

Het dieptepunt in deze eerste (tot nu toe enige) onuitgelokte agressie-oorlog die Israël voerde, werd gevormd door een slachtpartij in de kampen Sabra en Chatila. Christelijke Falangistische milities joegen daar vol enthousiasme Palestijnse vluchtelingen over de kling, terwijl Israëlische militairen van een afstand toekeken, kennelijk met het consigne niet in te grijpen.

Ik ben een type dat niet onverschillig staat tegenover ellendige gebeurtenissen in de wereld. Maar het effect van die beelden uit Sabra en Chatila was anders, intenser. Een allesdoordringende misselijkheid overviel me; hoe kónden Israëli's zoiets aanzien, of misschien zelfs op touw zetten, en zodoende de menselijkheid verraden, van het belang waarvan zij bij uitstek op de hoogte konden zijn?

Kort daarop werd ik door enkelen - het waren uitzonderingen, gelukkig - uit mijn meest links georiënteerde kennissenkring op hoge toon aangesproken over wat daar in Libanon gebeurd was. 'Hoe kónden jullie. . .?', slingerden ze me in het gezicht. Alweer reageerde ik verbijsterd; blijkbaar was ik in de ogen van deze critici als jodin persoonlijk verantwoordelijk voor wat het Israëlische leger (mis)deed.

Die dubbele schok kreeg een onverwacht effect. Terwijl ik tot dan toe afwijzing van Israël of principieel anti-zionisme had ervaren als politieke opvattingen (waarmee ik 't oneens was), die me niet als persoon raakten, voelde ik me nu onverbrekelijk verbonden met de joodse staat - al zou dat nooit uitmonden in een simpel 'right or wrong - my country'.

Kennelijk bestond - en bestaat - ten aanzien van Israël een verschil in perceptie tussen joden en niet-joden. Voor de laatstgenoemden is Israël een land als alle andere, dat zonodig aan scherpe kritiek wordt onderworpen. De kritiek van joodse zijde - voorzover die er is en wordt geuit - is bijna altijd gemengd met warme sympathie en komt daar zelfs uit voort.

Wat is de oorsprong van die joodse betrokkenheid bij Israël, dat 'familiegevoel' of 'Israël-gevoel', zoals Evelien Gans het in haar proefschrift De kleine verschillen die het leven uitmaken noemt? Wanneer en waardoor is het ontstaan en hoe heeft het zich ontwikkeld? Voorzover in Gans' veelomvattende studie een kernthema is aan te wijzen, is dit het.

Haar grootste verdienste is dat ze er schijnbaar moeiteloos in slaagt haar persoonlijke band met het onderwerp te combineren met een objectieve, historisch-wetenschappelijke onderzoeksmethode. Het resultaat is een even boeiend als verhelderend geschiedenisverhaal, gebaseerd op degelijke literatuurstudie, bronnen- en archiefonderzoek, en interviews. Jammer dat het boek met ruim duizend bladzijden waarschijnlijk te veel van de gemiddelde lezer vraagt om een bestseller te worden. Maar wie De kleine verschillen die het leven uitmaken ter hand neemt, zal het niet gauw verveeld terzijde leggen.

Alvorens Gans toekomt aan haar hoofdonderwerp, socialistisch-zionisten en joodse sociaal-democraten in Nederland in de twintigste eeuw, schetst ze de kaders waarin die twee elkaar soms, maar lang niet altijd, overlappende groepen hebben geopereerd. Allereerst het zionisme, dat als ideologie en beweging eind vorige eeuw tot stand kwam onder invloed van schrijvers als Theodor Herzl, Moses Hess, Ber Borochov en anderen. Zij bepleitten een terugkeer van de in Europa, in de diaspora, levende joden naar Palestina, het land van hun voorvaderen.

Gans schetst het zionisme als een nationale beweging, die zowel voortkwam uit de emancipatie van de joden, ingezet na de Franse Revolutie, als zich afzette tegen het idee dat joden in het christelijke Europa als gelijkwaardige burgers zouden kunnen leven. Teleurstelling en boosheid over de affaire-Dreyfus in Frankrijk en over het antisemitisme in Rusland, Oost-Europa en in mindere mate Oostenrijk en Duitsland, vormden voor het zionisme een belangrijke inspiratiebron. Maar Gans benadrukt dat het zionisme niet alleen moet worden opgevat als een reactie op antisemitisme. 'Geen zionisme zonder antisemitisme - maar net zomin zonder emancipatie, secularisatie, liberalisme en nationalisme.'

De zionisten waren verenigd in hun streven naar een Joods Nationaal Tehuis in Palestina, maar verder waren zij het over weinig dingen eens. Gans: 'Het zionisme ontvouwde zich als een nationale bevrijdingsbeweging waarin vele verschillende, ook elkaar vijandig gezinde politieke stromingen, van extreem-rechts tot extreem-links, tot leven kwamen en die bovendien van meet af aan werd verscheurd door de tegenstelling tussen 'seculier' en 'religieus'.' De socialistisch-zionisten beriepen zich met name op de Russisch-joodse marxist Borochov, die van mening was dat de Europese joden een te onduidelijke klassenpositie hadden om de strijd voor het socialisme te kunnen voeren. (Vooral in Oost-Europa waren veel joden destijds kleine handelslui of 'Luftmenschen', scharrelaars die zo'n beetje van de wind leefden.) Daarom moesten de joden volgens Borochovs ietwat curieuze redenering eerst een eigen land hebben; daar zouden dan proletariërs en bourgeois tegenover elkaar komen te staan en zo zou het socialisme zegevieren.

Onder de sociaal-democraten in Nederland, ook de joodse - en vooral in Amsterdam waren dat er heel wat -, vond aan het begin van deze eeuw het (socialistisch) zionisme maar weinig weerklank. Zij waren ervan overtuigd dat het socialisme de manier was om de gelijkheid van alle mensen, dus ook van de joden, te garanderen. Binnen de SDAP (voorloopster van de PvdA) en de 'moderne' vakbeweging werden de joodse leden volledig aanvaard - een enkele antisemitische oprisping daargelaten. Met name de bond van diamantbewerkers, de ANDB, geleid door de legendarische Henri Polak, had zeer veel joodse leden.

Dat het zionisme binnen de socialistische arbeidersbeweging zo lang een academische kwestie bleef - 'een interessant idee, maar niet voor ons' -, was paradoxaal genoeg ook een gevolg van de open en ontspannen houding die sociaal-democratische kopstukken innamen tegenover dit joods-nationale streven. Zowel de Fries Troelstra als de jood Polak vond dat er wel iets in het zionisme zat, vooral voor joden uit landen die met pogroms en virulent antisemitisme te maken hadden.

Ook de in principe nagestreefde assimilatie, waarbij het jood-zijn werd gereduceerd tot religie (en daar deed je als socialist niet aan), werd onder Nederlandse socialisten - joden en niet-joden - niet als een dogma gehanteerd. In de oude Amsterdamse jodenbuurt en in andere wijken met een groot joods bevolkingsaandeel overleefden joodse gebruiken als het gezellig samenzijn op vrijdagavond, de kippensoep, het joodse huwelijk en de begrafenis moeiteloos. Men was socialist en jood en so what? Het leidde niet tot loyaliteitsconflicten of tot een worsteling over wat nu bepalend was voor de eigen identiteit.

Om het met Henri Polak te zeggen: je voelde je 'Hollander onder de Hollanders en jood onder de joden'. Het socialistische dagblad Het Volk schreef vol sympathie over het Joods Nationaal Tehuis, dat na de Balfour-declaratie van 1917 naderbij leek te komen. Henri Polak ging nog een stapje verder en waardeerde het zionisme omdat het bij de joden trots en zelfbewustzijn versterkte, ook in eigen land. 'Wij zijn niet meer de menschen, die gebogen langs de schaduw van de huizen sluipen!', aldus Polak in 1929. En dat was mede aan het zionisme te danken.

D IT rooskleurige beeld begon in de jaren dertig te veranderen. Evelien Gans noemt 1933, het jaar dat in Duitsland Hitler aan de macht kwam en de machtige Duitse zusterpartij van de SDAP roemloos ten onder ging, een eerste omslagpunt in de ontwikkeling van de identiteit van joodse socialisten in Nederland. In dat jaar werd in Amsterdam een afdeling van de socialistisch-zionistische vereniging Poale Zion opgericht. De toestroom was niet massaal, maar vooraanstaande intellectuelen als Sam de Wolff en de econoom Salomon Kleerekoper vervulden er een prominente rol.

Poale Zion verkeerde in een permanente haat-liefderelatie met de 'burgerlijke' hoofdstroom van het Nederlandse zionisme, verenigd in de Nederlandse Zionisten Bond (NZB), met zo'n vierduizend leden ook al geen massaorganisatie. De verhouding met de SDAP was redelijk tot goed. Vooral Sam de Wolff - over wie Evelien Gans tussen de bedrijven door een mini-biografie in haar boek heeft ingevlochten, net als over Kleerekoper, Henri Polak, de Amsterdamse wethouders Boekman en De Miranda, de antizionist Louis Fles en de in de jaren vijftig en zestig zeer bekende journalist Meyer Sluyser - gaf zich veel moeite om een synthese te formuleren tussen Nederlanderschap, jodendom, socialisme en zionisme. Hij voelde zich zowel behoren tot een Nederlandse als tot een joodse lotsgemeenschap en wilde zich in Amsterdam inzetten voor het socialisme én voor een zionistisch-socialisme in Palestina.

De idealist De Wolff (laat hij het maar niet horen, want als rechtgeaard marxist beschouwde hij zichzelf uiteraard als een historisch-materialist) hoopte in Palestina ook op samenwerking met de Arabisch-Palestijnse landarbeiders, die zich met joodse medewerking aan de invloed van hun reactionaire leiders zouden ontworstelen. Gans maakt hierbij de kanttekening dat De Wolff niet vermocht in te zien dat ook de Palestijnse Arabieren, net als de Palestijnse joden, ontvankelijk waren en zouden blijven voor het nationalisme. Ze noemt het een blinde vlek die onder socialistisch-zionisten gemeengoed was.

In de jaren dertig werd, onder invloed van het grimmige Duitse antisemitisme en de opkomst van de NSB, het zionisme voor het eerst een serieus punt van discussie in menig joods arbeidersgezin. Sommigen sloten zich aan bij Poale Zion of probeerden zelfs daadwerkelijk Palestina te bereiken; daarmee doorbraken ze de tot dan toe typisch Nederlandse variant van zionisme: een jood geeft geld aan een andere jood om een derde jood naar Palestina te laten emigreren. Toch bleef een ruime meerderheid van de joodse Amsterdammers al zijn kaarten zetten op de Rode Familie.

Daar ontstonden in die tijd de eerste echte wrijvingen tussen joden en niet-joden. Zo ergerden sommige partijgenoten, de christen-socialist Banning voorop, zich aan de felle bestrijding van het nazisme door Polak en Kleerekoper en aan hun 'overtrokken' waarschuwingen tegen antisemitisme.

Hoe misplaatst deze ergernis was, zou in de oorlogsjaren blijken. In het indrukwekkende hoofdstuk dat Gans aan deze periode wijdt, schetst zij de jaren 1940-'45 als een tweede diep insnijdend breukpunt in de relatie tussen (socialistische) joden en niet-joden. In feite, betoogt zij overtuigend, is de scheiding die de nazi-bezetters toen ook in Nederland tussen joden en niet-joden aanbrachten, tot op de dag van vandaag niet overwonnen. Want hoewel individuele leden van de SDAP, de vakbonden en de jeugdbeweging AJC zich met gevaar voor eigen leven voor hun joodse kameraden hebben ingezet, waren er geen instructies van de partijleiding voor het redden van joden, en die zijn er ook nooit gekomen. In haar genuanceerde uiteenzetting vat Gans de essentie van het verschil tussen de joodse en de niet-joodse beleving kernachtig samen: voor de joden ging het (meestal zonder succes) om overleven, voor de anderen om dóórleven.

Na de bevrijding begon voor beide groepen een proces van zuivering (overal dramatisch mislukt), herstel en wederopbouw. De overlevende joden (ongeveer één op de vier) voelden zich ontworteld, onveilig en soms bitter teleurgesteld. En zelfs als die teleurstelling er niet was, zegt een van de geïnterviewden, Bea Polak (geen familie van Henri), was men zich er toch scherp van bewust voor het overleven afhankelijk te zijn geweest van de goodwill van anderen, en dat in principe nog steeds te zijn. Geen wonder dat het zionisme, dat uitzicht bood op een nieuw begin, een zelfstandig bestaan in een eigen land, onder de Nederlandse joden de dominante stroming werd.

Groot was bij velen de vreugde, toen in 1948 David Ben Goerion de staat Israël proclameerde. De top van de PvdA deelde niet in die blijdschap. Angst om de islamitische Indonesiërs (met wie Nederland in oorlog was) en de Britse Labourpartij voor het hoofd te stoten, leidde ertoe dat de PvdA-leiding aanvankelijk huiverig stond tegenover het experiment Israël. Nederland was een van de laatste landen die de nieuwe staat erkenden.

W AS IN 1948 het enthousiasme bij de meeste joden (en zeker bij de joodse socialisten die hun ideaal in de kibboets verwezenlijkt zagen) al groot, de overwinning in de Zesdaagse Oorlog in 1967 zou tot een ware euforie leiden. De Israëlische David had (ook in de ogen van de meeste niet-joodse Nederlanders) de Arabische Goliath verslagen, er was alle reden om opgelucht en trots te zijn. En terwijl het zionisme als emigratiebeweging aan impact verloor (de in Nederland gebleven joden hadden een nieuw bestaan opgebouwd), was de trotse verbondendheid met Israël sterker dan ooit.

De langdurige bezetting van Palestijns gebied die op de oorlog van 1967 volgde, en het uitblijven van vrede hebben bij vooruitstrevende joden aan die trots geknaagd. Maar de band met het land dat toevluchtsoord kon zijn voor vervolgde joden en waar menigeen bij aankomst zijn (vermoorde) oom Japie ineens, als in een droom, weer zag rondwandelen, bleef onverbrekelijk. Het familiegevoel voor Israël ('jiddisje mamme' voor Meyer Sluyser, een 'grote neef', beschermend, maar ook onderdrukkend, voor Evelien Gans zelf) is uiterst schokbestendig. Israël, als object van liefde en kritiek, maakt domweg deel uit van de moderne, naoorlogse joodse identiteit. Net als de herwaardering van oude joodse tradities (de kippensoep, kortom). Het gaat hier, in de woorden van Evelien Gans, om onuitroeibare 'geheime verlangens van het. hart'. En uitgeroeid is er deze eeuw tenslotte al genoeg.

mailIcon print |