0 EN SCHRIJVER van nog weinig boeken moet liever niet te veel van literatuur houden. Naarmate hij meer grote voorbeelden in zijn bagage meetorst, kan zijn zelfvertrouwen slinken....
Het is voorstelbaar dat dergelijke gedachten R.A. Basart (1946) parten hebben gespeeld, in zulke mate dat hij na de dichtbundels Oranjebal (1975) en De gezonde apotheek (1977) niet meer tot schrijven kwam. Het kan zijn dat zijn lier niet meer ruiste, omdat hij door zijn doortimmerde verzen, druipend van ironie en grimlachende romantiek, aldoor de pretkop van Piet Paaltjens zag schemeren. Misschien ook voelde hij zich de mindere van zijn collega-poëten Gerrit Komrij en Jean-Pierre Rawie. Basart zweeg vervolgens twintig jaar. Hij gaf les.
Ergens in die lange tijd moet het plan zijn gerijpt het bestaan van een leraar die aanbelandt op het middelpunt van zijn leven, in een verhaal te gieten. Een docent die als Bint zijn leerlingen voor tuig aanziet en ze ranselt met grote voorbeelden, maar wiens dandyeske uitmonstering teniet wordt gedaan door de psoriasis die zijn huid aantast. Een docent die aan een dwangneurotische ordeningszucht lijdt om te voorkomen dat hij uit elkaar valt, bijeengehouden als hij wordt door kennis uit andermans boeken.
Een man die loodrecht afstevent op een daverende identiteitscrisis - en ook die levensfase is weer een cliché van jewelste. Een man die niemand is, tenzij hij een list verzint, een eclips uit de literatureluur die hem een slag in de rondte doet dazen.
Basart legt alle kaarten op tafel. Zijn verhaal is een schaamteloze aaneenrijging van citaten uit en allusies naar het werk van Cervantes, Emants, Van Schendel, Kopland, Leopold, Achterberg, Bloem, Hermans, Multatuli, HaverSchmidt, Bredero, Pessoa, Lautréamont, Bordewijk, Dante en hoe al die andere verduiveld onvergetelijke schrijvers ook maar mogen heten. De pagina's staan stijf van de verwijzingen. Een student in de intertekstualiteit die nog op zoek is naar een afstudeerproject, kan verheugd aan het deconstrueren en turven slaan. De letterminnenden die hun conversaties plegen te doorspekken met geleende frasen en typeringen kunnen hun hart ophalen. Het lezen van De laatste lach is voor hen ongetwijfeld een feest van herkenning. Met elke begrepen toespeling - aha, dat regeltje is Nabokov, en die ademloze opsomming zal Joyce zijn, Homerus (Lijst der schepen) of Multatuli (Pak van Sjaalman) - slaan ze zichzelf op de schouder. Hun borst zwelt tot slagschiphoogte. Zij behoren tot de fijne luiden, de cercle der connaisseurs. Met welgevallen laten zij zich ondersproeien door een regenbui van felicitaties aan het eigen adres.
Toch zou het treurig zijn als de roman van Basart alleen dat effect sorteerde en De laatste lach het lot trof enkel voor insiders interessant te zijn, want de schrijver doet meer dan het legen van een citatentrommel. Hij heeft de identiteitscrisis van zijn hoofdpersoon Adam Beek (meneer A.B.), wonend te Schijndrecht (vatten we hem?), vruchtbaar gemaakt in een boek dat staat als een huis. De chaos van de tekst, vaak opzettelijk brokkelig genoteerd en gepresenteerd, is ontsproten aan een sluw componerend brein. Zoals de hoofdpersoon door de hel van zijn leven moet (hij wordt ontslagen, vervreemdt van zijn vrouw Elfje, wekt met zijn verkleedpartijen de verdenking op zich van een verknipte pedofiel, kampt met zijn vroeg overleden joodse vader), lijkt hij de zoveelste pelgrim op de weg die ooit voorgoed is uitgetekend door Dante.
De laatste lach zinspeelt niet voor niets regelrecht op De goddelijke komedie. Voeg daarbij Beeks tragiek, te leven in het postmoderne tijdperk van alles-is-al-gedaan en meer-dan-eerbiedig-achterwaarts-knipmessen-vermogen-we-niet. Tel daar dan nog weer bij op zijn liefde voor het werk van W.F. Hermans, die in zijn gebeitelde oeuvre de uitweg naar het paradijselijke licht van Dante dichtmetselde, en we gaan het ergste vrezen voor Adam Beek en
R.A. Basart.
Maar er blijft die laatste lach uit de titel. En ook is er voortdurend de bevrijdende humor van de tekst. Zodat de onontkoombare ondergang van Beek aldoor overtuigender zicht biedt op de ontworsteling aan van alles en nog wat, die het schrijven van deze roman voor Basart moet hebben betekend.
Na zijn ontslag is Adam Beek literaire manuscripten gaan beoordelen voor de firma Tekst-plus. Kan hij daar zijn stokpaardjes weer berijden: oprechtheid is een stijl, de intentie is geen maatstaf (bravo), in de literatuur zingt niemand zijn eigen lied. Dante was ook nergens geweest zonder Vergilius, waar of niet?
Deze serieuze vermaningen aan anderen laten onverlet dat Basart, zogenaamd tussen de bedrijven door en wetend dat hij verre van oorspronkelijk is, enkele humoristische en ontroerende momenten uit het leven van Adam Beek oproept. De familiereünie met de manisch-depressieve tante Leen en haar speechlustige echtgenoot Jo Morre is hilarisch. Groot vakmanschap uit zich als die herinnering overloopt in de dood van Beeks vader, een schok die de brullach van de lezer abrupt doet verstommen.
Op de koele vermelding dat hij zijn eerste vrouw en kind heeft verloren ('tragisch ongeval, ik laat dit nu rusten') volgt een hooggestemd verslag van Beeks ontmoeting met Elfje, koosnaam van de Italiaanse Elvira, met wie hij in de Dolomieten de gelukzaligheid van de liefde beleeft. Dante zou hier goedkeurend bij knikken, doordat ook bij Basart de nederige taal die de Komedie voorschrijft (in contrast met het Latijn van Vergilius; de weg naar het licht mocht niet te keurig geplaveid zijn), nergens onder de poëzie wordt bedolven. Het lastig bereikbare midden tussen boert en hemelse sferen is in de roos getroffen. Beek wil zijn juichende liefde bewaren door zijn tweede vrouw om te brengen. Each man kills the thing he loves, dat weet elke lezer sinds Oscar Wilde.
Beek benevelt Elfje door pillen in de wijn te doen. Terwijl zij voor lijk ligt, steekt hij het huis in de hens. De carabinieri sporen hem op en werpen hem in het cachot, tussen ander uitschot.
Was dat maar waar, zo romantisch als het is. Even later blijkt Elfje gewoon nog in leven, en is Beek weer de Hollander wiens leven op alle fronten is mislukt. Alleen in de roes van de taal, alleen in dit boek is hij een moment ontkomen aan de hellegang die hij moet volbrengen.
Daarin zit de onheilspellende spankracht van deze roman: de strijd tussen de balansen van enerzijds de kramp van een verboekt en stilgevallen leven, en anderzijds de ontsnappingsclausules in de vorm van eigen literaire hoogstandjes en juist motiverende aforistische wijsheden uit de literairhistorische eredivisie.
Op een moment dat hij de moeheid geen weerstand kan bieden, komt Beek zomaar zijn vader tegen. Die probeert hem op te beuren: 'Nu is 't nacht nog, maar aanstonds komt de dag. Kijk maar, naar het ijle, aarzelende blauw daarginds. Het is 't vuur, de warmte, 't is de zon.' Meteen daarop monteert Basart een scène waarin Beek zich bezat in een kroeg en verstrikt raakt in een rondedans van dooddoeners waarin hijzelf, de kroegbaas en een verstokte caféganger gloriëren. Adam gaat hierna mee naar huis met een moeder en dochter die hem willen gerieven, zij het tegen een schappelijke vergoeding.
En het wordt nog erger. De mensen die Beek ontmoet, doen steeds gekker. De misère die hem treft, zwelt aan en zet uit. Elke dag tekent hij veelbetekenend aan welke beroemde schrijver op die datum is bezweken. Het dieptepunt zuigt hem aan als een maalstroom.
Voor Adam Beek is er geen wederkeer, terwijl Basart zijn constructie rond krijgt: de chaos is opgenomen, en daardoor kaltgestellt, in de orde van zijn boek. Met andere woorden: ook Willem Frederik Hermans kan tevreden grommen vanaf zijn wolk. Daarnaast komt Basart de schouderklop van naamloze leesgrage stervelingen toe.
Arjan Peters
R.A. Basart: De laatste lach.
Querido; 339 pagina's; ¿ 39,90.
ISBN 90 214 5155 7.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Cultuur & Media:
kunst & literatuur,
showbizz,
film,
tv.