*

 

De invloed van het christendom VERRASSENDE BIJDRAGE VAN ITALIAANSE FILOSOOF AAN NIEUWE ESSAY-REEKS

HANS ACHTERHUIS − 14/08/98, 00:00

IN 1993 VERSCHEEN bij Boom een integrale editie van de Essais van de Franse filosoof Montaigne (1533-1592). Met deze beroemde teksten werd vier eeuwen geleden een nieuw genre geïntroduceerd dat furore zou maken....

Tegelijkertijd is het essay meer dan een autobiografische exercitie, omdat steeds uitdrukkelijk bredere, meer algemene vragen en probleemstellingen worden behandeld. Deze worden echter niet - dat zien we bij Montaigne al duidelijk - zo goed mogelijk met argumenten dichtgetimmerd, zoals in een filosofisch vertoog vaak gebeurt. De lezer wordt uitgedaagd mee te denken en zelf een standpunt te bepalen.

Met de introductie van een nieuwe filosofische reeks neemt Boom de draad weer op. In 'Boom Essay' zullen elk jaar vijf delen verschijnen. Vier hiervan zijn voorlopig gereserveerd voor vertaalde teksten van buitenlandse auteurs, één zal door een Nederlandstalige filosoof worden geschreven. Onlangs zijn de eerste vijf delen tegelijkertijd verschenen. Ze zijn geschreven door twee gerenommeerde Franse denkers (Pierre Bourdieu en Jacques Derrida), twee relatief onbekende buitenlanders (de Amerikaan William Desmond en de Italiaan Gianni Vattimo) en een spraakmakende Nederlandse filosoof (Harry Kunneman).

De grootste verrassing vormen de minder bekende buitenlandse denkers die geïntroduceerd worden. Gianni Vattimo, hoogleraar aan de universiteit van Turijn, geeft zich in Ik geloof dat ik geloof rekenschap van de betekenis van het christelijk erfgoed voor de westerse mens. Centraal in zijn beschouwingen staat het begrip secularisatie.

In de jaren zestig en zeventig vormde dit begrip het uithangbord van een belangrijke theologische stroming, waarin onder andere werd voortgeborduurd op het vroegere werk van theologen als Barth, Bultmann en Bonhoeffer. In de secularisatietheologie werd gepoogd de moderne areligieuze wereld positief als een vrucht van negentien eeuwen christendom te duiden.

Vattimo herneemt deze problematiek in een filosofisch perspectief. Ook hij kijkt vanuit een positieve betrokkenheid naar de manier waarop de moderne seculiere beschaving zich losmaakt van haar in de natuurgodsdiensten wortelende sacrale oorsprong. Willen wij de hieruit voortvloeiende geschiedenis van het (post)moderne Westen begrijpen, dan kunnen wij niet om de beslissende invloed heen die het christendom in dit proces heeft uitgeoefend.

Als Italiaan moet Vattimo hierbij vooral zijn verhouding tot het pausdom en de rooms-katholieke kerk nader bepalen. Ook dat gebeurt vanuit een redelijk positieve grondhouding, ondanks de felle afwijzing van toevallige, voor hem verwerpelijke verschijningsvormen van beide instituties zoals de opvattingen over (homo)seksualiteit en het antifeminisme.

Kern van de evangelische en dus ook de kerkelijke boodschap is voor Vattimo de kenosis, de 'ontlediging' van God in de menswording van Christus, die hij als de vriendschappelijkheid van God tegenover de mensheid weergeeft. Daarnaast benadrukt hij het belang van een geseculariseerde versie van wat traditioneel 'genade' heet. Het idee van genade laat zien dat het leven niet alleen van jezelf afhangt, maar dat het ook altijd een geschenk is dat van een ander komt.

Ik geloof dat ik geloof is een geslaagd essay. Vattimo is er met zijn katholieke achtergrond en zijn filosofische voorkeuren uitdrukkelijk zelf in aanwezig. Juist daarom slaagt hij erin, waarschijnlijk beter dan de vroegere, wat prekerige secularisatietheologen, een aantal voor iedereen relevante vragen over religie en christendom op een heldere en overtuigende wijze te presenteren.

In Het tragische en het komische zijn twee teksten van de in Leuven docerende Amerikaanse filosoof William Desmond gebundeld. De eerste, 'Verloren zijn', gaat over de relatie van de filosofie tot het tragische; de tweede, met de uitdagende titel 'Kan de filosofie om zichzelf lachen?', onderzoekt deze vraag via een rondgang door het werk van de wijsgeren Plato en Hegel en de klassieke Griekse komediedichter Aristophanes.

De woorden van de wanhopige King Lear, 'Huil, huil, huil' , doortrekken het eerste essay. Heeft de filosofie een antwoord op deze jammerklachten, zoals die onder meer uit de literatuur (Desmond verwijst ook naar het huilen van Ivan Karamazov om het lijden van onschuldige kinderen) opstijgen? De filosofie als zuiver rationeel denken zeker niet, stelt Desmond.

Hij onderstreept dat, wanneer het zijn wordt beleefd als 'verloren zijn', de wijsbegeerte deze ervaring niet kan overstijgen. Zij kan haar echter wel, deels overigens ook weer aan de hand van literatuur, verwoorden en opnemen in wat Desmond 'de postume geest' noemt. Vanuit de ervaring van lijden en dood is het soms mogelijk met nieuwe ogen de oorspronkelijke filosofische verwondering te ondergaan. 'Het lijkt alsof je alles moet verliezen om iets op de juiste manier te zien.' Dostojevski schreef zijn meesterwerken, nadat hem voor het vuurpeloton onverwacht gratie was verleend.

In het tweede essay wordt een op het eerste gezicht totaal ander register aangeslagen. Toch is dit grotendeels schijn. In een interessante beschouwing over Plato, Hegel en Aristophanes voert Desmond ons ten slotte naar het beeld van de dode Plato, onder wiens kussen het werk van Aristophanes werd gevonden. Deze had Plato's leermeester Sokrates belachelijk gemaakt en de geboorte van de filosofie wordt vaak verbonden met Plato's verzet tegen deze bespotting. De serieuze filosoof, die meende alle negatieve ervaringen denkend te kunnen overwinnen, wordt hier echter geschetst als iemand die lachend sterft omdat ook hierin een antwoord ligt op de hoogten en diepten van het leven tot en met de dood.

Desmonds teksten verdienen met hun zelfs in de vertaling perfect doorklinkende persoonlijke stijl de eretitel 'essay'. Maar in tegenstelling tot Vattimo gaat het hier wel om essays - en dat geldt dan met name voor het tweede - die vooral filosofen zullen aanspreken. Echt genieten ervan lijkt pas goed mogelijk als je de teksten waarnaar Desmond verwijst, redelijk goed kent.

Mag Postmoderne moraliteit van Harry Kunneman een essay heten? Dat is zeer de vraag. Zeker, Kunneman verwerkt op integere en aansprekende wijze een aantal persoonlijke ervaringen in zijn betoog. Dat blijft echter vooral een filosofische verhandeling waarin geprobeerd wordt alle losse eindjes zorgvuldig aan elkaar te knopen.

Als voor Kunneman dierbare filosofen als Habermas en Lyotard niet alle antwoorden weten te geven, worden ze op hun zwakke punten netjes door anderen aangevuld, zodat het betoog sluitend wordt. Daardoor blijft het helaas ook voor niet wijsgerig onderlegde lezers gesloten. Zij krijgen althans weinig mogelijkheden er, al dan niet tegenstribbelend, in door te dringen.

Dat wil overigens allerminst zeggen dat Kunneman geen behartenswaardige filosofische verhandeling heeft geschreven. Zijn pleidooi voor postmoderne moraliteit laat overtuigend zien dat er in onze tijd niet zozeer sprake is van normverval als wel van verandering van normen.

Over televisie van Bourdieu is ongetwijfeld een essay in de ware zin van het woord. De Franse socioloog poogt hierin de oude en grotendeels versleten cultuurkritiek op de televisie nieuw leven in te blazen. Dat lukt maar matig. In soms onverteerbare stijl worden persoonlijke frustraties tot algemene negatieve oordelen over het medium uitvergroot.

Over gastvrijheid van Derrida bevat een drietal teksten die als achtergrond kunnen dienen voor het nadenken over de vraagstukken van allochtonen en asielzoekers. Twee ervan zijn collegeteksten met alle charmes (je hoort af en toe de meester hardop denken) en tekortkomingen (het had vaak wat preciezer en puntiger geformuleerd mogen zijn) van dien. In elk geval blijven het vrij abstracte colleges wijsbegeerte, die te weinig de trekken van een essay krijgen.

Hans Achterhuis

Gianni Vattimo: Ik geloof dat ik geloof. Boom; 101 pagina's; 31,-. ISBN 90 5352 352 9.

William Desmond: Het tragische en het komische. Boom; 123 pagina's; * 32,50. ISBN 90 5352 398 7.

Harry Kunneman: Postmoderne moraliteit. Boom; 140 pagina's; 32,50. ISBN 90 5352 400 2.

Pierre Bourdieu: Over televisie. Boom; 100 pagina's; 29,50. ISBN 90 5352 401 0.

Jacques Derrida: Over gastvrijheid. Boom; 134 pagina's; 32,50. ISBN 90 5352 399 5.

mailIcon print |