WELKE KANT je ook uitkijkt, als je op het eiland bent, overal is de zee. Die zee is nu weliswaar aan alle kanten begrensd - door 'de dijk van Lelystad', zeiden ze, toen ik klein was, met een kwaaie mengeling van ontzag en misprijzen, van opluchting en heimwee -, maar...
De zee is een zee van verhalen.
Het 'hoogwater', dat steevast kwam, soms wel twee keer per jaar, en het hele eiland blank zette. Het water dat de terpjes, die er 'werven' heten - Witte Werf, Grote Werf, Rozenwerf, Moeniswerf - tot piepkleine eilandjes op het eiland maakte. Het water dat soms maanden hoog bleef, zodat je al die tijd louter op elkaars gezelschap was aangewezen. Het hoogwater dat maakte dat de kinderen per werf in een roeiboot werden verzameld om naar school geroeid te worden. Het hoogwater dat, bij de ramp van 1916, zo'n ravage had aangericht op de Moeniswerf dat de vorstin, Wilhelmina, er in eigen persoon poolshoogte was komen nemen en spontaan toezeggingen voor herstelbetalingen had gedaan. Het hoogwater dat een huis van zijn palen had geslagen en het als een grote doos had meegevoerd, de zee op, de mensen er nog in, kermend van angst. De plaats waar het huis had gestaan, kon tot voor kort iedereen je aanwijzen, en ook de kant die het was uitgedreven.
Bij laagwater - net als het hoogwater niet veroorzaakt door de werking van de getijden, ook niet toen het IJsselmeer nog een open Zuiderzee was, maar door bepaalde windrichtingen - kon je voorbij de Rozenwerf in zee de ondiepe plaatsen zien waar ooit werven gelegen hadden. De Tamiswerf, de Noorderwerf, de Kraaienwerf: waar nu de zee was, zeiden ze, hadden ooit ook mensen gewoond. Toen ik als kind ging zwemmen aan de noordkant van het eiland, trapte je er op grote stenen die, naar verluidde, van het klooster geweest waren dat het eiland voorheen een zekere faam had verschaft. 'Wanneer men uit den stroom en Pampus raeckt voorby', schreef Vondel immers in zijn Gysbreght, 'zoo doet ter slincke hand in zee zich op wat weiland, Dat Marcken heet van ouds, een laegh en visschers eiland, Het welck een klooster draeght genoemt Mariengaerd, Een rijcke en oude abdy.'
Allemaal verdwenen - en niet. Verdwenen van de kaart, gebleven in de verhalen. De zee is een bron van verhalen, zeker voor oude mannen.
Het eiland was mettertijd kleiner geworden, nog kleiner - eerst door de zee en de landafslag, later door de dijk die 'de vaste wal' zoveel dichterbij had gebracht. En het was al zo'n klein eiland: binnen twee uur kun je er helemaal omheen lopen en op mooie zomerse zondagen doen de mensen dat ook. Dan kom je iedereen tegen, op het Kruis, het Noordwest, of het Oost om, de langste wandeling, langs de befaamde vuurtoren. De mensen die er geboren werden en er opgroeiden, kennen elkaar door en door en, wat meer is, ze kennen elkaars geschiedenis ook, met gemak tot drie, vier geslachten terug. Vaak werden de mensen er, in elk geval tot voor zeer kort, niet bij hun achternaam genoemd, maar bij de namen van hun vaders, hun grootvaders, hun overgrootvaders - of met hun bijnaam. Op een eiland waar vrijwel iedereen Schipper, Visser of Zeeman heet, of van die typische Marker namen draagt als Kes, Moenis, Taanman of Teerhuis, is dat wel zo praktisch.
Als ze elkaar aanspreken, rakelen ze in een moeite door hun hele geschiedenis op. Dat is de geschiedenis van mensen, maar vooral ook die van hun eiland, van hun zee er omheen, en van hun kerk in het centrum. Zoals je de zee kunt zien vanaf elk punt van het eiland, kun je de torenklok overal horen - vooral bij begrafenissen: dan luidt de klok gedurende de hele tocht die de dode van zijn huis tot zijn graf moet afleggen. Dat luiden is een verhaal op zichzelf, een levensverhaal. En iedereen hoort het.
Zo onderhouden ze er hun geschiedenis.
'HET EILAND Marken ligt op twee mijl in de zee, maar in het halfuur gaans hebben we een oceaan overgestoken', schrijft eind jaren twintig Sacheverell Sitwell - de minst gestoorde en de best gedocumenteerde uit die familie van excentrieke veelschrijvers - in zijn reisverslag The Netherlands. 'Het ligt net zo ver van Volendam als Noorwegen van Newfoundland.' Volgen nauwkeurige beschrijvingen van de typische Marker huizenbouw, het kleurrijke straatbeeld, de ingewikkelde klederdracht en de eigenaardige gewoonten van de plaatselijke bevolking, beschrijvingen die hooguit door hun precisie afwijken van wat een groot aantal reizigers, uit binnen- en buitenland, sedert het midden van de vorige eeuw over Marken geschreven heeft.
Als het aan G.J. Schutte en J.B. Weitkamp ligt, twee historici van wie de eerste, verbonden aan de Vrije Universiteit, een erkend autoriteit is op het gebied van de geschiedenis van het vaderlandse gereformeerdendom, dan is Sitwell, blijkens dit soort beschrijvingen die van Marken een exotisch oord maken, het slachtoffer geworden van een collectieve mythe - een mythe die in de negentiende eeuw is ontstaan, en die deel uitmaakt van de uitvinding of de heruitvinding van een nationaal bewustzijn. Voor dat bewustzijn speelden folklore, oude, dat wil zeggen: nog niet door de revolutionaire vernieuwingen van de negentiende eeuw aangetaste, zeden en gewoonten, een belangrijke rol.
In geïsoleerde gemeenschappen, zoals Marken, kon nog iets worden aangetroffen van de oorspronkelijke reinheid van ons volk. Daar waren de mensen nog onbedorven, en met hen de gemeenschapszin, de idealen, en misschien zelfs wel de taal en het ras. Daar werd nog dicht bij God en de natuur geleefd, daar woonden de mensen in huizen die sinds onheugelijke tijden onveranderd waren, droegen er hun eeuwenoude baadjes en rokken.
Marken was, in die voorstelling van zaken, misschien wel het mooiste voorbeeld van zo'n authentieke, zuivere cultuurgemeenschap - en het was haast onvoorstelbaar dat het zo dicht bij het goddeloze en wereldse Amsterdam lag.
In hun boek Marken - De geschiedenis van een eiland, dat een veel eerlijker titel had gehad wanneer het De geschiedenis van de negentiende-eeuwse kerkscheuring op het eiland Marken, met een voorwoord over de algemene geschiedenis van het eiland en een nawoord over de beeldvorming geheten had, maken Schutte en Weitkamp een gewichtig punt van de beeldvorming rond Marken en de collectieve psychologische aandrift die eraan ten grondslag gelegen zou hebben. Marken is, in hun visie, het object geworden van die behoefte aan het romantiseren van het eigen verleden, die zo typische negentiende-eeuws is en die door de twintigste eeuw, in ieder geval waar het Marken betreft, klakkeloos is overgenomen.
Zij zijn erop uit die mythe te ontzenuwen. Van Ten Kate, J.J.L. - ooit, in de jaren veertig van de vorige eeuw, dominee op het eiland en een van de eersten die het in de kenmerkende lyrische bewoordingen ging bezingen - tot Sitwell, van Edmondo de Amicis tot M.J. Brusse, van het openingsartikel in de jaargang 1884 van het etnografische periodiek De aarde en haar volken tot het stuk dat Alie van Wijhe-Smeding onder verantwoordelijkheid van P.J. - 'mijnheer Beerta' - Meertens eind jaren dertig in De Nederlandse volkskarakters over Marken en de Markers schreef, stuk voor stuk hebben die auteurs de plank mis geslagen.
Althans: dat vinden Schutte en Weitkamp.
Het is ook niet misselijk wat ze schrijven, die reizigers en geleerden. Nog een keer Sitwell, over de Markers. 'Het is tijd om op te biechten', schrijft hij ergens halverwege zijn rapport over het eiland, 'dat de bevolking van Marken het product van inteelt is en dat meer dan de helft van zijn inwoners, de dames in het bijzonder, half-idioot zijn. Omdat ze Calvinisten zijn van een strenge soort kunnen ze niet trouwen met de nabije Volendammers en daarom zijn ze zo vaak onderling huwelijken aangegaan dat ze de mentale en fysieke effecten van inteelt vertonen.'
Wie de reis- en secundaire literatuur overziet, stelt vast dat Sitwells observaties de bekroning zijn van een traditie die begonnen is met in Marken de ideale geïsoleerde gemeenschap te zien - de gemeenschap van goede wilden. Reizigers die het eiland aandoen, slaan algauw de toon aan van etnografen, van ontdekkinsgreizigers die een nieuwe stam gaan ontdekken, en dat geldt stellig niet alleen voor Britten als Sitwell, die dat van nature doen - die ervan overtuigd zijn dat bij Calais de tropen beginnen.
Van begin af aan heeft daar een zekere fascinatie voor de lichamelijke verschijningsvorm van de Markers deel van uitgemaakt: de negentiende-eeuwse chroniqueurs melden de uitzonderlijke lengte van de Marker geslachten, en naarmate de overtuiging terrein wint dat het hier om een restgroep van een oeroude Nederlandse stam gaat, worden de onderzoeken enthousiaster. Het is in dat verband jammer dat Schutte en Weitkamp mijn favoriete boek over dat aspect van Marken hebben gemist, het proefschrift dat Joannes Barge in 1912 in Amsterdam heeft verdedigd en dat een frenologisch onderzoek behelsde naar Friesche en Marker schedels om voor eens en voor al vast te stellen of de Markers een Friese stam waren. Dat boek is niet alleen voorzien van fantastische illustraties, maar ook van gewichtige tabellen waarin - ik noem maar wat - de 'liggingsindex van het Bregma', de 'lamdahoek' of de 'welvingsindex van het frontale' van Marker schedels worden vergeleken met, jawel, die uit het Neanderdal.
DE MYTHE is dan kennelijk tot zulke proporties uitgegroeid dat hij in al zijn eigenaardigheden onderwerp van onderzoek geworden is - van meetkundig onderzoek, wel te verstaan. De Markers zijn, in geschrifte en in de reeks pittoreske afbeeldingen van hun klederdracht en leefomstandigheden die zo'n beetje in het derde kwart van de vorige eeuw op gang begon te komen, tot een historisch exotisme geworden. En ze zijn er, zeggen de beeldenstormers Schutte en Weitkamp, ten slotte ook zelf in gaan geloven.
Die heren hebben daar tot op zekere hoogte natuurlijk gelijk in en doordat ze zich voor hun onderzoek geconcentreerd hebben op het kerkelijk archief van het eiland en het negentiende-eeuwse gemeentearchief, kunnen ze dat gelijk ook staven. Niks isolement: al vroeg wordt in de gemeenteraad gestemd over de aanleg van een telefoonkabel en al is een van mijn voorvaderen daar mordicus op tegen - ik herken zijn bezwaren -, die telefoon komt er, al ruimschoots voor de eeuwwisseling. De vissers die het eiland bevolken, betogen de historici, kwamen vanwege hun beroep zo vaak in andere havenplaatsen, dat van cultureel isolement nauwelijks sprake kon zijn en met de migratiestatistieken uit het bevolkingsregister in de hand bewijzen ze hun gelijk als het om de mobiliteit van de Markers gaat.
Het beeld is, kortom, ontstaan uit de behoefte van de bezoekers. Het is een indringend geval van projectie. Dat moet ik nog zien - wat een beleefde manier is om te zeggen dat ik er niets van geloof.
Hoe het ontstaan is, snap ik wel. Schutte en Weitkamp hebben geschiedenis zuiver geschreven vanuit het archief - ze schrijven vooral kerkgeschiedenis en een beetje receptiegeschiedenis. Voor dat laatste gebruiken ze enkele Nederlandse reisverslagen en rapporten - de illustraties, de tekeningen en prenten, die zo massaal voorhanden zijn, negeren ze. De literaire bronnen - de in het Marker dialect geschreven roman Tyne van Hilletje van diezelfde Alie Smeding, of Liefde op het eiland van G.J. Peelen - laten ze links liggen. Het verleden interesseert ze waar het is neergeslagen, het levende verleden laten ze links liggen. Soms vraag je je, tijdens de lectuur van hun boek, af of ze wel eens op dat eiland zijn geweest waarover ze schrijven. Het is in dat verband kenmerkend dat een adequate plattegrond ontbreekt.
Hun kerkgeschiedenis, zo belangrijk voor de Marker gemeenschap, is een institutionele geschiedenis - waar een geschiedenis van de religiositeit zoveel meer voor de hand zou hebben gelegen, want mensen die zo dicht bij de natuur leven als de Markers deden, geloven in zoveel meer dan de genotuleerde besluiten van de classis en de kerkeraad.
En ja, als je geschiedenis zo opvat, dan wordt een beeld algauw beeldvorming, vooropgezet en wel. Dan vergeet je dat de mensen die die geschiedenis uitmaakten, echt geleefd hebben - en in klederdracht liepen, waarom ze bewonderd en bespot werden, zich tegelijkertijd trots voelden en zich schaamden voor hun armoe, hun wonderlijke huisjes en hun eigen taal. Dan blijf je aan de buitenkant, aan de kant van cijfers en statistieken, die, hoe nuttig ook, met het specifieke van Marken niet zoveel van doen hebben.
Dan ga je na verloop van tijd misschien zelfs wel geloven dat het om projecties gaat, romantische constructies van bevlogen negentiende-eeuwse buitenstaanders. De specifieke en belangrijke vraag, namelijk waarom die Markers zelf, ondanks die horden toeristen die ze sedert het midden van de vorige eeuw zagen langstrekken, toch in die huizen zijn blijven wonen en tot voor zeer kort die oncomfortabele kleding zijn blijven dragen - ik weet, als ervaringsdeskundige, waarover ik het heb - en het verleden en hun geloof, misschien geromantiseerd maar stellig deels ook beleefd en in verhalen herbeleefd, als legitimatie zijn blijven gebruiken voor hun eigen identiteit, blijft dan buiten beschouwing.
Dat is doodzonde.
Michaël Zeeman
G.J. Schutte & J.B. Weitkamp: Marken - De geschiedenis van een eiland.
Bert Bakker; 360 pagina's; ¿ 49,90.
ISBN 90 351 1902 9.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Cultuur & Media:
kunst & literatuur,
showbizz,
film,
tv.