Twee invalshoeken, één en hetzelfde dorp: Le Roc aan de Dordogne. Het echtpaar Romijn Meijer/Mollison schreef er vol liefde over....
Hij was zo’n Nederlandse schrijver over wie je tientallen jaren lang hoorde dat hij schromelijk onderschat was, ‘miskend’ misschien zelfs en in elk geval te weinig gelezen. Intussen verzamelde hij een grote schare trouwe lezers en bewonderende critici om zich heen. Zij is een uit Australië afkomstige vertaalster en germaniste. Samen kochten ze in 1964 een vakantiehuisje in de Franse Quercy. Waar de ik-vertellers het in de verhalen van Henk Romijn Meijer hebben over ‘mijn vrouw’, bedoelen zij iemand die erg lijkt op Elizabeth Mollison, de vrouw met wie de schrijver in 1956, het jaar van zijn debuut, trouwde. Het fictieve hondje kwispelt als hun hondje. Meestal is het ‘we’, een naamloze, hechte twee-eenheid, die ’s zomers verblijft in een Frans dorp waar bijna niks gebeurt.
Sinds kort is die ‘wij’, Henk en Molly Meijer, weer een ik. Henk Romijn Meijer overleed in februari 2008, drie jaar nadat het echtpaar zich permanent in Frankrijk had gevestigd. De schrijver stierf in de omgeving waar een groot deel van zijn werk zich afspeelt, ook zijn bekendste roman, Mijn naam is Garrigue, uit 1983. Hét dorp in veel van Meijers korte verhalen is Le Roc, een boerengemeenschap aan de rivier de Dordogne, al noemt Romijn Meijer het dorp La Coutonnade. Ook Elizabeth Mollison schreef een boek over het leven in Le Roc: Le Roc: dorp aan de Dordogne (1978). Ze beschreef daarin de geschiedenis van het dorp, de generaties boeren die wijn maakten, walnootolie persten, ganzen vetmestten en tabak oogstten. Ze deed dat met zoveel kennis van zaken dat haar boek ook in het Frans werd vertaald. Nu brengt uitgeverij Augustus een herziene herdruk uit van Mollisons boek, Gisteren in Frankrijk – De verdwenen dorpscultuur geheten, tegelijk met een keuze uit de ‘Franse verhalen’ van haar man: Vanuit mijn raam gezien.
Twee invalshoeken, één dorp. Als je niet beter zou weten zou je niet snel op het idee komen dat Le Roc en La Coutonnade één en hetzelfde plaatsje is, met dezelfde inwoners. Het verschil zit ‘m in het oog van de kijkers. Is het bij Mollison een en al bedrijvigheid van oude ambachten, bij Romijn Meijer slepen de personages zich door hun werkzame dagen of hun eindeloze pensioen, slechts doorbroken door momenten waarop de fles kan worden ontkurkt. Alleen als er makkelijk geld kan worden verdiend, of als een oude vijand kan worden gewroken, veren de dorpelingen op.
Zie je bij Mollison een dorpscultuur die op haar laatste benen loopt door het genadeloos voortschrijden der tijd – industrie, automatisering, toerisme, trek naar de steden – in het werk van haar echtgenoot lijkt die tijd er weinig toe te doen. Bij hem is het eeuwige wederkeer van familieleed in de provincie: broedertwisten, overgeschoten dochters, verzuurde echtgenoten, alcoholische kroegbazen, berekenende ambachtslieden, blije rijke weduwes en de plaatselijke dorpsgek als kers op de taart. Geruzie binnen de veilige grenzen van een gesloten gemeenschap die drijft op gezond wantrouwen en lijdzaam gedogen. Men is tot elkaar veroordeeld, wat niet wil zeggen dat men aardig hoeft te zijn.
Bij Romijn Meijer doen de dialogen het werk. We wandelen steeds per ongeluk dit soort scènes binnen:
‘ ‘Ja, de druivenpluk!’, zegt monsieur Levet. ‘Als vroeger de druivenpluk was begonnen’
‘Ja!’, overstemt zijn schoonzuster hem. ‘Ik herinner me nog heel goed de tijd dat de vrouwen van hier met een mand op hun hoofd de heuvel opklommen! Ze werken niet graag meer tegenwoordig! Het gaat ze allemaal veel te goed en als je dan ziet’
‘Het gaat ze helemaal niet te goed’, snauwt monsieur Levet haar af. ‘Wou jij soms dat de mensen nu nog met zo’n grote mand op hun hoofd.’
‘Ja!’, zegt de schoonzuster. ‘Ze hebben nu allemaal een veel te zware tractor in plaats van een mand op hun hoofd, maar of de mensen daardoor gelukkiger zijn geworden?’
‘Ja, natuurlijk zijn ze gelukkiger!’ snauwt monsieur Levet en vertrekt zijn mond in afgrijzen. ‘Nou en of ze gelukkiger zijn!’ ’
Bij Elizabeth Mollison lezen we gedetailleerd over druivenoogst en wijnbouw, tot na de Tweede Wereldoorlog de voornaamste bron van inkomsten voor Le Roc. Maar sinds op grote schaal goedkope Algerijnse wijn werd ingevoerd, nam het aantal wijngaarden af en gingen boeren over op tabak en maïs. ‘Tegenwoordig zijn alle druiven in een paar dagen geoogst, maar de dorpelingen van veertig jaar en ouder, koesteren de herinneringen aan de tijd dat een oogst een van de grootste elementen van het jaar was’, schrijft Mollison. Onder weinig aan de verbeelding latende kopjes als ‘Walnoten’, ‘Eenden en ganzen’ en ‘Truffels en paddestoelen’, trekt een eindeloze stoet wetenswaardigheden langs over verfijnde Franse kunsten, ooit vanzelfsprekend beheerst, met geen ander doel dan tongen, overal ter wereld te strelen.
Hier en daar treden er ook mensen op in Mollisons boek. Vooral haar oude buurvrouw, madame Blanc met haar voortreffelijke geheugen, is een belangrijke bron van verhalen over ‘vroeger’, maar ook over de relaties en machinaties in het dorp. Zij komt ook voor in Meijers verhalen, een stuk levendiger maar ook incoherenter, als madame Testut. Zij weet precies wie er failliet is in het dorp, wie vreemdgaat, zijn vrouw slaat, aan de drank is of in een gekkenhuis zit.
Eén keer vertellen Mollison en Romijn Meijer hetzelfde verhaal, over hun hondje Knecht dat, tot hun grote verdriet, een paar dagen zoek is. Ten einde raad doen ze iets wat zeer tegen hun aard ingaat: ze consulteren een plaatselijke waarzegster. Deze krijgt ‘door’ waar het hondje zit en verzekert hun dat het beestje ongedeerd thuis zal komen.
Eigenlijk is het jammer dat ze beiden deze anekdote vertellen, want hier blijkt genadeloos het verschil in schrijfvermogen tussen beide auteurs, tussen vertellen en verbeelden, tussen eerlijkheid en zelfspot. Mollisons boek heeft iets ouderwets; het is degelijke, informatieve, rechttoe rechtaan geschreven non-fictie, zoals die nu eigenlijk nauwelijks meer wordt geschreven. Nu eisen we ook van schrijvers die over de werkelijkheid schrijven, dat zij het verhaal uit de feiten laten oplichten. Mollison geeft een ongelooflijke hoeveelheid informatie over de beste truffel, het maken van wijnvaten, over geneeskrachtige planten en de heerlijkste paddestoelen, maar meeslepend of geestig wordt het nergens.
Alleen al de titel van Meijers verhaal over het verdwenen hondje, ‘Een bijbelvertelling’, geeft blijk van een superieure ironie. De voorspelling van de waarzegster komt uit, natuurlijk: ‘De deur is niet open of hij marcheert strak naar binnen, regelrecht naar de plaats waar zijn etensbak zou moeten staan. Dan kwispelt hij stug naar wie hem dood hebben verklaard en laat stug het noodweer van liefkozingen over zich komen, tranen waarvan hij geen vreten lust. Waar kom je vandaan? () Naast hem geknield proberen we een bericht aan zijn vacht af te lezen, zodat hij dreigend een lip trekt.’
Romijn Meijer schrijft over onvolmaakte mensen die aandoenlijk hun best doen, al wordt ’t nooit wat. ‘Ik schrijf misschien vanwege een voortdurende verbazing, een voortdurend ongeloof dat de mensen zijn zoals ze zijn’, zei hij eens. Eigenlijk tart hij in zijn verhalen alle wetten van de goede short story. Er is meestal geen verhaal, geen noemenswaardige ‘plot’. Geen climax, geen pointe, geen ontlading. De verhalen beginnen op een willekeurig moment en na wat ordeloze dialogen, kleine gebeurtenissen en geestige sneren glijden we het schouwspel weer uit.
Een schrijver die het daarmee redt om indrukwekkende, soms zeer beklemmende verhalen te schrijven, moet een groot talent hebben: Romijn Meijer is een waarnemer met een scherp oog voor kleine gebreken en ijdelheden, ook die van hemzelf; iemand die precies de vinger legt op ongemakkelijke momenten, op schaamte en misplaatste trots. Een subliem stilist, die in de loop van ruim vijftig jaar een aangenaam achteloze manier van beschrijven ontwikkelde.
Vijf jaar geleden gaf Augustus al een bundel verzamelde verhalen uit van Romijn Meijer, Alle verhalen tot nu toe. Deze bundel Franse verhalen bevat slechts één verhaal dat niet in die bundel werd opgenomen, ‘Estrades avondmaal’ – wel een erg mooi verhaal trouwens.
Wie deze schrijver niet kent en álle verhalen ineens teveel vindt, heeft nu een kans om kennis met hem te maken. Aan de teloorgang van de dorpscultuur in hun dierbare Le Roc dragen Mollison en Romijn Meijer ironisch genoeg mede schuld, zij het niet persoonlijk. Want het zijn mensen als zij, intellectuelen uit Engeland en Nederland, en wat Fransen uit de grote steden, die de leegstaande huizen opkochten. Zij brachten er eerst alleen hun vakanties door en later hun oude dag; een bedrijvige, bloeiende gemeenschap transformeerde zo tot een slaperig lustoord. Maar het zijn juist deze buitenstaanders die schrijven over hun tweede vaderland met een liefde die een autochtoon zelden kan opbrengen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Cultuur & Media:
kunst & literatuur,
showbizz,
film,
tv.