Een leven zonder bindingen

We trekken van plaats naar plaats. Soms leggen we ergens aan, maar iedere binding is voorwaardelijk. Er is immers altijd de angst te worden achterhaald door de feiten....

Mijn vrijheid staat me in de weg, zei een vriend. Hij bedoelde daarmee: ik kan zoveel doen, en toch moet ik kiezen. Maar betekent niet iedere keuze een inperking van mijn vrijheid? Volgens de dominante opvatting betekent vrijheid ongebondenheid. Maar in dit geval is het een ongebondenheid tegen wil en dank. Hij zou zich ongetwijfeld ergens aan willen binden, maar vreest dat dit ten koste gaat van andere opties. Het is een bekende aarzeling. Moderne vrijheid lijkt daarom op een voortdurende vlucht. We trekken van plaats naar plaats. Soms leggen we ergens aan, maar iedere binding is voorwaardelijk. Er is immers altijd de angst te worden achterhaald door de feiten. Dat leidt tot een uitermate rusteloze samenleving; relaties, banen, maar ook politieke voorkeuren – zie het grillige electoraat – zijn nooit definitief. Zo ken ik meerdere stellen die allang samenwonen, maar waarvan beiden of één van beiden het eigen huis hadden aanhouden – voor het geval dat. Volgens sommigen is deze vrijheid een oorzaak van vele hedendaagse kwalen. De Amsterdamse filosoof Ad Verbrugge stelt bijvoorbeeld dat ongebondenheid verwoestend is voor sociale verhoudingen en vertrouwen in de samenleving, met als gevolg geweld, eenzaamheid, depressie of erger. Bovendien leidt ze tot een ongebreideld narcisme, een egocultus die waarden als publieke verantwoordelijkheid, medeleven of plicht jegens anderen doet verdampen, totdat er slechts één waarde overblijft: de eigenwaarde. Het meest prangende voorbeeld van deze ontsporing is de graaiende bankier – de kredietcrisis, kun je met Verbrugge zeggen, is niet zo zeer een economisch, maar een waardeprobleem. In het hart van het moderne vrijheidsideaal zou een nihilistische moraal huizen, die ‘goed’ definieert als ‘eigen voordeel’. Een krachtige metafoor om die ontspoorde vrijheid te omschrijven, is het ‘dikke-ik’ van de Utrechtse filosoof Harry Kunneman. Een grotesk en mateloos figuur, voor wie vrijheid voornamelijk inhoudt dat niemand hem tegenspreekt of anderszins een strobreed in de weg legt. We maken dit dikke-ik dagelijks mee in treinen, op straat, en op klaagsites op het internet – luidruchtig en licht ontvlambaar.Negatieve vrijheid
De vrijheid is ‘te ver gegaan’ luidt het dan, vaak aangevuld met een pleidooi voor ‘het stellen van grenzen’. Maar is dat wel zo? Zuchten we onder te veel vrijheid, en is een nieuwe autoriteit of dwang nodig om het doorgeschoten individu weer terug in zijn hok te leiden? Misschien. Toch is dat niet het gevoel dat ik krijg bij die vriend. Hij is het eerder zelf die zucht. Vrijheid is voor hem niet een totale ontketening, maar houdt hem geketend – juist omdat hij zich nergens toe kan vastleggen. Hij wil wel kiezen, maar is bang de verkeerde keuzes te maken. Hij is niet onverantwoordelijk, maar voelt zich juist uitermate verantwoordelijk. Ietwat grotesk gesteld, is dit een fundamenteel probleem van onze liberale, democratische cultuur: na een lange emancipatoire strijd zijn we min of meer bevrijd van een samenleving waarin afkomst of religie de invulling van het leven bepaalde. Dit is de belangrijke liberale verworvenheid die door de politieke denker Isaiah Berlin negatieve vrijheid is gedoopt: het recht gevrijwaard te zijn van bemoeienissen van anderen. Maar de keerzijde van deze winst is dat het nu dus ook aan onszelf ligt als we er niets van bakken. We hebben de strijd om vrijheid in het voordeel van het individu beslecht, en daartoe afgerekend met allerlei restricties: een traditie, een bevelende God, een ideologische zuil, de plicht te trouwen en kinderen te krijgen, et cetera. Maar wat we niet in de gaten hebben gehad, is dat met het afschaffen van restricties de dwang niet verdwijnt. Echter: die dwang is van een bijzonder soort. Ze zegt niet: doe dit of dat. Maar: het ligt aan jou, jij bent aan zet. Het kan tiranniek zijn, als iemand je dwingt tot het maken van een keuze. Jean-Paul Sartre schreef dat we ‘verdoemd zijn tot vrijheid’. Dat klinkt misschien wat pathetisch, maar we herkennen allemaal het onrustige knagen. Is dit het leven wat ik wil leiden? Is dit de baan die ik wil? De persoon die ik liefheb? Juist omdat je jezelf deze vragen kunt stellen, zijn de verwachtingen over het antwoord hooggespannen. Maar omdat er geen antwoord komt, blijf je maar vragen stellen. We moeten de dwang van deze ‘verdoemde’ vrijheid geenszins onderschatten. De 24-uurseconomie gebruikt ze bijvoorbeeld als een techniek om ons tot consumeren aan te zetten. Net als de psychoanalyticus schrijft deze economie ons niets voor. Neen, zeg zegt: ‘alles kan, op elk moment en overal’. Een goede reclame zegt nooit: koop dit product, want het is beter dan alle andere producten. Maar: wees vrij, wees jezelf ( à propos, koop dit product). Coca-Cola verkoopt in zijn commercials geen cola, maar een gevoel van vrijheid. De verkoop van cola volgt dan vanzelf. Uiteraard houdt de consumentenindustrie het verlangen om dichterbij je persoonlijke verlossing te komen in stand, door steeds weer nieuwe producten op de markt te zetten – met vooral een overtuigend verhaal waarom hun product ons meer onszelf zal laten zijn. Overigens gebruiken populistische partijen of ‘bewegingen’ dezelfde techniek. Ze creëren een mythe dat ‘wij’ of ‘het volk’ helemaal tot zichzelf kan komen, als een soort van auto-erotische zelfbevrediging. En de truc is eveneens om niets voor te schrijven. ‘Wij’ moeten niets. We hoeven niets te doen, noch te laten. Langer werken? Hoeft niet. Bezuinigen en daarom moeilijke afwegingen maken? Niet nodig. Het zijn namelijk anderen die onze vrijheid in de weg staan. Ambtenaren, de cultuursector, ontwikkelingssamenwerking, minderheden Natuurlijk moeten ook populistische partijen het antwoord schuldig blijven op wie we nu eigenlijk zijn, maar ze dekken dat toe door naar anderen te wijzen. Die moeten dan ook bloeden; de dwang is op deze manier ge-outsourced – maar wel degelijk aanwezig. Overigens kan de ontegenzeglijke aantrekkingskracht van dit concept weer snel verdampen. De grillige burger kan in zijn vlucht naar voren weer snel teleurgesteld zijn, en afhaken. Als we het serieus menen met onze vrijheid, dan moeten we afrekenen met deze geraffineerde dwang die een persoonlijke bevrijding belooft, juist door niets voor te schrijven. Dit is een soort dwang zonder concrete beperkingen, dwang zonder restricties. Maar terwijl we een zo lange emancipatoire strijd hebben gevoerd tegen restricties, zijn we vergeten dat bevrijding in de eerste plaats ging over het afschaffen van dwang. Beperkingen zijn vaak niet zo schadelijk, en kunnen ons zelfs vooruithelpen. Bovendien, zoals die vriend van mij maar al te goed beseft, zijn beperkingen zelfs noodzakelijk om onze vrijheid te realiseren. Maar de opgave is om onszelf in die restricties te herkennen. In feite is dit ook het belangrijkste punt van het zogeheten ‘categorisch imperatief’ van Immanuel Kant. Dit is een restrictie: volgens Kant moeten we zo handelen ‘dat een ander nooit slechts als middel, maar altijd ook als doel in zichzelf wordt gebruikt’. Voor kant is dit een absolute verplichting, waarmee niet valt te marchanderen – tenminste als we onszelf morele wezens willen noemen. Tegelijkertijd is juist door dit gebod vrijheid mogelijk. Een bescheiden voorbeeld: tegen de groenteboer zeggen we netjes goedemorgen. We zien hem daarmee niet slechts als middel om sla en komkommer te bemachtigen, maar ook als een doel in zichzelf: Als een mens, die daarom en ook slechts daarom met respect dient te worden behandeld. Juist de verplichting beleefdheden uit te wisselen doet ons uitstijgen boven het louter instrumentele, op nut gerichte handelen van alledag en maakt zo vrijheid mogelijk. Bovendien leren we onszelf kennen: in het respectvol behandelen van anderen, zien we ook onszelf als een doel op zich, en niet louter als een ding. Kants categorisch imperatief is een wet, maar het is een ‘wet van de vrijheid’, niet voor niets ook het thema van de Dag van de Filosofie.Vertrouwen
Nu is Kants categorisch imperatief beschouwend, en erg theoretisch. Het is niet voor iedereen meteen inzichtelijk, en bovendien is het lang niet altijd duidelijk waarom we ons aan bepaalde restricties zouden moeten houden. Maar er zijn andere manieren om ons ergens aan te binden, en toch vrijheid mogelijk te maken, bijvoorbeeld vertrouwen. Neem bijvoorbeeld een marathonloper, die zich gebonden weet aan de trainingvoorschriften van zijn trainer. Op korte termijn lijkt hij daarmee zijn vrijheid kwijt te raken, en bovendien weet hij wellicht niet altijd waarom hij zich aan die voorschriften moet houden. Maar hij vertrouwt zijn trainer, en andersom doet die trainer zijn best dat vertrouwen niet te beschamen. Als het goed is, levert dat persoonlijke groei op: een betere fysieke en mentale controle, die we rustig een vorm van bevrijding kunnen noemen. Het voorbeeld laat ook zien dat voor vrijheid handeling, training, en routine zijn vereist. De Franse filosoof Michel Foucault sprak van ‘vrijheidspraktijken’. Daartoe putte hij uit de Griekse Oudheid. Hij zag hoe in de Griekse polis een ideaal van zelfmeesterschap bestond: een jezelf in de hand houden, juist om vrij te kunnen zijn. Dit meesterschap ging ver, het behelsde controle over al te heftige verlangens en emoties, maar ook fysieke oefening, uiterlijke verzorging, een gracieuze manier van zich uitdrukken en zelfs bewegen.Ascese
Iemand die meester is over zichzelf, is geen slaaf van het moment. Hij beoefent een klassieke vorm van ascese; niet de christelijke variant van zelfverloochening, maar eerder van zelfdisciplinering om tot een persoonlijke groei en vrijheid te komen. Bovendien is een dergelijke meester geen pure egoïst. Wie goed voor zichzelf kan zorgen, en daar een bepaalde trots en waardigheid in vindt, zorgt ook goed voor anderen. Deze klassieke ascese klinkt in deze tijd wellicht vergezocht. Wat moeten we daar bijvoorbeeld mee in een slechte wijk van Rotterdam, waar kleine ettertjes zonder enige scrupules de vrijheid van anderen bedreigen? Bovendien breng je die niet zo één, twee, drie het categorisch imperatief van Kant bij. Dus, zou je zeggen, daar helpt alleen maar fikse dwang en een lik-op-stukbeleid. En als het de spuigaten uitloopt, heb je soms geen andere keuze. Maar is dat echt het enige antwoord? Het loont de moeite om in Rotterdam te kijken naar het project Vakmanstad, opgezet door de filosoof Henk Oosterling. Geïnspireerd door onder meer Foucault, helpt Oosterling een aantal ‘moeilijke’ scholen met praktijkprojecten die gericht zijn op gezonde voeding, koken, en sportbeoefening. Kinderen krijgen een verantwoordelijkheid – bijvoorbeeld over een moestuin – en de resultaten zijn erg goed. Ze houden zich aan bepaalde voorschriften, misschien niet meteen omdat ze weten waarom, maar omdat ze worden aangesproken op hun trots en omdat hun vertrouwen wordt geschonken. Daarbij leren zij ook omgaan met de grenzen van anderen – in judolessen bijvoorbeeld, merken ze dat het niet slechts draait om sterker te zijn dan de ander, maar ook om respect te tonen. Vrijblijvend of ‘ soft’ is het allerminst, het is zelfs hard werken, maar het is een stap op weg naar daadwerkelijke vrijheid.