*

 

Maakbaar land, vlak achter de dijken

Door Willem de Bruin − 12/02/07, 14:02

‘Nederland is een verovering van de mensen op de zee: het is een kunstmatig, een ‘gemaakt’ land. De Nederlanders hebben het gemaakt – het bestaat omdat de Nederlanders het bewaren, het zou verdwijnen als de Nederlanders het verlieten....

  • Dijkwerkers sluiten het gat dat tijdens de Watersnoodramp van 1953 in de dijk bij Stevensluis op Schouwen-Duiveland is geslagen. (ANP)

Deze hommage aan Nederland van de Italiaanse schrijver Edmondo de Amicis uit 1876, geciteerd door de historicus Auke van der Woud in zijn onlangs verschenen boek Een nieuwe wereld; het ontstaan van het moderne Nederland, is slechts een van de tientallen uitingen van bewondering en verbazing over dat ploeterende volkje aan de Noordzee. Een beeld, gesymboliseerd door Hansje Brinkers die zijn vinger in een gat in de dijk steekt, dat wij ons graag laten aanleunen.

Het geloof in eigen kunnen was er niet vanaf het begin. Lange tijd was de strijd tegen het water een ongelijke strijd, voor zover die zelfs maar werd gevoerd. Zee en rivieren hadden tot de vroege Middeleeuwen praktisch vrij spel. De mens kon ervoor kiezen op de hogere gronden te gaan wonen of een kunstmatige verhoging (terp) te bouwen en daarop zijn toevlucht te zoeken.

Eeuwen strijd tegen het water

1014 Een grote stormvloed treft de kust van de lage landen. In de dan nog goeddeels gesloten kustlijn tussen Vlaanderen en Noord- Duitsland worden grote gaten geslagen. Vermoedelijk duizenden doden.

1170 Allerheiligenvloed. De zee breekt door de duinenrij tussen Den Helder en Texel. Begin van het Ontstaan van de Zuiderzee en de Waddenzee.

1287 Sint Luciavloed. Noord-Nederland opnieuw getroffen door grote watersnoodramp. Tientallen dorpen door het water verzwolgen. West- Friesland gescheiden definitief van het huidige Frieslandgescheiden. Mogelijk tienduizenden doden.

1421 Sint Elizabethsvloed. Grote delen van Zeeland en Holland onder water. Zeker tweeduizend doden.mensen vinden de dood. Veel dijken bezwijken door slecht onderhoud. mede als gevolg van politieke onrust (Hoekse en Kabeljauwse twisten). Doorbraak van dijken van Zuid- Hollandse Waard markeert het begin van ontstaan van de Biesbosch.

1530 Sint Felixvloed. Watersnoodramp die vooral Zeeland treft. Veel plaatsen in stroomgebied van Schelde verdwijnen onder de golven, waaronder de stad Reimerswaal (Verdronken land van Zuid-Beveland).

1570 Tweede Allerheiligenvloed. Extreem hoog water.richt grote schade aan langs hele kust. Vooral in Friesland veel slachtoffers. In Zeeland verdwijnen opnieuw dorpen voorgoed onder de golven (Verdronken land van Saeftinghe).

1703 Watersnoodramp in die grote delen van Noordwest- Europa. treft. Duizenden doden.

1717 Kerstvloed. Laatste Grote Overstroming van Noord-Nederland, Ook Duitsland en Denemarken. zwaar getroffen. In hele gebied meer dan 10 duizend doden.slachtoffers.

1825 Overstromingen in Noord-Nederland en Overijssel. Ongeveer 800 doden.

1916 Stormvloed in combinatie met een hoge waterstand in rivieren leidt tot overstromingen rond Zuiderzee. Geeft doorslag bij besluit tot afsluiting en gedeeltelijke inpoldering.

1953 Grote stormvloed treft Zuidwest- Nederland. Aanzienlijke delen van Zeeland, Zuid-Hollandse eilanden en West-Brabant onder water. Meer dan 1.800 doden. Ook omringende landen getroffen. Deltaplan moet herhaling voorkomen.
Eerst in de 12de eeuw wordt een begin gemaakt met de aanleg van zeeweringen en rivierdijken en worden voorzichtige pogingen gedaan verloren land weer terug te winnen. Het zal voorlopig niet kunnen verhinderen dat de zee elders opnieuw toeslaat. Van een planmatige aanpak van de kustverdediging is nog geen sprake. De waterschappen, die letterlijk aan de basis van het poldermodel staan, zijn strikt lokaal georganiseerd en richten zich vooral op afwatering en ontginning. Het niveau van de bescherming loopt daardoor sterk uiteen. Waar de ene streek – zoals de Zuid-Hollandse eilanden – steeds opnieuw door overstromingen wordt getroffen, bezwijken sommige dijken – zoals de Hondsbosse zeewering – slechts zelden.

Grote gaten
Jaren zonder overstroming zijn in die tijd een uitzondering. Stormvloeden vanuit zee worden afgewisseld door buiten hun oevers tredende rivieren. Een van de eerste gedocumenteerde stormvloeden is die van 28 september 1014, als de zee grote gaten slaat in de dan nog vrijwel gesloten kustlijn tussen Vlaanderen en Noord-Duitsland. Een monnik rept in een kroniek van duizenden doden. In de eeuwen nadien blijft de zee aan het land knagen en worden de eerder geslagen gaten en worden inhammen in de kust allengs vergroot tot wat nu de Zeeuwse delta, de Waddenzee, het IJsselmeer en de Dollard zijn.

De introductie van windmolens betekent een grote stap vooruit, maar deze molens hebben in de eerste plaats betekenis voor de beheersing van het waterpeil achter de dijken. Bij het droogleggen van de Noord-Hollandse meren – Leeghwaters beroemde droogmakerijen – staat de Amsterdamse en de Haarlemse kooplieden die het geld ervoor op tafel leggen, vooral een economisch doel – het winnen van landbouwgrond – voor ogen.

De grote omslag, aldus Koos Bosma, hoogleraar architectuur- en stedebouwgeschiedenis aan de Vrije Universiteit, vindt pas plaats in de 19de eeuw. ‘Nederland wordt dan niet alleen staatkundig een eenheid, ook waterstaatkundig wordt het land steeds meer gezien als een geheel, als een samenhangend systeem.’

Hand van God
Onder invloed van nieuwe ontwikkelingen op het gebied van wetenschap en techniek is sprake van een mentaliteitsverandering. Bosma: ‘In de eeuwen daarvoor beschouwde men zich veel meer overgeleverd aan het noodlot, waarin de mensen niet zelden de hand van God vermoedden. Daar valt met techniek natuurlijk weinig tegen uit te richten. Als het besef groeit dat de natuur meer is dan een werktuig van God, maar aan wetten beantwoordt, ontstaat het idee dat de mens door die wetten te bestuderen de natuur de baas kan worden.’

Auke van der Woud, die dezelfde leerstoel bezet als Bosma, maar dan in Groningen, wijst in Een nieuwe wereld op de introductie van het begrip vooruitgang. Die manifesteert zich niet alleen in nieuwe uitvindingen. Vooruitgang is veel meer het besef dat de kennis van de natuur de mens in staat stelt zijn lot in eigen hand te nemen. ‘De mens hoeft de toekomst niet meer zoals vroeger af te wachten. De toekomst is iets om zelf te maken.’

Dat het toenmalige Nederland die maakbaarheidsgedachte vooral op het water projecteert, ligt voor de hand. Op andere terreinen van vooruitgang, zoals de spoorwegen, loopt Nederland dan al hopeloos achter. De aandacht gaat in eerste instantie vooral uit naar de grote rivieren, die in de loop van de 18de eeuw steeds vaker overstromen en tegelijkertijd moeilijker bevaarbaar worden. Er is sprake van een cumulatie van problemen: de vele bochten remmen de stroomsnelheid, waardoor verzanding optreedt. Daardoor komt de bedding steeds hoger te liggen, waardoor de dijken moeten worden verhoogd, waarna de verzanding gewoon doorgaat, het overstromingsrisico toeneemt en de scheepvaart steeds meer hinder ondervindt.

Betere kennis van het gedrag van rivieren leidt ertoe dat in 1850 een omvattend plan wordt gepresenteerd voor de normalisatie van de ‘verwilderde’ rivieren: beddingen worden uitgediept, bochten rechtgetrokken, het waterpeil wordt gereguleerd. De resultaten zijn indrukwekkend. In amper veertig jaar tijd is het overstromingsgevaar drastisch verminderd.

Zuiderzeewerken
Het betekent niet dat wat technisch kan, voortaan meteen wordt uitgevoerd. Kosten en baten worden ook dan niet uit het oog verloren. Het verschil met vroeger is dat, wanneer de nood aan de man komt, er vaak al een plan op de plank ligt. Een voorbeeld daarvan vormen de Zuiderzeewerken.

De Zuiderzee was in de loop der eeuwen door een stijging van de zeespiegel, oeverafslag en overstromingen ontstaan uit een aantal afzonderlijke meren. De grote, diep in het land dringende, watermassa veroorzaakte regelmatig overstromingen. Een reeks plannen voor gehele of gedeeltelijke drooglegging van de Zuiderzee (soms in combinatie met de Waddenzee) ziet in de loop der jaren het licht.

Als de politiek blijft dralen – wetsvoorstellen worden ingediend en weer ingetrokken - richten enkele particulieren in 1886 de Zuiderzeevereniging op. De nog jonge waterbouwkundig ingenieur Cornelis Lely krijgt de opdracht te onderzoeken hoe de Zuiderzee het best kan worden drooggelegd. Het economisch motief is hier, net als in de tijd van de droogmakerijen, minstens zo belangrijk als de veiligheid. Voor de bescherming tegen overstromingen alleen, zou immers kunnen worden volstaan met de aanleg van een afsluitdijk. De geplande polders dienen vooral de landbouw.

Veel weerstand
De weerstand is aanvankelijk groot, niet in de laatste plaats van de vissers die hun visgronden zien verdwijnen. Keer op keer worden de plannen op de lange baan geschoven. Twee gebeurtenissen zijn van beslissende invloed. De Eerste Wereldoorlog confronteert Nederland met zijn kwetsbaarheid op het gebied van voedselvoorziening. Daarnaast worden juist de gebieden rond de Zuiderzee extra zwaar getroffen door de overstromingen van 1916.

Indiener van het wetsvoorstel dat uiteindelijk in 1918 wordt aangenomen, is ironisch genoeg Lely zelf, die dan voor de derde keer minister van Waterstaat is geworden en zijn jarenlange pleidooien eindelijk ziet worden beloond.

De geschiedenis herhaalt zich met de Deltawerken. Al in de jaren dertig verschijnen studies die erop wijzen dat de dijken in Zuidwest-Nederland veel te laag zijn. De tragiek wil dat enkele dagen voor de Watersnoodramp van 1 februari 1953 een rapport over de afsluiting van de zeearmen tussen de Zeeuwse en de Zuid-Hollandse eilanden wordt gepresenteerd. Eind februari wordt besloten tot versnelde uitvoering.

De geschiedenis van de Zuiderzeewerken en de Deltawerken onderstreept volgens Bosma de voorwaarden waaraan grote projecten moeten voldoen, willen zij tot een goed einde worden gebracht: het geestelijk klimaat (de mentaliteit) moet er rijp voor zijn, er moet een capabel bestuur zijn en de continuïteit – ook financieel – moet zijn gewaarborgd.

Maakbaarheidsgedachte
Het lijkt inmiddels vooral aan de eerste voorwaarde te schorten. Bosma beschouwt de periode 1850 – 1950 als de bloeiperiode van de maakbaarheidsgedachte, de technische benadering viert dan hoogtij en de macht is aan de ingenieurs. ‘Na 1950 zie je dat de technische benadering minder vanzelfsprekend wordt. Ook andere belangen beginnen bij de besluitvorming aandacht op te eisen. De complexiteit van projecten neemt daardoor toe en daarmee de kosten en de tijd die ermee zijn gemoeid. De Oosterscheldekering is daar een goed voorbeeld van. Wat begon met een plan voor vergroting van de veiligheid, eindigde met een discussie over de bescherming van het milieu.’

Bij het anticiperen op de klimaatverandering zul je volgens hem daarom met meer moeten komen dan alleen de zeespiegelstijging. De meerwaarde van maatregelen voor de samenleving als geheel moet duidelijk zijn. ‘Het probleem is nu nog te abstract, maar weinig mensen kunnen bovendien een termijn van dertig, veertig jaar overzien. Misschien is ook hier eerst een ramp nodig om de mensen te overtuigen van de urgentie.’

mailIcon print |