Vorige week zond Zembla een tv-documentaire uit over ouders die geestelijk niet bij machte waren om voor hun kinderen te zorgen....
'OM HET EENS heel kras en paradoxaal te zeggen: in Nederland hebben wij nooit, zoals in Scandinavië, sterilisatiewetten gehad omdat wij achterliepen. De verzorgingsstaat kwam laat. Onze achterlijkheid werd een zegen.'
Er kan nauwelijks een glimlach af. Jan Noordman, hoofddocent historische pedagogiek aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen, trekt geen vrolijk gezicht. 'De eugenetische beweging is hier nooit sterk geweest. Vooral vanuit confessionele hoek was er veel weerstand. Bovendien denkt sinds de Tweede Wereldoorlog iedereen bij eugenetica meteen aan Hitlers rassenwetten, maar ik ben er niet gerust op dat het eugenetisch denken niet in een of andere moderne vorm de kop opsteekt. Ook in het verleden waren het vaak zeer humane, vooruitstrevende mensen die er in geloofden.'
Nederland, zegt hij, is een modern land geworden. Met steeds grotere zekerheid kunnen doktoren vaststellen of iemand gezonde kinderen zal krijgen. De stormachtige ontwikkelingen op het gebied van de genen benadrukken opnieuw de waarde van de erfelijke factoren en het is niet ondenkbaar, meent Noordman, dat politici of wellicht verzekeraars uit kostenoverweging of om sociaal-medische redenen zullen pleiten voor 'preventieve maatregelen'. Dan kun je opnieuw de vraag stellen, zoals in de aangrijpende Zembla-documentaire Ouderlijke Onmacht die afgelopen week werd uitgezonden: moet een zorgzame maatschappij de zwakken tegen zichzelf in bescherming nemen? Mogen mensen kinderen krijgen als zij er niet voor kunnen zorgen?
Jan Noordman wil geen onheilsprofeet zijn. Hij blijft vertrouwen op het gezond verstand van de samenleving, maar toen in Nederland aan het begin van deze eeuw belangstelling ontstond voor eugenetica ging het ook allereerst om edele motieven als 'hygiëne' en 'gezondheid', zoals hij beschrijft in zijn boek Om de kwaliteit van het nageslacht - Eugenetica in Nederland 1900-1950.
Artsen waren er ervan overtuigd dat de drie 'volksziekten', tuberculose, alcoholisme en geslachtsziekte grote schade berokkenden aan het nageslacht. Zwakzinnigheid werd vrij algemeen toegeschreven aan het verwekken van kinderen in alcoholische roes. Dochters van dronkaards zouden niet in staat zijn om hun eigen kinderen borstvoeding te geven. De zuigelingensterfte werd mede veroorzaakt door de onwil of het onvermogen om kinderen te zogen.
Moeilijker hadden artsen het met de 'geheime' geslachtsziektes die zich, zoals de bijbel zei, konden voortzetten tot het derde en vierde geslacht. Syfilis 'vermolmde de hersens', schreef Ibsen in zijn toneelstuk Spoken.
Verwonderlijk was het dus niet dat artsen, uit angst voor degeneratie, het huwelijk ontraadden. Mag de staat zich bemoeien met de voortplanting? Het is het centrale vraagstuk waar de eugenetica zich mee bezighield. In 1900 pleitte een van de grondleggers van de moderne verloskunde, de Amsterdamse hoogleraar Herbert Treub, voor een verplicht geneeskundig onderzoek voor het huwelijk. Het is er nooit gekomen, maar ook na de Tweede Wereldoorlog, in 1953, is er nog een poging ondernomen. Het voorstel kreeg in de Tweede Kamer vrijwel alleen steun van de sociaal-democraten.
Treub haalde het voorbeeld aan van een man die leed aan een acute gonorroe en wilde trouwen. De bruid werd besmet en stierf binnen enkele maanden. De 'onmenselijke' bruidegom zou, zei Treub, strafbaar moeten zijn. Nu zou men de aidslijder als voorbeeld kunnen nemen.
'Maar', zo merkt Noordman op, 'je ziet hoe snel je discriminatie van een bevolkingsgroep krijgt. Het is zo makkelijk zieken, zwakzinnigen en criminelen over een kam te scheren.'
Hij vertelt hoe hij ruim tien jaar geleden bij toeval stootte op een voordracht die de arts J. Sanders in 1933 (!) had gehouden over 'het onmaatschappelijke kind' voor de Nederlandse Vereniging voor Geestelijke Volksgezondheid.
Sanders beweerde dat heropvoeding van kinderen uit asociale gezinnen vaak onmogelijk was, omdat de oorzaken van de onmaatschappelijkheid van erfelijke aard waren. Asocialen plantten zich sneller voort dan de gezonde burger en dus liep de beschaving gevaar. Daarom waren maatregelen nodig en sterilisatie van 'minderwaardigen' was de meest efficiënte manier.
'Ik vond het verbijsterend, stuitend, maar Sanders huldigde beslist geen arische rassenpolitiek.' Het gruwelijke lot wilde dat hij als jood in een concentratiekamp om het leven kwam. De controversiële Sanders kreeg steun van gestichtsarts G.P. Frets, een vooraanstaand socialist, die verslag deed van zijn bezoek aan Californië, waar zesduizend zwakzinnigen waren gesteriliseerd.
HET TWEETAL werd genadeloos aangevalen door de arts F. Grewel, vader van de politica Annemarie Grewel, die heilig geloofde in de vooruitgang en het erfelijk fatalisme te vuur en te zwaard bestreed.
Eugenetici geloofden dat het door de verlichting en christelijke barmhartigheid geïnspireerde beschavingsoffensief berustte op een utopie. De maatschappij was niet, om in hedendaagse termen te spreken, maakbaar. De evolutieleer van Darwin was prachtig, maar het beginsel van de survival of the fittest werd bedreigd door te veel armen- en ziekenzorg. Niet alleen bleven de zwakken in leven, maar minderwaardigen, dacht men, brachten meer kinderen voort dan meerwaardigen. Dat kon rampzalige gevolgen hebben voor de westerse beschaving.
De eerste die, in 1881, het woord eugenetica gebruikte was de Engelse geneticus Francis Galton, een neef van Darwin. Hij zocht naar eigenschappen die toekomstige geslachten konden verbeteren of verslechteren. Hij was een overtuigd racist, die bewees dat de hogere standen meer genieën voortbrachten dan het gewone volk.
In Nederland spraken seksuele hervormers als Jan Rutgers en Aletta Jacobs ook over rasverbetering, maar daar bedoelden zij iets heel anders mee. 'Als er minder ongewenste individuen ter wereld kwamen, zou immers het ras verbeteren, de sociale welvaart en het geluk groter worden', zei Aletta Jacobs.
In 1932 schreef het socialistisch artsen-echtpaar Wibaut dat eugenetica een overheidstaak behoorde te worden. De overheid moest er voor waken dat er geen maatschappelijk onbegeerde kinderen zouden worden geboren.
Deze gedachte werd in Scandinavische landen gemeengoed. In Denemarken werd de eerste sterilisatiewet in 1929 ingevoerd. Noorwegen en Zweden volgden in 1934, het jaar waarop ook nazi-Duitsland tot massale sterilisatie overging. In het eerste jaar werden in Duitsland 56duizend mensen gesteriliseerd, oftewel een op de tienduizend. Maar in Amerika werd al sinds 1907 in verscheidene staten op grote schaal gesteriliseerd, in gestichten en gevangenissen.
In Denemarken werden 'erotisch debiele meisjes' op een eiland gezet waar geen man mocht komen. In eugenetische kringen vonden sommigen dit inhumaan. Sterilisatie zou menswaardiger zijn.
In Nederland zijn pogingen om sterilisatie, castratie en huwelijksverbod wettelijk te regelen nooit van de grond gekomen, ofschoon zelfs invloedrijke figuren als de latere polemoloog B.V.A. Röling opmerkingen maakten als: 'Al te grote liefde voor het leven is de dood voor een volk.'
De confessionelen hadden in het parlement de meerderheid. De paus veroordeelde in 1930 in de encycliek Casti Connubii de zogenaamde negatieve eugenetica, voorkoming van ongewenste kinderen. Ook in protestantse kring bestond, in de geest van Abraham Kuyper, onvermurwbaar verzet tegen pogingen om Gods schepping te corrigeren. Veel socialisten verwierpen de op de erfelijkheid gebaseerde eugenetische gedachte, omdat zij het geloof in de verheffing van het volk ondermijnde.
ZEKER BIJ katholieken werd eugenetica vaak vereenzelvigd met de 'duivelse' neo-malthusiaanse geboorteregeling. De jezuïet en radiospreker Henri de Greeve prefereerde oorlog en pest boven geboortebeperking. Tegen castratie, bedoeld om lustgevoelens te onderdrukken, is in katholieke kring nooit principieel verzet geweest. Op een congres in de jaren dertig werd trots gemeld dat ook priesterstudenten zich lieten castreren. 'Vrijwillige' sterilisatie blijft een mogelijkheid. Nog altijd worden in Nederland jaarlijks gemiddeld tweehonderd verstandelijk gehandicapte meisjes met toestemming van de familie vrijwillig gesteriliseerd.
Maar tegenover de negatieve eugenetica staat de positieve eugenetica: de verbetering van het volk en daar hebben katholieke instanties wel degelijk voor gestreden. Kinderbijslag was, zegt Noordman, zeker ook bedoeld om de betere stand aan te moedigen zich royaal voort te planten. Bevolkingspolitiek speelde op de achtergrond mee.
De afgelopen decennia is de eugenetische gedachte verdwenen, maar de CDA'er H. Hillen pleitte rond de Dutroux-affaire voor verplichte chemische castratie in uiterste gevallen. T. Malmberg, hoog ambtenaar van het ministerie van WVS vraagt zich af of verplichte sterilisatie voor gewelddadige ouders wenselijk is. De geschiedenis leert, schreef Volkskrantcolumnist Dirk-Jan van Baar naar aanleiding van de Zweedse onthullingen, dat ook de meest menslievende maatschappij totalitaire trekjes vertoont.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.