Wielrenners en schaatsers leven niet langer dan golfspelers of cricketers.
Wielrenners en schaatsers leven niet langer dan golfspelers of cricketers. © ANP

Intensief sporten leidt niet tot langer leven

Sporten is gezond maar overdrijven heeft geen zin. Sporters die zich in het zweet werken, zoals wielrenners en schaatsers, leven niet langer dan golfspelers of cricketers. Dat blijkt uit onderzoek van Leidse wetenschappers onder bijna tienduizend voormalige Olympische sporters, dat vandaag in het British Medical Journal (BMJ) verschijnt.

Onderzoekers Ruben Zwiers en Frank Zandvoort analyseerden daarvoor de overlijdensdata van sporters die tussen 1896 en 1936 meededen aan de Olympische Spelen. Ze verdeelden de 43 sportieve disciplines van de deelnemers in oplopende statische intensiteit (kracht) en oplopende dynamische intensiteit (duur). Voor de levensverwachting bleek de mate van intensiteit niet uit te maken. Ook de combinatie van duur en kracht, op zijn sterkst bij bijvoorbeeld boksen en fietsen, leverde geen langer leven op.

De resultaten weerspreken het idee dat meer sporten altijd beter is, zegt onderzoeksleider Frouke Engelaer, verbonden aan de Leyden Academy on Vitality and Ageing. Die gedachte wordt gevoed door onderzoek waarbij de levensverwachting van (top)sporters wordt vergeleken met die van de algemene bevolking. Daaruit blijkt vaak dat sporters langer leven.

Zo publiceert het BMJ tegelijk met de Leidse studie een tweede onderzoek waarvoor de levensverwachting van 15 duizend Olympische medaillewinnaars is vergeleken met die van de bevolking. De Olympiërs blijken gemiddeld 2,8 jaar ouder te worden. Maar zo'n vergelijking gaat mank, zegt Engelaer, want topsporters vormen een selecte groep mensen met mogelijk zulke gunstige fysieke en psychische kenmerken dat ze sowieso langer leven. Het is daarom eerlijker, legt ze uit, om fitte mensen onderling te vergelijken.

Letsel
Kracht, duur en de combinatie daarvan mogen dan geen invloed hebben op de levensverwachting van atleten, voor twee andere aspecten geldt dat wel, zo ontdekten de Leidse onderzoekers: de mate van fysiek contact en het risico op letsel tijdens de sport. Sporters die onderling veel fysiek contact hebben (rugby, voetbal) hebben een 16 procent hogere sterftekans dan atleten die het onderling rustig aan doen (zoals zwemmen of kanoën); bij sporters die veel risico lopen op letsel (boksen, skiën) is die kans 11 procent hoger.

Die hogere sterftekans wordt deels veroorzaakt doordat atleten soms tijdens de beoefening van hun sport overlijden door een klap of een botsing. Maar ook op latere leeftijd ondervinden ze blijkbaar nog de schadelijke gevolgen van hun sport, want boven het 50ste jaar is dat sterftecijfer nog hoger. Engelaer: 'Ouderdom is een opeenstapeling van schade en elke val, elke botsing, levert toch een litteken op.'

De laatste tijd is er veel aandacht voor vroegtijdige dementie onder boksers en neurologische schade bij American Football spelers. Maar lang niet alle schade ontstaat voor het oog van de toeschouwers, zegt Engelaer. 'Topturners vallen niet vaak tijdens een uitvoering maar wat dacht je dat er tijdens de trainingen gebeurt?'