*

 

Irritatie over Chinezen goed voelbaar

Van onze correspondent Michel Maas − 16/07/08, 02:45

Een Chinese mijngigant ‘doet op een heel andere manier zaken’ dan ze in Papoea-Nieuw-Guinea gewend zijn. Dit is het eerste deel van een serie over China als nieuwe ‘kolonisator’....

De winkels in Madang hebben geen etalages. Zware luiken houden zonlicht en dronken Papoea’s buiten. Een Chinese winkelier neemt het zekere voor het onzekere: hij laat de klanten niet eens binnen, maar geeft de bestelling af aan het hek.

Zijn Papoea’s aardige mensen? De winkelier glimlacht, kijkt met een schuin oog naar de Papoea die tegen zijn hek leunt, en zegt niets. Zijn Chinezen aardige mensen? ‘Chinezen zijn slechte mensen, erg slecht’, zegt de Papoea.

Madang is een slaperig kuststadje in Papoea-Nieuw-Guinea. De mensen brengen de dag het liefst zittend in de schaduw van de brede bomen door. Af en toe rijdt een auto voorbij, en soms fladdert een zwerm vliegende vossen (vleermuizen) op uit de bomen.

Zo was het altijd, maar Madang is Madang niet meer, zucht een ambtenaar van de provincie. Het is druk geworden. ‘Zoveel mensen zijn uit andere provincies hierheen gekomen om werk te zoeken. En er zijn zoveel auto’s.’ Madang dreigt een boomtown te worden. Niet alleen Papoea’s uit de bergen, maar ook Chinese winkeliers, en vooral Chinese arbeiders strijken neer in het stadje, aangetrokken door de komst van een Chinese mijngigant die hier miljoenen tonnen nikkel uit de grond komt halen.

In het duurste hotel van het stadje, het Madang Resort Hotel, is net een hele groep Chinezen aangekomen. Enkele zakenlieden, maar vooral eenvoudige Chinese werkers, boerse mannen met gebrekkige gebitten, die in hun ondergoed in het zwembad plenzen, tot afgrijzen van de andere resortgasten.

Tegenover het houten provinciegebouw verrijst een betonnen kantoorflat van zes verdiepingen, het hoofdkwartier van het Chinese staatsbedrijf MCC (de ‘Metallurgical Group Corporation’). Aan de kust wordt een haven met een verwerkingsfabriek gebouwd voor ruim 30.000 ton nikkel en 3.000 ton kobalt per jaar. Al dat metaal zal worden verscheept naar China, dat een onstuitbare honger heeft naar grondstoffen.

De Chinezen hebben een eigen manier van zakendoen. MCC nam in 2005 het project over van de Australische firma Highlands Pacific, en schoof meteen alle gemaakte afspraken van tafel. MCC regelde zijn miljardenzaken op het allerhoogste regeringsniveau, met premier Somare zelf. De Chinezen bemachtigden een unieke belastingvrijstelling van tien jaar, en een onbekend aantal visa voor zijn Chinese werknemers. Aan lokale overheden en de lokale bevolking hebben de ingenieurs van MCC sindsdien geen enkele boodschap. Als er klachten zijn verwijzen zij naar de regering in Port Moresby. Madang ziet knarsetandend toe.

John Biwi is de provinciale ambtenaar die in Madang is belast met het toezicht op het doen en laten van de mijn. ‘Iedereen heeft problemen met die Chinezen’, zegt hij. Biwi zit in zijn propvolle kantoortje in het provinciegebouw en haalt uit een kast een dikke stapel papieren: de contracten en de afspraken die zijn gemaakt met de regering, de lokale overheid en met de ‘landeigenaren’: de plaatselijke stammen die traditioneel het land bezitten waar MCC de mijn bouwt. Hen zijn banen beloofd, en een aandeel in bouwprojecten, maar de Chinezen maken geen haast met het inwilligen van die beloftes.

Biwi: ‘Zij leveren niet de spin-off die zij hebben beloofd. Met Chinezen valt gewoon niet te onderhandelen. Het zijn communisten, en die hebben een eigen cultuur, hè? Zelfs voor een paar liter benzine moeten zij naar de top, voor toestemming. Zij weten niet hoe de dingen hier werken, en doen geen enkele moeite om dat te veranderen. Zij komen niet onder de mensen, zij spreken geen woord Engels. Zij werken alleen, en sluiten zich op in hun hotel’, zegt hij. ‘Zij hebben geen boodschap aan ons.’

De bouwprojecten van MCC worden bewaakt door Papoea’s, en op de steigers sjouwen Papoea’s met cement en betonijzer. Dat zijn de banen die de ‘landeigenaren’ krijgen: bewaking, handarbeid, het simpele, vuile werk.

David Tibu, staatssecretaris voor Arbeidszaken, bezocht het project en constateerde dat de Chinezen de Papoea’s ‘als slaven’ behandelen. ‘Zij krijgen 4 Australische dollar (2 euro) per dag, overuren worden betaald in blikjes tonijn, en het kantine-eten is nog niet goed genoeg voor varkens’, constateerde Tibu, die opperde het hele project maar stil te leggen.

John Biwi stuurt zijn Toyota Landcruiser de bergen in. Drieënhalf uur rijden is het naar de schitterend groene Ramu-vallei. Aan de overkant van de vallei gaat de weg omhoog, naar Kurumkubari: de berg die MCC gaat afgraven. In de zijkant van de berg is al een weg gegroefd, en op de top verrijst een stadje voor de tweeduizend arbeiders die hier in de mijn gaan werken. De Papoea’s vragen zich af hoeveel van die arbeiders er uit China zullen komen.

Langs de weg worden de eerste buizen gelegd die straks een pijpleiding vormen van 132 kilometer naar de kust, waar MCC een haven bouwt voor schepen tot zestigduizend ton. De ‘sludge’, de nikkel-modder, zal straks met veel water door de pijpleiding naar beneden worden gespoeld, en daar in een fabriek worden verwerkt. De modder die overblijft nadat het nikkel en de kobalt eruit zijn gehaald willen de Chinezen dumpen in een sleuf in de oceaan. Dat werd botweg bekendgemaakt. De Papoea’s waren daarover zo woedend, dat de gouverneur van Madang dreigde het hele project stop te zetten. Zover is het ook ditmaal niet gekomen, maar irritatie over de Chinezen is overal in Madang voelbaar.

Bij een brug in aanleg dringt een van de arbeiders naar voren en begint ongevraagd te schelden: ‘Toen de Australiërs van Highland’s Pacific kwamen, toen was het goed. Zij waren aardig, gaven ons goed te eten, en betaalden goed. Maar de Chinezen komen alleen om geld uit Papoea te halen en dan weer gauw terug te gaan naar China. Wat er met ons gebeurt kan ze niets schelen. Wij zijn voor hen geen mensen.’

In Papoea-Nieuw-Guinea wordt al een tijd gewaarschuwd voor rassenrellen, als de Chinezenhaat verder aanzwelt. De Chinezen zelf lijken daar niet gevoelig voor. Een ingenieur bij de brug maakt een woedend wegwerp-gebaar als hij de journalist ontwaart. Een van zijn veiligheidsmensen gehoorzaamt en stuurt de bezoeker weg, maar met duidelijke tegenzin: ‘Sorry dat ik u weg moet sturen*’, zegt hij beleefd, ‘*maar die Chinezen, zijn niet zoals wij hè?’

Bij ‘wij’ wijst hij naar de bezoeker en naar zichzelf. Voor hem is er een band die de zwarte Papoea’s en de witte Nederlanders bindt. Die band omspant, via een koloniaal verleden, via Duitsland en Australië, het hele Westen. Maar niet het Oosten.

mailIcon print |