*

 

De walvisslachter zet de traditie voort

Van onze verslaggever Michael Persson − 25/10/06, 02:46

De walvisslagers in IJsland hebben er zin in. Ze gingen dinsdag aan de slag met de tweede walvis die het land heeft gevangen sinds de jacht is hervat....

Twee uur voordat ze met grof geweld een verse walvis aan stukken hakken, snijden de slachters keurig met mes en vork een stukje gerookt lamsvlees doormidden. Ze hebben beleefd hun schoenen uitgetrokken en lopen op kousenvoeten door de lunchzaal van hotel Grymur, aan de Walvisfjord op IJsland. Wanneer ze praten, praten ze zachtjes. Ze dragen geen baarden maar brillen, en drinken water in plaats van bier. Voor walvisslagers en afstammelingen van Vikingen zien ze er teleurstellend beschaafd uit.

Af en toe kijken ze door het raam naar de horizon, waar elk moment de Hvalur 9 (Walvisjager 9) kan opdoemen. Om half drie moet het schip aanmeren aan de steiger van het walvisstation aan het einde van de fjord. Dan moeten de mannen dus terug zijn om de prooi van het schip over te nemen en naar de slachtvloer te slepen. Deze dinsdagmiddag gaan ze de tweede walvis villen die IJsland heeft gevangen, sinds de hervatting van de jacht vorige week, internationale protesten of niet.

Het lijkt een prachtige dag. De zon staat laag, het licht verandert van zilver in goud. Alleen de witte koppen op de golven en de halmen in de velden verraden de harde schrale noordenwind.

Zondag zaten de mannen hier ook. Toen bracht de Hvalur 9 voor het eerst sinds 1989 weer een walvis naar de Walvisfjord, een 40 kilometer diepe inham ongeveer 50 kilometer ten noorden van de hoofdstad Reykjavik. Voor het eerst in bijna twintig jaar was er weer iets te doen op het oude walvisstation, dat nog stamt uit de eerste helft van de vorige eeuw.

De meeste slachters ook. Het zijn mannen met dunner wordend grijs haar, verwaaid in de koude poolwind. Ook zij hebben moeten wachten. Nu mogen ze weer laten zien hoe het moet. Er zitten een paar jongens om hen heen, de leerlingen. ‘Het is een traditie die ik moet voortzetten’, zegt Snorri Engilbertsson, een twintiger uit de buurt van Reykjavik. ‘Mijn vader heeft nog gevochten voor de walvisvangst. Het hoort bij IJsland.’

In de jaren zeventig stond IJsland op voet van oorlog met Engeland. Britse marineschepen overvoeren IJslandse kustwachters. De IJslanders wonnen, en zagen hun territoriaal gebied uitgebreid tot 200 mijl rond het eiland. Een schatkamer aan vissen en walvissen.

Tot de jaren tachtig, toen eerst de commerciële en daarna de wetenschappelijke vangsten werden opgeschort. Snorri’s vader werd na het moratorium tandarts. Snorri zelf is acteur. Maar slachten blijft een prachtig vak, vinden ze. ‘Tamelijk complex. Je moet veel kracht hebben, en tegelijkertijd een soort lenigheid, je moet tijdens het snijden je evenwicht kunnen houden op de rug van de walvis. Sommige mensen hebben het, andere niet.’

Dan verschijnt in de verte een vlekje op de spiegeling van de baai. De mannen staan op en stappen in hun terreinwagens. Ze hebben er zin in.

De Hvalur 9 is een stoomboot. Een klassiek scheepje, met een opbouw in het midden, een hoge boeg en een dot roet uit de schoorsteen. Een Sinterklaasboot. Maar dan eentje met een harpoen op de voorplecht. Het scheepje helt zwaar naar stuurboord, en dat komt niet door de wind. Hier hangt iets aan de reling dat bijna even zwaar lijkt als de kotter zelf.

De walvisvaart op IJsland wordt geen kwestie van drijvende fabrieken, waar de beesten aan de ene kant met hun tachtig ton ingaan en aan de andere kant in blikjes uit komen. Het zal tamelijk kleinschalig blijven.

Deze vissers zijn een etmaal op de oceaan geweest en hebben ergens tussen IJsland en Groenland een vinvis van een meter of twintig geharpoeneerd. Die hebben ze langszij gebonden en zo naar huis gesleept. Vanavond vertrekken ze opnieuw, dit seizoen willen ze er in totaal negen vangen. Ze hebben haast, de walvissen trekken al naar warmer water in zuidelijker contreien en de Hvalur 9 is de enige operationele walvisvaarder van IJsland, sinds milieuorganisatie Sea Shepherd in de jaren tachtig twee zusterschepen tot zinken bracht.

Om kwart voor drie meert de Hvalur 9 af aan de houten pier die voor het walvisstation in de baai ligt. Er staan honderden eilandbewoners op de pier en naast de glijbaan waarlangs de vinvis straks omhoog moet.

‘Hé, Moby Dick!’, roept een toeschouwer. Op het dek balt een grijze matroos zijn vuisten. De kapitein laat zich gewillig fotograferen door de vele tientallen camera’s.

Op de foto’s die de afgelopen dagen de wereld rondgingen, leek het alsof het een heel vissersdorp was uitgelopen om de terugkeer van hun dagelijks brood te begroeten. Maar er is hier helemaal geen dorp, de krakkemikkige huisjes en loodsen zijn allemaal onderdeel van het walvisstation. De toeschouwers zijn gewoon in hun jeeps uit Reykjavik gekomen voor een staaltje van IJslands Glorie.

‘Het is een soort patriottisme’, bekent Trir Gudmundsson, die vanaf de slachtvloer bovenaan de glijbaan staat toe te kijken hoe de walvis met een lier naar de kant wordt getrokken. ‘We laten de buitenwereld zien: dit is IJsland. Met ons valt niet te sollen.’

Hij schat dat driekwart van de bevolking voor de walvisvangst is. Zo ook Asta Björnsdottir, bedrijfsleidster van het Grymur-hotel, waar de slachters hebben gegeten. ‘Het is een erekwestie. Hoe erg is het nou, die paar dode dieren? Ze sterven niet uit. In Nederland slachten jullie toch ook honderdduizenden varkens per jaar?’

Wel vindt ze dat de discussie op basis van argumenten moet worden gevoerd. Het walvisvlees is bedoeld voor de Japanse markt. Als de vraag daar terugloopt, zoals het geval lijkt, moeten de IJslanders misschien weer met de jacht ophouden.

Zeker als de economische schade groter is dan de voordelen. ‘Ik kreeg vandaag een afzegging van iemand die niet meer naar IJsland wil komen, omdat de stranden rood zien van het bloed. Dat is niet de bedoeling.’

De stranden zien niet rood, maar er loopt wel een straaltje bloed in het water als de walvis uit het water op de glijbaan wordt getrokken. Er ontbreken stukken uit het lichaam als happen uit een schuimrubberen matras. Het karkas piept als een rubberboot die op de kant wordt gesleept. De baleinen hangen lodderig uit zijn bek. Het beest is een jaar of 50 geworden, zeggen omstanders. ‘Malser dan die van zondag. Die was 90.’

Bovenaan de glijbaan staan twee wetenschappers in oranje overalls te wachten; zij nemen monsters van de vetlaag. Op zoek naar veranderingen in het walvisbestaan, sinds 1989. Hoeveel zware metalen, hoeveel chloorverbindingen? In zwarte pakken, soms met bivakmutsen, drentelen de slagers ongeduldig rond het lijk, met hun snijgerei als ijshockeysticks in de hand. Ze willen zo graag.

Als ze eindelijk de vetlaag mogen afstropen, balancerend in de blubber, is het grootste deel van het publiek al verdwenen.

De primadonna’s dansen in een soort gesmolten schuimmassa. Straks worden de brokken vlees op de zogeheten barbari, een enorme snijplank (Oregon grenen, extra hard) in kleinere stukken gesneden, waarna ze via een stortkoker verdwijnen in kratten die vervolgens met een vrachtwagen naar het plaatsje Akranes worden gereden.

Daar worden ze in de plaatselijke visfabriek ingeblikt. Waar de reis daarna heenvoert, weet niemand.

mailIcon print |