Paul Brill −
28/01/12, 09:59
State of the Union.
© afp
vk opinie
Je kunt er vergif op innemen: in zijn jaarlijkse State of the Union-toespraak tot het Congres zal de Amerikaanse president altijd positieve bewoordingen kiezen om de stand van het land te schetsen. Maakt niet uit of hij Reagan, Clinton, Bush of Obama heet. Er mogen zich dan nog zo veel netelige problemen aandienen, de economie mag sputteren en de internationale situatie vol spanningen zitten, maar de toestand van Amerika is strijk en zet goed dan wel hoopgevend en er gloort onverminderd een nog mooiere toekomst.
Ooit trakteerde president Carter zijn landgenoten op een somber getoonzette televisierede over energietekorten en andere economische perikelen die zich als donkere wolken boven de natie samenpakten. De rede werd de metafoor van de malaisestemming die in zijn Witte Huis zou heersen. Het bezorgde Carter het odium van een defaitist, dat hij niet meer wist af te schudden, al helemaal niet toen een paar maanden later de gijzelingsactie in de Amerikaanse ambassade in Teheran begon en de regering-Carter een hulpeloze indruk maakte. Amerikanen spiegelen zich bij voorkeur aan het devies van Karl Popper: optimisme is een morele plicht.
OngeloofwaardigBij de State of the Union van dit jaar kwam het erop aan hoe president Obama een gunstig licht op de stand van het land zou weten te werpen zonder ongeloofwaardig te klinken. Want met 13 miljoen werklozen, een overheidsschuld die in de biljoenen dollars loopt en een economische opleving die bij een zuchtje tegenwind alweer voorbij kan zijn, kost het enige moeite om Amerika te zien als de shining city on the hill, zoals de puriteinen ooit hun nieuwe vaderland noemden.
Obama vond er iets op, hij gebruikte de vergrotende trap: 'The State of our Union is getting stronger.' Tevens bezwoer hij dat de veranderende verhoudingen in de wereld niets afdoen aan het Amerikaanse leiderschap. 'Nee, we kunnen niet alles in de hand hebben. Maar Amerika blijft de onmisbare natie op het internationale toneel - en zo lang ik president ben, wil ik dat zo houden.'
Zou de president bij het componeren van zijn tekst toevallig inzage hebben gehad in het artikel dat Robert Kagan schreef voor het jongste nummer van The New Republic? Het is een kloeke, scherpzinnige beschouwing, waarin stelling wordt genomen tegen het doemdenken over de neergang waaraan de Verenigde Staten ten prooi zouden zijn gevallen en die zich volgens veel scenarioschrijvers zal doorzetten naarmate opkomende mogendheden als China, India en Brazilië zich meer doen gelden. Kagan zegt als het ware: niet zo snel, laten we nog eens nuchter naar de cijfers en naar de naoorlogse geschiedenis kijken.
Als er sprake is van een Amerikaanse terugval, dan heeft die zich veeleer afgespeeld in de jaren zeventig dan dat die nu zijn beslag krijgt. Het Amerikaanse aandeel in de wereldeconomie, dat kort na de Tweede Wereldoorlog bijna 50 procent bedroeg, was toen gedaald naar ongeveer een kwart. De oliecrisis sloeg hard toe, het handelsoverschot werd een handelstekort, de nederlaag in Vietnam en het Watergate-schandaal tastten het nationale moreel aan. Henry Kissinger meende dat de VS 'kennelijk hun hoogtepunt voorbij waren'.
Sinds de jaren zeventig is het Amerikaanse aandeel in de wereldeconomie (mondiaal bnp) praktisch gelijk gebleven. De groei van China en India is vooral ten koste gegaan van Europa en Japan. Qua militair potentieel kennen de VS nog altijd hun gelijke niet, vooral in kwalitatieve zin. Alle economische groei ten spijt spelen landen als India en Brazilië geen grotere rol op het wereldtoneel dan eind vorige eeuw.
Onwillige bondgenotenMaar is Amerika dan niet op de grenzen van zijn macht gestoten en is het niet evident dat Washington grote moeite heeft om dingen naar zijn hand te zetten? Jawel, maar dat is niet anders dan in het verleden, betoogt Kagan. De VS hebben altijd te stellen gehad met formidabele tegenkrachten en onwillige bondgenoten.
Anti-Amerikaanse sentimenten tierden lange tijd welig in de derde wereld, de Sovjet-Unie leek het tij mee te hebben. Zelfs met een maximale inspanning op een gunstig ogenblik is de regering-Clinton er niet in geslaagd een vredesakkoord tussen Israël en de Palestijnen af te dwingen.
Dat is allemaal waar - en het is goed om erop te wijzen dat de status van supermacht de VS bepaald niet heeft behoed voor tegenslagen en mislukkingen in de afgelopen zestig jaar. Maar Kagan laat twee recentere ontwikkelingen buiten beschouwing. De eerste is de sterk opgelopen schuld van Amerika, die het land ondanks zijn 'onmisbaarheid' toch kwetsbaar maakt.
De tweede is de polarisatie in Washington, die wanstaltige vormen heeft aangenomen. In 2008 leek het er even op dat Barack Obama de man was die de politiek uit die verlammende greep kon bevrijden. Dat is om allerlei redenen een illusie gebleken. En hoe dit verkiezingsjaar ook verloopt, niets wijst erop dat de kandidaten de stand van het politieke discours werkelijk willen verbeteren. Dat is pas echt een teken van bederf.