*

 

‘Irakmissie op gespannen voet met het volkenrecht’

Van onze verslaggever Theo Koelé − 13/09/10, 22:56

De uitzending van Nederlandse militairen naar Irak, na de val van Saddam Hussein in 2003, stond op gespannen voet met het volkenrecht. In feite maakten de Nederlanders deel uit van de Amerikaans-Britse bezettingsmacht, terwijl het toenmalige kabinet-Balkenende de operatie presenteerde als wederopbouw onder de vlag van de Verenigde Naties.

  • Irakese veiligheidstroepen patrouilleren in Bagdad. (AP)

Die pijnlijke conclusie trekken medewerkers van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in een maandag verschenen boek. Pijnlijk, omdat de commissie-Davids begin dit jaar constateerde dat de Nederlandse politieke steun voor de Amerikaans-Britse invasie in Irak ook al een volkenrechtelijk mandaat ontbeerde. Die conclusie leidde bijna tot een kabinetscrisis.

Laconiek

Minister Van Middelkoop van Defensie (ChristenUnie) reageerde gisteren laconiek. Hij noemde het ‘geen enkel probleem’ dat militairen handelden naar bevind van zaken. De bewindsman wees er bovendien op dat de Tweede Kamer destijds geen moeite had met de uitzending van militairen. Dat lag anders bij de steunbetuiging aan de aanval op Irak; met name de PvdA en het CDA stonden toen lijnrecht tegenover elkaar.

Volgens Arthur ten Cate, een van de auteurs van Missie in Al Muthanna, was er voor de uitzending van de troepen in de zomer van 2003 aanvankelijk een ‘magere en bediscussieerbare volkenrechtelijke basis.’ Er lag weliswaar een VN-resolutie, maar die beschreef de feitelijke aanwezigheid van een bezettingsmacht. Pas enkele maanden later riep de VN-Veiligheidsraad de internationale stabilisatiemacht SFIR in het leven. Tot die tijd ‘opereerden Nederlandse militairen in Zuid-Irak derhalve met een ongebruikelijke volmacht.’

Verweven

Daarbij komt, zegt Ten Cate, dat de militairen ‘veel meer met de bezetting verweven raakten dan het kabinet eigenlijk wilde’. De mariniers waren in de praktijk betrokken bij ordehandhaving en bestrijding van criminaliteit.

Ook waren zij, en de door het ministerie van Buitenlandse Zaken gestuurde adviseurs, volop bezig een nieuw Iraaks bestuur in de provincie Al Muthanna op poten te zetten. Dat was onvermijdelijk, en zelfs wenselijk, maar niettemin in strijd met de afspraken die Nederland had gemaakt met de Britten, die in zuidelijk Irak de dienst uitmaakten. Nederland wilde zich nadrukkelijk niet presenteren als ‘bezettend bondgenoot,’ maar als vredeshandhaver.

Nederlandse militairen waren twintig maanden actief in Irak. Onder hen vielen twee doden.

De studie van het NIMH is overwegend positief over het optreden van de Nederlanders, die voor het eerst sinds de koloniale tijden te maken kregen met een guerrilla. De auteurs spreken over een ‘redelijk succesvolle stabilisatieoperatie’. In verhouding tot andere delen van Irak bleef het in de provincie Al Muthanna relatief rustig, mede doordat de Nederlanders steun zochten bij lokale machthebbers, en beschikten over veel geld voor allerhande opbouwprojecten.

mailIcon print |