*

 

Oranje-finale wringt met zwarte dag van Dutchbat

Leen Vervaeke − 09/07/10, 13:13

Toen de nabestaandenorganisaties van Srebrenica een oproep deden om de finale van het WK Voetbal niet op 11 juli te spelen, de dag dat ook de genocide in Srebrenica wordt herdacht, vond ik dat aanvankelijk overdreven. Een herdenking – van wat dan ook, hoe erg ook – kan prima samengaan met een WK-finale, meende ik. De FIFA dacht er net zo over: aan de datum van de finale werd niet getornd.

  • 1995: Nederlandse wachtpost bij Srebrenica. (ANP)

Ondertussen heeft het voetbaltoernooi een onverwachte wending genomen – Nederland in de finale! – en is bij mij toch enige twijfel ontstaan: misschien hebben de nabestaandenorganisaties wel een punt.

Eerst past hier een bekentenis: ik ben geen voetballiefhebber en evenmin ben ik van Nederlandse afkomst (wel van Belgische afkomst, maar dit terzijde). Dat maakt het wat hachelijk om kanttekeningen te plaatsen bij de oranje feestvreugde. Maar ik gun Nederland de finale, de overwinning en deze historische gebeurtenis.

Ik zou alleen willen dat het niet ten koste zou gaan van de aandacht voor een andere historische gebeurtenis in de Nederlandse geschiedenis: 11 juli 1995, de dag dat in de Bosnische enclave Srebrenica achtduizend mannen en jongens koelbloedig werden omgebracht.

‘Onder de ogen van de Nederlandse militairen’, wordt daar vaak bij gezegd. Dat klopt niet, de Dutchbatters zagen weinig van de moorden, en zelfs al hadden ze het gezien, dan nog waren ze machteloos.

Maar het gebeurde wel onder de hoede van de staat Nederland, die in naam van de Verenigde Naties de verplichting op zich had genomen om Srebrenica, dat door de VN was uitgeroepen tot ‘veilig gebied’, te beschermen. Ja, dat wilde gidsland Nederland wel doen. Maar de Nederlandse blauwhelmen adequaat voorbereiden, de effectiviteit van het mandaat controleren, de broodnodige luchtsteun bevorderen: dat liet Nederland allemaal na. Met fatale gevolgen.

Dat is allemaal genoegzaam bekend. Er is een drieduizend pagina’s tellend rapport over geschreven; er is een regering om afgetreden; boeken, krantenartikelen en films zijn verschenen.

En toch heeft Nederland nog steeds moeite om zijn rol in Srebrenica te erkennen. In gesprekken met gewone Nederlanders valt op hoeveel mensen de gebeurtenissen in Srebrenica nog steeds vergoelijken (‘de Moslims waren ook geen lieverdjes’, ‘Srebrenica was niet te verdedigen’, ‘de Bosnische Serviërs zijn de daders, niet wij’) of relativeren (‘achtduizend doden, dat is toch niet echt een genocide’).

Kwalijk is ook de houding van de overheid, die meer gericht lijkt op het indekken van zichzelf dan op het helpen van de nabestaanden. Dat zagen we al bij premier Wim Kok, die zorgvuldig onderscheid maakte tussen de Nederlandse verantwoordelijkheid (erkende hij wel) en schuld (niet) voor Srebrenica. We zien het nu ook in de rechtszaken van nabestaanden, waarin de Nederlandse staat krampachtig weigert fouten te erkennen.

Neem de zaak van Rizo Mustafic, de lokale Dutchbat-elektricien die op 13 juli 1995 ten onrechte van de VN-compound werd weggestuurd en dat met de dood bekocht. Zelfs de Dutchbatleiding gaf toe dat het wegsturen van Mustafic ‘een immense stommiteit’ was, maar toch weigert de Nederlandse staat een schikking te treffen. Boodschap voor de familie Mustafic en voor alle nabestaanden: er is een fout gemaakt, het was niemands schuld.

Zowel het publieke als het politieke debat over Srebrenica is duidelijk nog niet voltooid. Maar dat debat zal dit jaar niet gevoerd worden. Dit jaar staat 11 juli in het teken van ongebreidelde volksvreugd. Een kniesoor die nu over Srebrenica begint. Een spetterende oranje dag moet het worden. Die zwarte dag, die vergeten we liever.

mailIcon print |