*

 

Essayist Rudy Kousbroek overleden

Door Arjan Peters − 05/04/10, 20:50

Wat viel Rudy Kousbroek op, toen hij in februari 1946 voor het eerst in Nederland kwam? De zestien jaar ervoor was hij gevormd door Nederlands-Indië: geboren in Pematang Siantar (op Sumatra), moest Kousbroek de oorlogsjaren doorbrengen in verschillende Japanse interneringskampen.

In een essay uit 1987 zou hij beschrijven wat hem in 1946 trof: de geur. Het rook hier niet naar Indië. ‘De afwezigheid van iets, zoals de smaak van niet-zout. Een vaag gevoel van anders.’ En overal bekleding, schemerlampen en gordijnen. ‘De aanblik van dit textielen universum was vooral ’s avonds na het invallen van de duisternis verbluffend, want al die gordijnen gingen nooit dicht. Nederland; een bewoond gordijn.’

Het bekende wordt wonderlijk als je scherp kijkt, analyseert en schrijft, zo heeft Kousbroek bewezen met een literair oeuvre dat de jaren 1951-2010 omspant en dat bestaat uit poëzie, één roman, en vooral honderden essays. Die laatste leverden hem in 1975 de P.C. Hooftprijs op, en een eredoctoraat (een ‘AKO-prijs zonder cheque’, sprak hij gelaten in zijn dankwoord) aan de Universiteit van Groningen in 1994. In de wijsbegeerte, en dat waardeerde Kousbroek, want dat kwam het dichtst in de buurt van de exacte wetenschappen, zijnde de wetenschappen die hij in zijn hart als de enig echte beschouwde.

Filosofie is kritische discussie, meende hij met Popper, en daarom moest hij zich een schrijversleven lang als rationalist in discussies mengen, alles bestrijdend wat naar religie zweemde. Kennis gaat immers boven geloof. In 1953 dichtte Kousbroek: ‘behalve een engel/ valt alles dat men omhoogwerpt/ weer op de grond/ weer op de grond/ valt alles dat men omhoogwerpt/ behalve een engel.

Met Gerard Reve kon hij hartelijk lachen, en hij waardeerde diens roman De Avonden (1947) zozeer dat hij er bijna gelovig van werd, maar daarmee bedoelde hij dan ‘dat je kunt begrijpen dat iemand het wordt zoals je kunt begrijpen dat iemand zelfmoord pleegt’. Zodra Reve over de godsdienst zelf begon te praten, verging Kousbroek van schaamte, net zoals wanneer schilders over hun eigen werk gaan theoretiseren, met hun ‘geleuter over creativiteit’.

Kousbroek studeerde wis- en natuurkunde in Amsterdam, en Japans in Parijs, waar hij lange tijd woonde met zijn eerste echtgenote Ethel Portnoy. Na hun scheiding trouwde hij met de sinologe Sarah Hart. Hoewel hij in dezelfde stad woonde als Willem Frederik Hermans, met wie hij in de periode 1955-1971 vriendschappelijk had gecorrespondeerd, spraken ze elkaar nooit nadat ze waren gebrouilleerd. Waarover ze daarvoor van gedachten wisselden, bleek vorig jaar toen hun correspondentie werd gepubliceerd: filosofie, techniek, vrouwen en katten.

Alle katten lijken op elkaar, vond Hermans. Daar dacht Kousbroek anders over. De lijstduwer van de Partij voor de Dieren in 2006 schreef in 1969 het boekje De Aaibaarheidsfactor, waarin hij zijn liefde met stilistische precisie en humor deconstrueerde: de kat is ‘de apotheose in de evolutie van de aaibaarheid’.

Dit maakte Kousbroek tot een uitzonderlijk literator: in zijn werk werd met ‘met gevoel gedacht en met denken gevoeld’, zoals criticus en bewonderaar Kees Fens het in de Volkskrant karakteriseerde.

Zijn nieuwsgierigheid leidde hem naar oude gravures waar hij een verhaal bij verzon (dat werd de roman Vincent of het geheim van zijn vaders lichaam, 1981), of naar foto’s die onbedoeld en dus alleen achteraf raadselachtig waren (de driedelige reeks Fotosynthese, 2003-2007). Een plaatje van een kikkervisje lokte deze beschouwing uit: ‘In de dierentuin zoek je ze vergeefs. Het Koninkrijk der Dieren is een oceaan van sympathieën waarvan we slechts druppels tot ons nemen, terwijl we er stromen uit zouden kunnen halen. Dit woord van Alphonse de Lamartine indachtig ben ik met een netje naar de vijver in onze tuin gegaan. Scheppen. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag, en ik had een kom vol kikkervisjes. Kijken naar kikkervisjes, een onbeschrijfelijke troost’. En dan volgde die beschrijving tóch.

Mooischrijverij, pathos, onwerkelijk, oordeelde Kousbroek in 1982 over de roman Bezonken rood van Jeroen Brouwers, wat tot een hevige polemiek tussen de schrijvers leidde. Vasthouden aan een mythe, aan onwaarheden, was wat Kousbroek jarenlang wilde ontmaskeren in essays als Het Oostindisch kampsyndroom (zoals de verzameling stukken over Nederlands-Indië heet, 1992). Behalve fel is hij daarin ook een onderzoeker van zijn heimwee naar het verleden. Niets is zo erg, schreef hij in 1984, als ‘de weg weten in een huis dat niet meer bestaat’. Een veel geciteerde zin, en Kousbroek wist hoe dat kwam: hij had hem zelf op de achterflap gezet, en die wordt ‘door de meeste critici aandachtiger gelezen dan het boek zelf’.

Een denker met gevoel. ‘Voor ik doodga, wil ik eerst nog even met de helft van de mensheid naar bed’, heette het in 1993 nog strijdlustig. Maar hij wist dat hij te verlegen was voor een orgie, en daarbij: ‘Ik wil juist niet vergeten, nooit iemand verliezen; ik wil ze allemaal, allemaal tegelijk en voor altijd.’

De laatste jaren was Kousbroek ernstig ziek, en dacht hij veel na over de dood. Ook in die finale fase had hij ‘niet de minste neiging me over te geven aan het hogere’, en dat gaf hem voldoening, bleek uit een interview in april 2009: ‘Ik dacht: zie je wel, ik laat me ook niet door omstandigheden verleiden tot onwaarheden.’

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />