*

 

De erfenis van Leopold II

Door Nell Westerlaken. − 18/05/10, 11:16

Ze moeten de vierde generatie zijn, de groep padvinders op de museumtrappen in Tervuren. Het is goed mogelijk dat hun overgrootouders dezelfde trappen beklommen, zich net als zij vergaapten aan de grote bordessen en de hoge pilaren voordat ze de koloniale collectie gingen zien.

Honderd jaar is het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren, honderd jaar ook de wat pafferig opgezette krokodillen, de kastjes met opgeprikte vlinders en insekten – termieten, houthommels, boktorren. Een eeuw oud: de bleke plafondschilderingen, en al wat jonger is, is altijd nog op leeftijd. Het grootste deel van de maskers, speren en schilden, van de hele museuminventaris, dateert van voor de Congolese onafhankelijkheid, in 1960.

‘De Belgen haalden al onze maskers en beelden weg uit het dorp’, herinnert de 55-jarige Zephyrin Muyika uit wat nu heet de Democratische Republiek Congo, zich in het meinummer van het tijdschrift Internationale Samenwerking. ‘Ze zeiden dat het duivelse voorwerpen waren die ons onheil brachten. Wat wij niet wisten, was dat alles werd verscheept naar het Afrikamuseum in Tervuren.’

De ‘duivelse’ voorwerpen uit het hart der duisternis werden soms naar stam gegroepeerd, soms naar functie. Zoals ze werden tentoongesteld in chique vitrinekasten van hout en glas, weefkunst, woning-huisraad, opschik en kledij – ‘educatief’ in die dagen – zo hangen ze er nog. Schelpen, sieraden en speerpunten in de vitrinekast met geldswaarden, speren, schilden en pijl-en-bogen in de jachtetalage. Je kunt er je eigen donker Afrika bij fantaseren; uitleg ontbreekt.

Dwalend door de marmeren zalen met lichtkoepels die het daglicht filteren vind je niet alleen een vervlogen, koloniaal Afrika, maar ook een oud museumconcept. Het getuigt van een grote verzamelwoede en de drang om al dat vreemde te ordenen naar eigen maatstaven. Een museum voor het museale van vroeger.

Voor de jonge bezoekers lijkt het niet uit te maken. ‘Kijk dan’, zegt een kind dat zijn vader meesleept naar de hoogbejaarde krokodillen, ‘ze zijn veel groter dan in de dierentuin!’ Er is een olifant, er zijn zebra’s, bavianen, buffels en allerhande herten. De oude neushoorn vertoont wat barsten in het opgezette lijf. Er zijn longvissen, radarvissen, wimpelalen en andere wonderlijke schepsels op sterk water. In een van de hallen staat een kano zo groot dat er ‘wel honderd krijgers in kunnen’, zegt een kleine bezoeker met bewondering.

‘Sommige kinderen komen liever naar hier, dan dat ze naar de zoo gaan’, zegt Guido Gryseels, directeur van het museum. ‘In onze diorama’s kunnen ze de dieren van veel dichterbij bekijken.’ Maar de permanente expositie is ‘niet meer van deze tijd’, beaamt hij. ‘Weinig multimediaal.’ Daarin komt verandering. Zoals het Tropenmuseum in Amsterdam al jaren doet, wil ook ‘Tervuren’ meer laten zien van het huidige Afrika. Een grootscheeps restauratieproject staat op stapel. ‘Er zal meer aandacht komen voor hedendaagse onderwerpen als biodiversiteit.’

Aftrap

Gryseels is net terug uit de Democratische Republiek Congo, waar hij de aftrap bijwoonde van een wetenschappelijke expeditie die een groot deel van de Congorivier zal verkennen, een samenwerkingsproject tussen Belgische en Congolese wetenschappers. Als voorschot op de vernieuwing van het museum en op de uitkomsten van de expeditie is een tijdelijke expositie ingericht over de ‘Congostroom’. Uit alle delen van het museum zijn voorwerpen uit hun voorname kasten gehaald en associatief gerangschikt. Er klinkt Afrikaanse muziek, er zijn junglegeluiden, bezoekers kunnen zelf filmpjes en geluidsopnamen in werking stellen.

Het contrast met de hal ernaast kan niet groter: de vitrines over het koloniale leven bevatten oude reiskoffers, veldflessen en andere expeditiespullen, vooral veel wapens. Vergeelde kartonnetjes geven wat uitleg en een plaquette herinnert aan ‘Belgen in Congo overleden, 1876-1908’. Twee meer dan levensgrote beelden domineren de hal: een van Afrikaanse ‘luipaardmannen’, en een van Leopold II, van 1865 tot zijn dood in 1909, Koning der Belgen.

Het was de tijd van de grote ontdekkingen en van een onbegrensde expansiedrift. Leopold II huurde de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley in die in 1871 faam had verworven met zijn geslaagde zoektocht naar Dr. Livingstone. Met 230 ‘porteurs’ en een demontabele boot was Stanley de eerste die de Congorivier volgde. Een groot deel van zijn archieven kwam terecht in Tervuren, en nog altijd spreken diens meetinstrumenten en landkaarten tot de verbeelding van museumbezoekers.

‘België schenkt Congo welvaart’, luidde het credo van de vorst. Zowel de koning, Stanley als veel van hun tijdgenoten waren oprecht van mening dat er ‘beschaving’ moest worden gebracht naar Afrika. In 1897 liet Leopold II ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling in Brussel 248 Congolozen overkomen die werden ondergebracht in drie tijdelijke ‘negerdorpen’ in Tervuren. Als attractie. In hun prauwen peddelden ze over de vers gegraven vijvers achter het nieuwe Koloniënpaleis.

Ze waren de trots van de koning – Congo-Vrijstaat was zijn trots. Geen kolonie aanvankelijk: Congo was vanaf 1885 des konings persoonlijke bezit. Tot 1908, toen ‘schonk’ hij het Afrikaanse kroondomein aan de staat, maar niet na enige internationale druk vanwege het meedogenloze bewind.

Na de Wereldtentoonstelling van 1897 besloot Leopold de almaar groeiende collectie koloniale voorwerpen een nieuw onderkomen te geven. Op het terrein van de tentoonstelling liet hij niet alleen een reusachtig museum bouwen, maar ook Franse tuinen aanleggen met een park erachter.

Geen twijfel

Er was geen twijfel over de plaats waar de ‘welvaart’ waarover de vorst sprak, terechtkwam. Door de winsten uit onder meer de rubberproductie hoefde de koning niet te kijken op een paar centen. Congo was zowel prestigeproject als wingewest, de miljoenen Congolese slachtoffers werden op de koop toe genomen.

Het was museumdirecteur Gryseels die in 2005 deze zwarte bladzijde uit de koloniale geschiedenis opensloeg; hij wijdde er een kritische expositie aan. Of er in het vernieuwde museum aandacht voor komt, is nog niet bekend.

Maar niemand hoeft bang te zijn dat de huidige opstelling met zijn door de tijd gegroeide charme voorgoed zal verdwijnen. Enkele zalen zijn beschermd. De vitrines zullen blijven, de plafondschilderingen zullen worden gerestaureerd. Daarop zijn pastorale taferelen te zien van Afrikaanse bossen en rivierlandschappen. Daarop vliegen de vogels vrij in de lucht en zijn ‘negers’ vreedzaam in de weer aan de rivieroevers.

Misschien was dit het laatste beeld, een laatste herinnering, dat Mibange, soldat Congo Belgique, en zeven van zijn kameraden voor ogen hadden toen ze in de kille Europese zomer van 1897 het leven lieten, nadat ze ter lering ende vermaeck waren tentoongesteld. Ze liggen begraven onder eenvoudige plaquettes van Belgisch hardsteen naast de 14de-eeuwse kerk van Tervuren. Gestorven voor het vaderland, al was dat niet het hunne.

mailIcon print |