*

 

Veenhuizen: Van strafkolonie tot werelderfgoed

Van onze verslaggever Marcel van Lieshout − 18/12/08, 05:54

Het Drentse gevangenisdorp Veenhuizen hoopt op de werelderfgoedlijst van het Unesco te komen.

  • Het gevangenisdorp Veenhuizen hoopt op de werelderfgoedlijst van Unesco te komen staan. (ANP)

Het negatieve beeldmerk dat altijd aan het Drentse dorp Veenhuizen kleefde, is geweken voor trots. Naar Veenhuizen gaan was een straf, niet alleen voor hen die er op last van justitie belandden. Maar van schroom is nu geen sprake meer. Sterker: het gevangenisdorp hengelt naar bezoekers, lonkt naar ondernemers, en afficheert zichzelf tegenwoordig als een uniek dorp van monumentale kwaliteit.

Werelderfgoedlijst
En terecht, vindt ook de Tweede Kamer, die deze week bij motie bepleitte dat Veenhuizen een plaats op de Werelderfgoedlijst van Unesco zou moeten krijgen. ‘Je mag dit dorp niet los zien van het landschap en van de geschiedenis’, vindt initiatiefnemer van de motie en PvdA-Kamerlid Harm Evert Waalkens. ‘Het vertelt een verhaal dat behouden moet blijven.’

Ruim een kwart eeuw geleden gold het dorp nog als ontoegankelijk gebied. Letterlijk: wie er niets te zoeken had, kwam er niet in. Veenhuizen was alleen ‘geopend’ voor wie er gedetineerd was en voor wie er woonde of werkte. Van het ene uiterste is het nu in het andere beland. Nu wordt het door gemeente, provincie en particulier initiatief in brochures en nota’s aangeprezen en draait de verleidingsmachine op volle toeren.

Maakbaarheidsgedachte
Een wandeling door Veenhuizen maakt duidelijk waarom al die inspanningen worden verricht. Nabij een van de laatste stukken hoogveen (Fochteloërveen) is een dorp ontstaan waarvan stratenplan en bebouwing in combinatie met het landschap een functionele eenheid vormen. Waar hiërarchie en de ‘maakbaarheidsgedachte’ (hier waren de ontspoorden en asocialen onderwerp van verheffing) van de bouwsels afstralen.

Juist vanwege de geïsoleerde ligging is nog heel veel intact. Vanaf het moment dat de generaal Johannes van den Bosch met zijn Maatschappij van Weldadigheid de kolonie Veenhuizen stichtte (1823) is deze noordwestelijke uithoek van Drenthe altijd ongemoeid gebleven. Veenhuizen was een wereld op zich die maar beter gemeden kon worden.

Zeker nadat in het tweede gedeelte van de negentiende eeuw het Rijk het daar voor het zeggen kreeg en Veenhuizen geleidelijk aan transformeerde van een ‘heropvoedingsinstituut’ voor landlopers, bedelaars en wezen tot een verzameling van gevangenissen.

‘Het isolement heeft voordelen gehad’, concludeert de Drentse gedeputeerde Rein Munniksma, namens de provincie betrokken bij de herontwikkeling van Veenhuizen. ‘Ik vergelijk dat wel eens met de wording van ons Drentse landschap. Boeren in Drenthe hebben het altijd zwaarder gehad dan de boeren op kleigronden. Cultivering van het land was hier veel lastiger. Uiteindelijk heeft dat juist in het voordeel van het landschap gewerkt.’

Meer dan natuur
Landschap is meer dan natuur, beklemtoont Munniksma, die graag mag wijzen op het unieke karakter van Veenhuizen. ‘Nergens in Europa vind je zo’n gevangenisdorp. Een parel van het platteland.’ Met financiële steun van onder meer de provincie is vorige maand een van de meest gezichtsbepalende bouwwerken – de voormalige directeurswoning Klein Soestdijk – in het bezit gekomen van de Stichting Het Drentse Landschap. Munniksma: ‘Na renovatie moet Klein Soestdijk op het gebied van erfgoedlogies een van onze grootste trekkers worden.’

Het uit 1859 daterende Klein Soestdijk staat, in hiërarchische zin, als de topper van Veenhuizen te boek. Naast en achter dit aan de Kolonievaart gelegen bouwwerk wemelt het van de monumentale panden. Sommigen bescheiden in omvang maar alle betekenisvol in het licht van de ontstaansgeschiedenis van de strafkolonie.

Veel panden zijn voorzien van stichtelijke opschriften (‘Werk en Bid’, ‘Arbeid is Zegen’, ‘Orde en Tucht’). Opdat zij die in Veenhuizen terecht kwamen, al dan niet vrijwillig, doordrongen raakten van het louterende werk dat hier werd verricht.

‘De stichter van het koloniedorp, generaal Van den Bosch, had een heel heldere visie’, vertelt Eric van der Bilt, directeur van de Stichting Het Drentse Landschap. ‘Er zijn arbeiders, hulpbehoevenden, ontaarden aan de ene kant, en directeuren en ambtenaren aan de andere kant. Dat zie je terug in de gebouwen.’

Ooit telde Veenhuizen drie gestichten, op kazernes lijkende complexen in de vorm van een carré waarin gestraften annex ‘verpleegden’ werden ondergebracht. Alleen het Tweede Gesticht staat nog overeind. Daarin is nu het Gevangenismuseum gevestigd.

Zelfvoorzienend
Als detentiedorp was Veenhuizen langdurig zelfvoorzienend. Met eigen landerijen, werkplaatsen en fabriekjes. Het ministerie van Justitie was meer dan een eeuw lang in feite de enige werkgever. Ruim een kwart eeuw geleden begon justitie met het op grote schaal afstoten van panden. Het dorp telt nog steeds drie penitentiaire inrichtingen, maar met het terugtrekken door Justitie dreigde verpaupering.

Provincie, gemeente en particuliere instellingen werken sinds enkele jaren samen aan de revitalisatie van het 1.300 inwoners tellende dorp. Vanuit de gemeenschappelijke erkenning dat Veenhuizen als cultureel erfgoed behouden moet blijven. Die mening zijn ook het ministerie van OCW (wees Veenhuizen begin dit jaar aan als beschermd dorpsgezicht) en Brussel (stelt veel geld beschikbaar via Europese plattelandsfondsen) toegedaan.

Vooral de creatieve industrie en zorg- en onderwijsinstellingen weten Veenhuizen inmiddels te vinden. Het voormalige Hospitaalgebouw wordt nu verbouwd tot onder meer gezondheidsacademie.

Drijvende kracht is Hans Blaauwbroek. Hij is geboren in Veenhuizen. Zijn vader werkte voor Domeinen, de dienst die rijksgronden beheert. Blaauwbroek: ‘We willen in de academie opleidingen geven over gezond leven en gerichte zorg. Dat is helemaal niet zo ver weg van de filosofie van de stichter van de kolonie.’

Juist met dit type functies moet Veenhuizen nieuw leven worden ingeblazen, vindt gedeputeerde Munniksma. ‘Het moet hier geen museumdorp als Orvelte worden.’ De status van werelderfgoed doet weliswaar niet meteen de kassa rinkelen maar geeft veel aanzien, zegt de gedeputeerde. ‘Het kabinet heeft net de Amsterdamse grachtengordel voor de Unescolijst voorgedragen. Terecht. Ik zie Veenhuizen als de plattelandse contramal van de grachtengordel.’

(lees ook de recensie over het boek Het Pauperparadijs, dat in en om Veenhuizen speelt)

mailIcon print |