Elke week op VKGeschiedenis: een column over het actuele verleden. Vandaag: Sander van Walsum over de mentale worstelingen van links.
In de afwijzende reacties op de vorming van een centrum-rechtse regering klinkt niet alleen oprechte afkeer van Geert Wilders en zijn gedachtegoed door, maar – misschien nog wel indringender – ongeloof over het einde van de linkse dominantie. In de partijpolitieke verhoudingen kwam die dominantie niet rechtstreeks tot uiting. Sinds het voortijdige einde van het kabinet-Den Uyl, in 1977, zijn het CDA en de VVD vaker aan de macht geweest dan de PvdA – om over de partijen ter linker zijde daarvan maar te zwijgen. Maar in mentaal opzicht kwam met het aantreden van Van Agt en Wiegel geen einde aan het linkse tijdvak.
Het door progressief Nederland verguisde duo liet de nalatenschap van Den Uyl – het manmoedige puinruimersjargon ten spijt – dan ook goeddeels in tact. Aan de groei van de overheidsuitgaven ten behoeve van de zwakkeren in de samenleving kwam geen einde. Integendeel. CDA en VVD namen de sociale doelstellingen van het voorgaande kabinet in grote lijnen over. Zij boden geen weerwerk tegen de progressieve avantgarde: de krakersbeweging, de tegenstanders van kernenergie, de atoompacifisten, de snelweg-opponenten. Alleen in de perceptie van degenen die het niet konden verkroppen dat het kabinet-Den Uyl door hun toedoen niet werd geprolongeerd waren Van Agt en Wiegel rechts en verwerpelijk.
Vooral ‘de jonge heer Wiegel’ gold in de jaren zeventig, toen hij de VVD uit de marge van de Nederlandse politiek leidde, als de Lieblingsgegner van het progressieve volksdeel. Het schokkendst – in mijn herinnering althans – werd die gezindheid tot uiting gebracht in het najaar van 1975, toen in Utrecht een betoging plaatsvond tegen de executie – aan de wurgpaal nota bene – van een aantal ETA-terroristen (die in de nadagen van Franco als vrijheidsstrijders werden aangemerkt).
Fluitconcert
Ook Wiegel, destijds de leider van ’s lands grootste oppositiepartij, gaf acte de presence. Maar dat beviel veel demonstranten niet, getuige het fluitconcert waarmee hij werd onthaald. Zijn aanwezigheid op het Domplein werd ongepast geacht omdat hij als een soort geestverwant van Franco werd gezien. Zo overzichtelijk waren de goed/fout-schema’s 35 jaar geleden nog. En zo makkelijk was het om goed te zijn na de oorlog.
Acteurs, beeldend kunstenaars, cabaretiers en columnisten waren bijna per definitie links. De Telegraaf, Elsevier en ‘de toestand van de wereld’ – het wekelijks radiocommentaar op de actualiteit door mr. G.B.J. Hiltermann – waren de reservaten voor de onverbeterlijken, voor hen die de tekenen des tijds miskenden. Buiten de kring van gelijkgezinden ging van hen geen noemenswaardige invloed uit.
Monocultuur
Voor de Nederlanders die mentaal wortelen in de linkse monocultuur, en die zich daar wel bij voelden, is het brutale weerwoord van rechts onverdraaglijk. Er wordt ongeremd ingehakt op alles waar zij in geloofden, maar links is het antwoord op die uitdaging tot nog toe schuldig gebleven. Grote woorden over de rampen die zich onder ‘Bruin I’ zullen voltrekken, kunnen de onmacht niet verhullen. Zelfs de slordige totstandkoming van het centrum-rechtse kabinet heeft de sympathie die het in brede lagen van de bevolking geniet niet serieus geschaad.
De Nederlandse politiek is een nieuwe conjuncturele fase ingegaan. De vorige, die van links, heeft een jaar veertig geduurd. Daar zullen de felste tegenstanders van Wilders geen troost aan kunnen ontlenen.
Sander van Walsum is reredacteur van de Volkskrant
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.
Volg het nieuws op onze zustersite in België www.demorgen.be.
Nieuws:
Belgisch nieuws,
buitenlands nieuws,
wetenschap,
gezondheid,
stand der dingen.