*

 

Je bent iemand, want je hebt een vuurwapen

Van onze verslaggever John Wanders − 15/09/10, 00:00

ROTTERDAM ‘Ik heb in de loop der jaren veel van mijn vrienden kapot zien gaan op straat’, zegt Carlos Gonçalves, Rotterdammer van Kaapverdiaanse origine....

Als bestuursvoorzitter in de Rotterdamse deelgemeente Delfshaven ziet Gonçalves (44) hoe dat patroon zich herhaalt bij de generaties die na hem kwamen. Een verschil met zijn eigen jeugd is dat jongerengroepen nu vaak etnisch afgebakend zijn. ‘Op het plein waar ik vroeger met Marokkanen, Nederlanders en Surinamers voetbalde, heeft elke groep nu zijn eigen hoek.’

Een ander verschil is dat het geweld intenser is geworden. ‘Een mes was in mijn tijd het ergste dat je kon tegenkomen. Nu zie je dat met groot gemak een vuurwapen wordt getrokken.’

Recente schietpartijen met dodelijke afloop onderstreepten dat vooral Antilliaanse jongens snel naar een wapen grijpen. ‘Dat is een gegeven’, zegt Gonçalves. ‘Op straat is dat algemeen bekend.’

Burgemeester Ahmed Aboutaleb bevestigde dit vorige week in de Rotterdamse gemeenteraad: ‘Het bezit van vuurwapens is bij Antillianen niet hoger dan bij andere groepen, maar Antilliaanse jongeren gebruiken het vuurwapen wel sneller.’

Is er een betere illustratie denkbaar dan de schietpartij van augustus in Rotterdam-Zuid waarbij een Turkse vader en diens zoon door een Antilliaan werden neergeschoten na een opmerking over wildplassen?

‘We moeten onze kinderen duidelijk maken dat je een loser bent als je een vuurwapen draagt’, vindt Ed Gumbs van het Platform van Politici van Antilliaanse en Arubaanse Afkomst. ‘Want op een dag gebruik je dat wapen en dan schiet je je toekomst aan gruzelementen.’

‘Dat soort jongens heeft niks te verliezen en lacht zich suf om het Nederlandse rechtsstelsel’, meent Gonçalves. ‘Ze schieten iemand neer en met goed gedrag zijn ze over vier jaar weer vrij. De strafmaat is hier veel te laag.’

Gumbs vindt het na de recente geweldsincidenten tijd dat de Antilliaanse gemeenschap haar verantwoordelijkheid neemt. ‘Wij kunnen ons niet langer afzijdig houden. Hoe kan het dat Antilliaanse jongens die hier amper drie, vier maanden zijn al weten hoe ze aan een vuurwapen moeten komen?’

Dat antwoord is niet moeilijk, reageert Glenn Helberg, voorzitter van het Overlegorgaan Caribische Nederlanders: ‘Zo’n jongen gold op Curaçao al als kansarm. In Nederland belandt hij op een ROC dat hem geen begeleiding kan bieden. De eerste tien jaar van zijn leven vraagt hij steeds: waar is mijn vader? Tussen zijn 10de en 12de levensjaar zie je hem verharden, want die vader komt niet meer. Misschien zit zijn moeder in de gevangenis en wordt hij opgevoed door een tante. Hij is veel op straat. Daar voelt hij liefde. Eerst krijgt hij een colaatje van de drugsmaffia. Dan moet hij een pakketje wegbrengen. In de drugswereld is een vuurwapen belangrijk. Al heb je verder niks, je bent iemand, want je hebt een vuurwapen. Als je zo iemand zijn pistool afpakt, blijft er een jongetje met een heel klein piemeltje over.’

Helberg wil maar zeggen: je moet die jongens op de juiste manier begeleiden en perspectief bieden. Anders blijft het dweilen met de kraan open.

Volgens Maite de Haseth, voorzitter van de Vereniging Antilliaanse Netwerk, moet Nederland effectiever gebruik maken van de kennis die de Antilliaanse gemeenschap over deze jongeren heeft. Zij verwacht dat de aangekondigde ‘mars tegen het vuurwapengeweld’ – nu in voorbereiding bij de samenwerkende Antilliaanse en Arubaanse organisaties in Nederland – iets zal losmaken bij de jongeren om wie het allemaal te doen is.

mailIcon print |