Demonstraties tegen De Duivelsverzen van Rushdie in 1989 in Rotterdam.
Demonstraties tegen De Duivelsverzen van Rushdie in 1989 in Rotterdam. © ANP

Demonstraties tegen Salman Rushdie; de Nederlandse uitgever vertelt

In mijn werkkamer hangt een foto van de eerste moslimdemonstratie in Nederland tegen De Duivelsverzen van Salman Rushdie. Op de foto is een rijtje van vier agenten te zien, frontaal, een enkele besnorde demonstrant is half zichtbaar achter de agenten, maar voorop lopen twee jongetjes, ik schat tien à elf jaar, waarvan de jongste de vuist heeft geheven, en met zijn andere hand zijn broertje vasthoudt.

Het is 1989. De agenten zijn nog gewoon Oom agent met pet en stropdas, twee dragen een bril, een heeft een baard. De twee demonstrantjes zijn vertederend, het optreden van de agenten lijkt laconiek, `wat een flauwekul', denken ze. De foto hangt, als een soort ironieteken, naast een billboard van de Evening Standard met een schreeuwende kop uit de krant van die dag:  "Rushdie: Death Squads on Way". Het billboard plaatst `death squads on way' nog tussen vette, dubbele aanhalingstekens.

The Satanic Verses van Salman Rushdie zorgde al een halfjaar voor flinke beroering in Pakistan, India en inmiddels ook in Engeland. `In deze roman lopen feiten en fictie op wonderbaarlijke wijze uiteen ... een verblindend prisma van filosofische, psychologische, religieuze en humoristische beschouwingen' schrijft het achterplat van de Nederlandse vertaling; maar een boek dat door de moslimwereld gezien wordt als heiligschennis, een aanval op de Koran en de profeet Mohammed.  Het billboard is meegebracht als souvenir door een redacteur van Contact, toevallig in Londen toen de fatwa binnenkwam, de oproep van Khomeiny, de groot-Ayatollah van Iran, aan alle moslims om Rushdie te vermoorden.

Multiculturele samenleving
In Nederland staan we nog midden in de multiculturele samenleving in de vaste overtuiging dat alle wrijving die voorkomt uit verschillen in geloofsopvatting en inrichting van de samenleving, voor zover tot ons doorgedrongen, zal verdwijnen als straks iedereen het gezellig met elkaar gaat doen. Oproer op en vluchtelingen uit Sri Lanka? `Ha, over zes maanden lekker eten bij de Tamil' , stond er in de krant. De jaren zestig waren nog niet volledig ten grave gedragen, wij waren bezig te groeien naar een harmonieuze multiculturele samenleving.

Zo dacht ik er ongeveer ook over, hoewel Netty, mijn eega, die voor een scriptie literatuuronderzoek had gedaan naar de positie van de vrouw in de Islam, daar behoorlijk giftig over was. Geduldig legde ik haar dan uit dat de Nederlandse bevolking bestaat uit calvinistische calvinisten, calvinistische katholieken en calvinistische atheïsten, en dat daar straks de calvinistische moslims bij zouden komen. Als ik dit schrijf zijn de Tweede Kamerverkiezingen aan de gang, godlof zijn er, tussen al het getetter over de populistische stokpaardjes, nog steeds stemmen die de moed niet hebben opgegeven. Erg luid zijn ze niet meer.

Geen seconde heb ik nagedacht of Veen Uitgevers  het boek al dan niet zou uitgeven. Bingo! dacht ik aanvankelijk. Noem het uitgeversgeilheid, maar boeken verkopen is al moeilijk genoeg, Rushdies boeken hadden tot dusver een onopvallend bestaan geleid in Nederland en een beetje hulp van de voorzienigheid was van harte welkom; boeken verbieden, verontwaardiging omdat het vrije woord wordt bedreigd, aandacht, publiciteit, daar kan je wel wat exemplaren mee wegzetten. Natuurlijk dient de uitgever in de Westerse wereld, en ook daarbuiten, te weten wat hem te doen staat als het vrije woord wordt bedreigd, een houding die in Nederland met zijn open en multiculturele samenleving een stuk gemakkelijker is dan in sommige andere landen. Het zou wel loslopen, qua eventuele ellende. Het duurde even voor we in de gaten hadden dat we in de echte wereld van dreiging en terreur waren beland.

Bij mij viel het kwartje na een tv-interview in die eerste dagen van wat de affaire-Rushdie is gaan heten. Met je kop op tv (wij schrijven 1989), en dat als betrokken bij de verdediging van het Vrije Woord, wie wil dat niet, in de uitgeverij? Het interview zou in de vooravond bij mij thuis worden opgenomen en nog diezelfde dag uitgezonden. Ik had maar een paar uur voorbereiding dus ik zat met een rooie kop kruiselings The Satanic Verses te lezen, had ik nog niet gedaan, toen ik Gerard Reve aan de lijn kreeg. Over Reve heel veel meer, maar ik volsta hier met de constatering dat hij een even slecht telefoneerder als onnavolgbaar schrijver is. Tot het weinige dat hem echt interesseerde was wat Reve er zelf van vond en dat zeer uitgemeten. De telefoon neerleggen, je tanden poetsen, even kijken of er nog iets op het nieuws is, en dan de hoorn oppakken en `O ja, Gerard?' zeggen, behoorde tot de mogelijkheden. Toen ik vertelde dat ik straks geïnterviewd zou worden, drukte hij me op het hart een exemplaar van zijn laatste boek op een zichtbare plaats neer te leggen om daarna, hij had het boek ook nog niet gelezen, uit te leggen dat een en ander te wijten was aan een stijl- en structuurfout. Het deel van het boek waar het  meeste om te doen was, de droomscène in de Stad van Zand, zou niet in de structuur passen en dat gekoppeld aan het feit dat hier de sluizen van het purple prose waarlijk wijd open waren gezet. (Zo kun je Khomeiny ook zien als literair criticus, maar wel een strenge.) Ik heb die theorie later vaker horen verkondigen, ook door mijzelf.

Ik had het er in het interview redelijk vanaf gebracht, dacht ik, de verstandige uitgever met weliswaar begrip voor het recht op protest, maar dat verstandige moslims ook zouden inzien dat het Vrije Woord een groot goed is, dat alles wervend samengevat in een beschrijving van het boek en omstandigheden in pakweg 10 minuten. De redactie had echter de uitzending voor het dramatisch effect doorsneden met zeer gewelddadige beelden uit India, Pakistan en Engeland, die alle geruststellende woorden teniet deden. De volgende dag vroegen de buren of wij niet een tijdje elders moesten gaan logeren.

Mediacircus
Voor Nederland was het in de eerste week van februari 1989 begonnen.  Het mediacircus brak los toen Khomeiny zijn fatwa uitsprak. De beer was nu echt goed los. In India waren bij rellen vijf mensen om het leven waren gekomen. In Bradford, midden-Engeland,  dat een grote concentratie moslims (toen spraken we nog van mohammedanen) kende, werd al weken geprotesteerd  middels het demonstratief verbranden van het boek en een pop met het bordje Rushdie rond de nek. De grootyatollah had een stem gegeven aan de islamitische minderheden, soennieten en sjiieten, in vrijwel het gehele Westen. Waarschijnlijk was zijn uitspraak voor intern gebruik bedoeld, want in het theocratisch geregeerde Iran begon hier en daar schuchter verzet tegen het regime vorm te krijgen, maar de impact op de westerse wereld was groot.

De fatwa kwam binnen toen Rushdie net in een tv-programma zat, waarna paniek uitbrak en Rushdie onderdook. Alras werd duidelijk dat Khomeiny beet had. In snel tempo volgden de ontwikkelingen elkaar op. Het boek werd in alle islamitische landen verboden, uitgevers en boekhandelaren in het Westen werden bedreigd. Rushdie kreeg te horen dat als hij excuses maakte, de fatwa zou worden opgeheven. Rushdie maakte excuses. De fatwa werd niet opgeheven, integendeel, er werd nog een schepje bovenop gedaan.

Ook in Nederland werd bij de eerste demonstratie een boek verbrand, niet een exemplaar van Satanic Verses, maar een product van huisvlijt. Een boek was overgeplakt met een wit omslag en daarop in blauwe letters, geknipt uit zelfklevend materiaal, de titel van het boek, precies dezelfde wijze waarop ik in mijn jonge jaren een stukgelezen pocket, een van de weinige boeken in mijn bezit, probeerde te restaureren. Het schept toch een band.

Veel zorgen maakten wij ons op dat moment nog niet. Rushdie was al lang omstreden, zijn boeken waren in Pakistan verboden en mevrouw Ghandi, het  staatshoofd van India, had een hekel aan hem, en nog wel een paar meer. Sympathie had hij niet verworven in het internationale uitgeverswereldje toen hij met De Duivelsverzen  zijn trouwe uitgever Liz Calder en agent* Deborah Rogers verliet. Deborah, vertegenwoordigd voor het buitenland door Ann Warnford-Davis, was een nette agent die zich bekommerde waar een boek of vertaling terechtkwam, ze keek niet alleen naar het voorschot*.

Rushdie was overgestapt naar een Newyorkse beurzensnijder, Andrew Wiley, die zich in korte tijd een reputatie had verworven als een van de hardste geldschrapers in die stad waar het agentendom toch al niet uitmunt in loyaliteit, collegiale verhoudingen en cultureel besef. Wiley beroemde zich erop dat als een voorschot werd terugverdiend door de uitgever, dus dat er meer royalty's betaald werden dan de hoogte van het voorschot, hij zijn werk niet goed had gedaan. Voor De Duivelsverzen ving hij van Penguin/Viking 850.000 pond voorschot.

Dit alles doet niet terzake, het gaat uiteindelijk om het boek, maar ik heb in New York medewerkers van Viking, de inmiddels niet meer zo trotse nieuwe uitgever van Salmans boek, Rushdie en zijn Duivelsverzen hartgrondig horen vervloeken na de 33ste bommelding waardoor men soms drie keer op een dag het pand moest verlaten. Ook dit doet niet terzake, evenals het feit dat Viking/Penguin in het boekjaar 88-89 zo'n 2 1/2 miljoen pond verlies boekte, onder andere doordat in een aantal landen alle uitgaven van Viking werden verboden. Het gaat om het boek.

Biedingenstrijd
Nadat Rushdie met Middernachtskinderen in 1981 de Bookerprize had gewonnen, in die tijd een bijzonder invloedrijke prijs waarvan zelfs de genomineerden zich in de belangstelling van buitenlandse uitgevers mochten verheugen, ontstond er een biedingenstrijd in Nederland voor de vertaalrechten. Ik weet niet meer of wij ons meteen al in de strijd voor de vertaalrechten hebben geworpen, die werd gewonnen door Bruna, hetgeen toentertijd niet het meest voor de hand liggende huis was voor een dergelijk boek. Dat bleek toen we benaderd werden door de vertaalster, Carla van Splunteren, zelden een zwijgzamer vrouw ontmoet, die ons voorstelde het boek over te nemen, hetgeen op merkwaardig weinig weerstand van uitgeverij Bruna stuitte. De vertaling was behoorlijk vertraagd en alle positieve aandacht voor de winnaar van de Bookerprize vrijwel vervaagd. Bovendien, het was geen gemakkelijk boek, zowel wat Rushdies stijl betreft als het onderwerp, het verre Oosten. Frank van der Stadt, toen redacteur van o.a. het heropgerichte Veen, was al enthousiast over de schrijver, en toen de mogelijkheid zich voordeed, was dat juist op het moment toen we bezig waren Veen Uitgevers hoger in de markt te zetten. Rushdie paste daar zeker in. De verkopen zouden weliswaar niet indrukwekkend zijn, maar met hem hadden we een belangrijk schrijver aan boord wiens reputatie alleen maar groeide.
Ongeveer een jaar na het verschijnen van de vertaling van de Satanic Verses, Veen was de eerste die de vertaling uitbracht,  hield ik een voordracht op de jaarlijkse conferentie van jonge vakgenoten, op voorwaarde dat er niets in de pers kwam, ja, ja. Ik probeerde uit te leggen, 1990, waarom het nu ging.

Wat was het probleem? In het kort komt het hier op neer. In de Islam is de Koran letterlijk heilig. Zo letterlijk dat de tekst alleen maar in het Arabisch geschreven en het liefst nog gereciteerd mag worden. De Koran komt rechtstreeks van God en anders dan in het christendom waar de boodschappers door God geïnspireerd zijn, ligt de Koran voor eeuwig vast. Twijfel is niet mogelijk, en dat geldt voor vrijwel alle stromingen binnen de Islam. Rushdie noemde Mohammed Mahoun, een middeleeuwse westerse scheldnaam, hij liet hem de verzen, de duivelsverzen, eerst opnemen in de Koran, op verzoek van de kooplieden van Mekka, die hun negotie in godinnenbeeldjes bedreigd zagen door de monotheïstische islam. Later werden ze weer geschrapt. Tel daarbij op dat de secretaris van Mohammed op eigen gezag verzen toevoegde en dat de hoeren in het plaatselijke bordeel de namen van de vrouwen van Mohammed aannamen ter verhoging van de omzet.

Van dit alles waren we ons nauwelijks bewust. Wat weet de gemiddelde Nederlander van de Islam anders dan dat vijf keer per dag vanaf de minaret de oren van je kop worden geblèrd en dat de 300.000 islamieten zo'n kleurrijke toevoeging zijn aan onze multiculturele samenleving. Goed, er zijn weleens wat problemen over de rol van de vrouw, maar we moeten respect hebben voor elkaars religieuze opvattingen en die scherpe kantjes, die slijten wel, dachten we. Rushdie heeft ons geconfronteerd met de diepte van de kloof die gaapt tussen de Westerse culturele opvattingen en die van de Islam t.a.v. God, religie en de vrijheid van het woord.

Ondanks het geschutter van de politiek, de minister van justitie Korthals Altes zou onderzoeken of het boek verboden kon worden, dat zou hij toch niet doen, of nog niet zolang de vertaling niet was verschenen, de minister van Financiën Ruding vond het een `waardeloos boek', ontstond zowel bij WK, de eigenaren van Veen Uitgevers, als bij onszelf de behoefte aan advies over de ernst van de bedreigingen die nu ook in Nederland doordrongen. Een en ander culmineerde in een overleg op het ministerie van Binnenlandse zaken alwaar een lid van de concerndirectie van WK, Pieter Zuiderveld, en ik werden ontvangen in een vergaderkamer ingericht in een stijl, het zal wel origineel zijn geweest, met laatgotisch gebeeldhouwd meubilair waarvan Gerrit Komrij eens opmerkte kijkend naar een televisiereportage van bewoners die have en goed uit een brandend huis trachtten te redden, dat het beter ware geweest indien men dat meubilair het brandend huis ín had gedragen. Er hing wel een mooi schilderij uit de Haagse school.

We werden begeleid door een voorlichter die zich luid mompelend afvroeg of de hoge ambtenaar met wie wij straks zouden spreken, in de stoel van de minister zou gaan zitten, en ja hoor, de hoge ambtenaar ging in de stoel van de minister zitten. Van het overleg  zelf herinner ik me dat de man van Binnenlandse zaken, een wat oudere corpsbal, wist te vertellen dat al dat gedreig met moord en doodslag ook wel beschouwd kon worden als een stijlboog, niet ongebruikelijk in het Midden- en wat verdere Oosten. (De literaire critici zijn overal.) Maar ja, je wist maar nooit. Verbazend was wel dat ik, wegrijdend van het gesprek een woordvoerder van het ministerie op de radio hoorde zeggen dat de uitgever had verklaard dat de verantwoordelijkheid voor de publicatie van De Duivelsverzen geheel en al bij hem lag. Ik kon me niet herinneren dat we het daar over hadden gehad.

Veiligheid
De contacten met wat zich `medewerkers van Binnenlandse zaken' noemde en daarna met de politie, betroffen nuttige aanwijzingen om onze veiligheid te borgen.  Zo was het verstandig de dagelijkse route naar kantoor te variëren, hetgeen lastig is als je in een moderne woonwijk met één toegangsweg woont. Behalve het dichthouden van de buitendeur dienden wij ons voornamelijk te wapenen tegen bombrieven die zeer in de mode waren. Hoe beschermt men zich tegen bombrieven; daarvoor waren er grosso modo twee middelen, een apparaat dat signaleert of er metalen delen in een brief of pakje zitten en zo een mogelijke bom detecteert, een bombriefdetectieapparaat dus dat helaas in geheel Nederland niet voorhanden was. Niet bij een van de ministeries, niet bij de BVD, niet bij Tante Post. Wel wist men een adres in het buitenland waar zulks te bekomen was, ad Dfl. 22.000,- , een half jaarinkomen. Tevens konden we daar een spuitbus aanschaffen die papier enigszins doorzichtig maakte zodat je ... ja wat? Het kostte in ieder geval Dfl.35,- per bus die wij met vijf tegelijk mochten af te nemen. Bij Viking in de VS hadden ze een snuffelhond, ook niet goedkoop.

Als het apparaat iets signaleerde, diende ik als eindverantwoordelijke me ervan te overtuigen dat een brief of pakket voor nader onderzoek naar de betreffende instanties moest. Nu reageerde het apparaat al op nietjes die door een drukproef waren geslagen, zodat er al gauw een routine ontstond waarbij ik beoordeelde of iets geopend kon worden en wel door mijzelf. Ik opende het verdachte pakje of brief, staande achter de deur van de postkamer, hetgeen me na de zoveelste keer allengs cynisch commentaar opleverde van mijn lieve collega's op de gang: `Kijk Ma, zonder handen', `dat wordt straks spraakles, De Groot.' Het  droeg niet bij aan het gevoel van veiligheid, evenals de groeiende  twijfel aan de professionaliteit van verschillende overheidsdiensten.

Blijkbaar hadden we tijdens het overleg op het ministerie beloofd te gaan praten met islamitische organisaties, het schiep enige rust over onze rol als Nederlandse uitgever, dus hebben dat in het persbericht er maar ingehouden. Voor zover mij bekend bestonden islamitische organisaties voornamelijk uit Abdelwahid van Bommel die inmiddels tot islamitisch talking head  was gepromoveerd. Ik heb nooit met hem of ook maar iemand uit islamitische kringen gesproken, blijkbaar had me ook weinig behoefte aan een dergelijk gesprek.

Niet van de straat
Veen Uitgevers was deel van het Wolters-Kluwerconcern. Kluwer, en later Wolters Kluwer, hield decentralisatie en eigenstandigheid van de bedrijven hoog in het vaandel. Hoewel de algemene uitgeverijen, die ik vertegenwoordigde, ongeveer 2 procent van de omzet uitmaakte, had de concernleiding van WK, in tegenstelling tot alle andere concerns, nog geen afscheid van de publieksmarkt genomen. Daar waren weinig dringende redenen toe, we deden het heel behoorlijk, zelfs in een krimpende markt, de poen klotste sowieso tegen de plinten van het hoofdkantoor op, en zoals ik het eens verduidelijkte aan een journalist: het was best leuk als je als concerndirecteur of -medewerker op partijtjes dankzij de algemene uitgeverijen, die regelmatig met hun boeken in het nieuws waren, kon laten merken dat je als bedrijf ook niet van de straat kwam.

Zelf was ik steeds meer in de rol van het management terechtgekomen, daarbij door mijn mede-uitgevers geholpen op dezelfde wijze waarop ik ooit in de brugklas tijdens het eerste dansavondje in de gymnastiekzaal door oudere leerlingen over de onzichtbare streep werd geduwd  die de jongens aan de linkerkant en de meisjes ter rechterzijde, scheidde. Als er een schaap over de dam is ... Ooit heb ik in de tekst van een interview voor het huisblad de betiteling amateur-manager geschrapt. Daar heb ik spijt van, professional heb ik me nooit gevoeld. Wel bracht ik een paar vaardigheden mee die mij en de uitgeverijen zeer te stade zijn gekomen; ik kan goed uit mijn hoofd rekenen en, omdat mijn gehele beroepsleven in grote uitgeeforganisaties is doorgebracht, heb ik een zekere handigheid ontwikkeld in het bewegen in grotere organisaties, zodat mijn collega's het contact met het hogere echelon dan ook graag aan mij overlieten. Maar daarover elders meer.

Ik rapporteerde aan RvB-lid Pieter Zuiderveld met wie ik me op het ministerie van Binnenlandse zaken had vervoegd. De officiële lijn van WK naar pers en buitenwacht was dat uitgave van De Duivelsverzen een zaak van Veen Uitgevers was. We hadden afgesproken dat we verder radiostilte zouden betrachten nadat we hadden verklaard dat `we het boek zouden laten verschijnen, tenzij omstandigheden ons zouden nopen tot een ander besluit'. Welke die omstandigheden waren wisten we niet. Het was overigens wel raar om de media, onze natuurlijke vrienden en voor uitgevers van het grootste belang, voortdurend `geen commentaar' voor te houden. Helemaal gelukt is het ook niet af en toe druppelde wat door.

Vrijwel alle medewerkers van de uitgeverijen spraken bij monde van de ondernemingsraad, ondersteund door een handtekeningenlijst (Liedeke), uit dat men het `van het allerhoogste belang achtte dat De Duivelsverzen bij Veen zou verschijnen'. We waren inmiddels deels van onze naïviteit bekomen, hoe theoretisch ook, als medewerkers van de uitgeverij liepen we risico.

Enkele uitgeverijen boden aan om als mede-uitgever op te treden, de meeste uit ideële motieven. Ook de uitgeversbond bood aan, zoals o.a. in Frankrijk gebeurde, een co-uitgeverschap te organiseren. Die mogelijkheid hebben we achter de hand gehouden. Inmiddels waren door de vermeende onduidelijkheid over onze bedoelingen, de toezegging met moslimorganisaties te gaan praten, de scherpe kantjes van het protest wat afgesleten. De Maastrichtse advocaat Moszkowiscz (de vader van, maar dan in het bezit van wat meer medeklinkers) was door een islamitische koepel, er waren er meer, ingehuurd om de mogelijkheden van een verbod te onderzoeken. Het inmiddels opgerichte Art. 31, in Nederland zeer gesteund door Adriaan van Dis, verzamelde internationale steun voor Rushdie. Vertegenwoordigers uit vrijwel alle islamorganisaties namen afstand van de fanatici en de vertaling raakte uit de schijnwerpers van de publiciteit.

Collectieve actie
Met een collectieve actie zouden we alle controle uit handen geven, en volgens onze informanten, die misschien ook de zaak liever in een hand zagen, zou het ook niet veel verschil maken. Daar komt nog bij, niets menselijks is ons vreemd, ijdelheid en uitgeversgeilheid spelen toch een rol, we wilden het liever zelf doen. Een mogelijkheid was geweest, zoals in Spanje gebeurde, dat het boek onder auspiciën van het ministerie van Cultuur zou zijn verschenen. Het ministerie zweeg.
In aanloop naar de verschijning werd er in de media veel gediscussieerd, veel onzin, af en toe iets verstandigs. Een van de pijnlijkste demonstraties was een actie van Vrij Nederland waarbij een aantal Nederlandstalige schrijvers openbare brieven aan de ondergedoken Rushdie schreef. Een misrekening van VN omdat de indruk die je overhield `dat Rushdie het wel moeilijk mocht hebben op zijn onderduikadres, maar dat opgroeien in het zwaar gereformeerde Tytsjerksteradiel ook geen lolletje was'. Het dreigement om ze te laten vertalen en aan Rushdie te sturen, hebben ze bij mijn weten nooit uitgevoerd.

Vier jaar later  zal een consultant aan Rushdie schrijven: `... in opdracht van X (voedselfabrikant) met wat u zeker een boeiend voorstel zult vinden. X  zoekt een televisiepersoonlijkheid om zijn nieuwe gourmet-, cholesterolvrije kalkoenenvlees te promoten die in de lente van 1994 in de VS wordt geïntroduceerd.
Na uitgebreide consultatie met de imagocoördinatoren van X  is vastgesteld dat uw voortdurende confrontatie met de doodsdreiging meer dan iets anders het gevaar van buitensporig cholesterol  overbrengt, waarmee  X  de consument wil confronteren. We hebben besloten dat u de natuurlijke keuze bent om hun producten op televisie te vertegenwoordigen.'

Het ministerie van Cultuur vervulde tijdens de hele aanloop naar de verschijning van het boek een sterke, zwijgende rol, slechts doorbroken op de dag van publicatie, het was inmiddels verkiezingstijd, met een verklaring voor de radio dat men hoopte `dat er geen ellende van kwam'.

Qua management ben ik een aanhanger van de School van het Wuivend Riet. De een staart naar een spreadsheet, ik let op de beweging van het riet, misschien wat minder exact, maar je ziet uit welke hoek en hoe krachtig de wind waait. In de loop van juli/augustus ving ik signalen op dat de discussie in het hogere echelon van WK toch behoorlijk heftig was. Het gemor elders in het concern begon toe te nemen toen de Rushdie-affaire de business begon te schaden; zo kwam een grote deal met Arabische en Egyptische religieuze organisaties in gevaar. Een van de bedrijven had het zg. sonoboek ontwikkeld, een mix van boek en geluidsfragmenten die middels een afspeelapparaatje, een mini-platenspeler, geplaatst op speciaal geprepareerde kunststofpagina's, ten gehore konden worden gebracht. De onderhandelingen om de gehele Koran als sonoboek te maken paste precies in de opvatting dat de Koran eigenlijk alleen gereciteerd in het Arabisch verveelvoudigd mag worden. Het ging om tienduizenden peperdure exemplaren.

Geruchten
Hoewel ik in dat stadium niets van de concernleiding had gehoord over een mogelijke wijziging van standpunt, leken de geruchten zo ernstig dat ik uit voorzorg op 15 augustus, twee weken voor verschijning en vlak voor het nader overleg waartoe ik door de concernleiding was opgeroepen, de uitgaverechten heb overgedragen, als statutair directeur was ik daartoe gerechtigd, aan een Stichting zonder winstoogmerk ter bevordering van de vertaling van de  Satanic Verses, onder voorzitterschap van Netty, om het zekere voor het onzekere te nemen en straks een sterk argument te hebben, mocht er druk ontstaan. Ik voelde me behoorlijk zeker van mijn zaak, bij een conflict kon ik rekenen op de unanieme steun van de medewerkers, ongetwijfeld ook van onze auteurs, laat staan van de publieke opinie. De gedachte aan een zelfstandig bestaan van de Veen Uitgevers Groep, zoals we onszelf inmiddels noemden, is na de fusie tussen Kluwer en Wolters, afgedreigd door een vijandige overname door Pierre Vinken* en zijn Elsevier, nooit ver weg geweest. Als die was doorgegaan, de overname door Elsevier, waren we zeer waarschijnlijk al snel bij deur gezet, de consequentie van Vinkens strategie om steeds hoger in de informatiepiramide actief te zijn en daar horen publieksactiviteiten bepaald niet toe.

Inmiddels waren er verschillende aanslagen geweest, op de Italiaanse vertaler, de Japanse vertaler moest het met de dood bekopen, later dat jaar volgde een aanslag op de Noorse uitgever en een jaar later kwam de Turkse uitgever om bij een aangestoken brand. Ondanks dat was het in Nederland betrekkelijk rustig gebleven. Weliswaar zouden de Nederlandse vertaalster, Marijke Emeis, en ik onder zeker verhoogd toezicht van de politie staan, maar ik heb daar nooit iets van gemerkt, behalve dat ik een klein jaar later werd gebeld door iemand van slachtofferhulp of ik `erover wilde praten'.

Indachtig de afspraak dat we het boek zouden uitgeven, tenzij omstandigheden etc. , taxeerde ik de situatie dusdanig qua dreiging en risico dat we door konden gaan. Zelf ben ik ook geëindigd als lid van de Raad van Bestuur van een mediabedrijf. Ik denk dat ik als zodanig toentertijd een stuk minder blij met het boek was geweest dan uw scribent in 1989, die zich niet veel gelegen heeft laten liggen aan het argument van de verantwoordelijkheid voor een veel groter geheel. Daar kwam bij dat WK erin geslaagd was de connectie met Veen zo ver mogelijk van zich te houden, ja, welhaast non-existent. Optellend en aftrekkend zouden we bij ons voornemen blijven. Toch ging ik niet gerust naar de bijeenkomst, een hoop gedoe en ellende, daar zat ik op dat moment ook niet op te wachten, ik had nog wat anders aan mijn kop.

De bijeenkomst was in het Hilton in Amsterdam, waar later Bruinsma*, de Dominee, zou worden doodgeschoten en nog later Herman Brood van de 10de verdieping sprong. Ik zou in de bar wachten, een duister hol dat zijn gefluisterde reputatie als waterplaats van de Amsterdamse hele en halve misdaad in ieder geval niet bestreed door enige verlichting, zodat je er wel geweest, maar toch niet gezien kon zijn. Het duurde langer dan verwacht en ik was inmiddels behoorlijk nerveus, totdat als eerste RvB-lid Cor Brakel*  uit het achterafzaaltje naar buiten kwam en me in het passeren sotto voce toevoegde: `Laat je niet lompen, Bert'.  Het gesprek moet als een soort test bedoeld zijn, bedenk ik me achteraf,  men wilde nagaan of ik voldoende gezond verstand had om het zaakje zo geruisloos mogelijk door de komende kladderadatsj te loodsen. Nu dat had ik.

We waren reuze tactisch bezig geweest, we zouden het boek op 1 september laten verschijnen, een maand voor de aangekondigde datum. Bovendien was het verkiezingstijd, zodat de aandacht van de media, was onze inschatting, kort zou zijn. Een misrekening, het waren zowat de saaiste verkiezingen van de laatste honderd jaar. Moszkowicz  noemde het vervroegd verschijnen van De Duivelsverzen `achterbaks van de uitgever'. Drie leuke scholieren belden met een  grootwarenhuis waarna warenhuizen publiekelijk weigerden het boek te verkopen. Dat in tegenstelling tot een boekhandelaar uit het oosten des lands die me toevertrouwde dat hij het boek wel in de etalage had gezet, maar niet in het deel met de dure gebogen ruit. Velen waren huiverig en verkochten het boek liefst onder de toonbank, sommige uitleenbibliotheken namen het boek niet in de openbare collectie op. Gelachen hebben we ook, toen we de vertegenwoordiger van een grote boekhandelsketen er bijna van overtuigd hadden op zijn bestsellerlijst de eerste plaats (de eerste druk bedroeg 70.000 exemplaren) leeg te laten.

Vijfentwintig jaar later
We zijn bijna vijfentwintig jaar verder, Rushdie beweegt zich thans vrij, of redelijk vrij, door New York. We leven in een maatschappij die een drastische wijziging heeft ondergaan. Als u uw schoenen op Schiphol moet uittrekken, pleeg ik te zeggen, denk dan even aan Rushdie. Niet dat ik durf te beweren dat De Duivelsverzen de oorzaak van het fundamentalistische terrorisme zou zijn, maar het heeft zeker mede de scheiding in het denken over vele waarden teweeggebracht gebracht, voor en na De Duivelsverzen, Sommigen, en ook Rushdie, hebben daarvoor een hoge prijs moeten betalen. In Nederland zijn we er goed vanaf gekomen.

Alsof de duvel ermee speelt, nu deze week zijn biografie is verschenen, lijken de gebeurtenissen van 25 jaar geleden zich te herhalen. Na de Deense spotprent zijn er nu de filmfragmenten op YouTube. Het patroon is vrijwel identiek: de protesten van kleine groepjes fundamentalisten in het nabije en verre Oosten domineren het nieuws.  Na de Arabische lente lijken de stemmen van de fundamentalistische en antiwesterse stromingen steeds luider geworden. Moord en doodslag is het gevolg.

Ik heb Rushdie een keer of zeven ontmoet, bijna altijd onder bijzondere omstandigheden, vrijwel altijd onder bewaking, op van tevoren niet bekend gemaakte plekken waarheen je in geblindeerde auto's werd vervoerd. Altijd waren het bijeenkomsten in aanwezigheid van hoogwaardigheidsbekleders, burgermeesters, ministers, politici, soms Nederlandse auteurs en wat later BN`ers zou gaan heten. Veel gelegenheid om elkaar daarbij te spreken was er niet, je staat op zo'n bijeenkomst, je wilt wat gedachten wisselen,  maar plots staat er een Hooggeplaatst persoon tussen jou en de schrijver (ik beschouw me dan ook als Nederlands meest door Autoriteiten terzijde gedrongen persoon, vooral Jo Ritzen herinner ik me, met zijn scherpe ellebogen.)

De laatste keer was bij de opening van de Boekenweek in 2001 toen Rushdie eregast was op het boekenbal. Alles en iedereen was opgetrommeld, een uniek moment in de geschiedenis, de eerste buitenlandse auteur die het Boekenweekgeschenk mocht schrijven en dan nog wel Salman Rushdie, de ondergedoken en bedreigde schrijver, slachtoffer van de fundamentalisten. Dapper van de CPNB die de Boekenweek organiseert. De gehele wereldpers was aanwezig. Het zou toch óók een beetje mijn moment zijn; indachtig de afspraken waren we zeer terughoudend gebleven in onze uitlatingen over Rushdie en De Duivelsverzen. Op de barricaden hebt u mij niet getroffen. (Ik heb wel eens de vraag gekregen of de uitgeverij ook ondergedoken was.)  Daar zou de bedreigde Auteur en zijn ravissante vriendin Pan de batterij fotografen tegemoet treden om voor de eeuwigheid te worden vastgelegd. Er ontstond enige rumoer onder de fotografen die ik maar niet begreep totdat mijn echtgenote mij toesiste dat wij ons voor het echte plaatje uit het beeld moesten verwijderen. Trouw heeft juist dat moment in de krant afgebeeld, op de voorpagina.

Ik vrees dat ook onze eerste ontmoeting weinig gelegenheid bood tot het ontwikkelen van een warme relatie. Het is in het midden van de jaren tachtig. Ik sta met Rushdie in een Amsterdams café, een café met meer dan 100 bieren - in de uitgeverij drinkt men wijn; waarschijnlijk hebben we met een groter gezelschap gedineerd en zijn we met zijn tweeën overgebleven, de anderen kenden Rushdie misschien al. We hebben iets te veel gedronken en vaag herinner ik me dat ik sta te oreren, daarna nooit meer gedaan, dat in de literatuur vervreemding en ontworteling niet voorbehouden zijn aan immigranten, maar zulks niet nadat we tegen elkaar hebben opgesneden dat een `big city boy', hij uit Bombay, ik uit Rotterdam, in elke stad in de wereld zijn weg kan vinden. Misschien om dat te demonstreren begint hij, ik heb er geen ander woord voor, to talk up twee blonde dames, ik schat begin dertig, die wat verbaasd reageren. Niet alleen omdat ze lesbisch zijn, zoals bleek nadat enige misverstanden opgehelderd waren, maar vooral omdat ze dachten dat Rushdie `een rabbi was of zoiets'. Het is denk ik de enige keer dat ik Rushdie echt heb zien lachen. Schaapachtig, dat wel.

In mijn werkkamer hangen nog steeds het billboard van de Evening Standard en de foto van de eerste demonstratie in Nederland. Ik heb de neiging om de volgorde, eerst het billboard en dan de foto van de twee demonstrantjes, te wijzigen tot op heden weten te weerstaan.

Bert de Groot werkte bijna 50 jaar in de uitgeverij. Ten tijde van de Rushdie-affaire was hij directeur van Veen Uitgevers waar Rushdies boeken verschenen. Hij werkt aan een boek over zijn ervaringen in de uitgeverij. Dit is een excerpt daarvan.