De 14-jarige Rimsha Masih wordt naar een helikopter gebracht na haar voorwaardelijke vrijlating.
De 14-jarige Rimsha Masih wordt naar een helikopter gebracht na haar voorwaardelijke vrijlating. © REUTERS

Een wettelijk wapen tegen minderheden

Als het gaat over wetten tegen godslastering en haatzaaien denken we in Nederland vaak automatisch aan minderheden. Voorstanders van die wetten betogen dat kwetsbare groeperingen beschermd moeten worden, ook als dat een beperking van de vrijheid van meningsuiting betekent. Beschermd tegen bijvoorbeeld mensen als Geert Wilders, die werd aangeklaagd wegens haatzaaien en discriminatie.

In de rest van de wereld is het vaak precies andersom: meestal worden blasfemiewetten juist ingezet tegen die kwetsbare minderheden. Het meest recente voorbeeld is het christelijke meisje Rimsha Masih (14), dat werd opgepakt omdat ze pagina's uit de koran zou hebben verbrand. Zij is inmiddels weer op borgtocht vrij. Het lijkt erop dat niet zij de koran vernielde, maar een imam die christenen in een kwaad daglicht wilde stellen. De meerderheid gebruikt de wet om de minderheid te onderdrukken.

De Amerikaanse auteur Austin Dacey legt zaterdag in Vonk dat die wetten zijn ontstaan in de koloniale tijd. De Britse overheersers in India maakten keuzes die de vrijheid van meningsuiting verregaand inperkten uit angst voor geweld tussen christenen, moslims en hindoes. Die beslissingen hebben ook nu nog grote consequenties op blasfemiezaken, in  India, Bangladesh en vooral in Pakistan.

Filosoof Dacey is een schrijver en mensenrechtenactivist die zich vooral bezighoudt met secularisme, religie en vrijheid van meningsuiting. Eerder dit jaar verscheen zijn laatste boek: The Future of Blasphemy: Speaking of the Sacred in an Age of Human Rights. Toen betoogde hij in Trouw dat Nederland zich met een verbod op smalende godslastering niet houdt aan mensenrechtenverdragen, omdat er in het internationale recht geen recht bestaat om niet beledigd te worden.