PVV-leider Geert Wilders gaat op de foto met een voorbijganger tijdens een bezoek aan de markt van Spijkenissen in het kader van zijn 'verzetstour' tegen de plannen van het huidige kabinet.
PVV-leider Geert Wilders gaat op de foto met een voorbijganger tijdens een bezoek aan de markt van Spijkenissen in het kader van zijn 'verzetstour' tegen de plannen van het huidige kabinet. © ANP

'Populistische partijen vormen een correctie op het gedrag van de elite'

Dat het volk homogeen is lijkt mij onzin, dat het volk goed is lijkt me nog grotere onzin, maar dat de bestuurlijke elite de afgelopen twintig jaar vooral aan zijn eigen portemonnee gedacht heeft is een realistische gedachte, schrijft columnist Meindert Fennema.

 
Alleen op het punt van Europa zijn de meningen van het volk en die van de Tweede Kamerleden verder uit elkaar komen te liggen.

Gisteren is Matthijs Rooduijn cum laude gepromoveerd op een proefschrift waarin hij zich de vraag stelt of er in West-Europa sprake is van een populistische tijdgeest. Jean Marie Le Pen verwoordde het populisme als een van de eersten door in de jaren tachtig de vier belangrijkste politieke partijen in Frankrijk (Gaullisten, Liberalen, Socialisten  en Communisten) aan te duiden als 'de bende van vier', daarbij verwijzend naar de leiders van de culturele revolutie in China.

Wouter Bos is in zijn column (21 maart) van mening dat niet alleen SP, PVV en 50Plus populistische partijen zijn, maar dat ook het CDA dat dreigt te worden.

Op basis van nauwkeurig onderzoek komt Rooduijn tot de conclusie dat dat niet het geval is. Rooduijn gebruikt, terecht, een minimalistische definitie van populisme. Partijen zijn populistische naarmate zijn in hun ideologie het volk en centrale plaats toekennen (1) en zij ervan uit gaan dat het volk homogeen is (2). Populistische partijen stellen het volk dat goed is tegenover een politieke elite die slecht is en corrupt (3) en zij constateren dat de uitbuiting van het volk door de politieke elite het land in een ernstige politieke, economische en culturele crisis heeft gestort (4).

Populistische tijdgeest
Rooduijn laat in zijn dissertatie zien dat de gevestigde partijen in de afgelopen 20 jaar niet meegegaan zijn met het populisme zoals door hem gedefinieerd. Sterker nog de populistische partijen die electoraal succes boekten werden minder populistisch. Wel laat hij zien dat de debatten die gevoerd worden in de opiniepagina's van de kwaliteitskranten, maar ook die in de andere kranten populistischer geworden zijn. Dat is zijns inziens niet voldoende om van een populistische tijdgeest te spreken.

Men kan het succes van populistische partijen echter ook op een andere manier benaderen. Uit onderzoek van Loes Aaldering blijkt dat de opvattingen van het volk (en met name het lager opgeleide deel daarvan) en de beleidsopvattingen van de regeringspartijen juist op de twee speerpunten van de populistische partijen (immigratie/integratie, criminaliteit) aan het begin van de jaren negentig veel verder uiteen lagen dan in 2010. De grotere overeenstemming tussen de opvattingen van de regeringspartijen in de Tweede Kamer en die van het volk is ontstaan doordat de opvattingen van die Tweede Kamerleden inzake immigratie en criminaliteitsbestrijding in de loop van het afgelopen decennium dichter zijn komen te liggen bij de opvattingen van met name de lager opgeleiden. Zo bekeken heeft de opkomst van populistische partijen geleid tot een democratisering van de volksvertegenwoordiging.

Alleen op het punt van Europa zijn de meningen van het (lager opgeleide) volk en die van de (universitair opgeleide) Tweede Kamerleden verder uit elkaar komen te liggen. Wie de politieke discussies het laatste jaren gevolgd heeft kan zich echter voorstellen dat de opvattingen over Europa in de komende jaren ook dichter bij elkaar komen. Ook in de Tweede Kamer hoort men steeds meer eurosceptische geluiden.

Inkomensongelijkheid
Daarnaast is in laatste 20 jaar de inkomensongelijkheid in West-Europa toegenomen en daar hebben de bestuurders van semipublieke organisaties en van banken meer dan gemiddeld van geprofiteerd. Onder die bestuurders vinden we veel oud-politici.

Dat het volk homogeen is lijkt mij onzin, dat het volk goed is lijkt me nog grotere onzin, maar dat de bestuurlijke elite de afgelopen 20 jaar vooral aan zijn eigen portemonnee gedacht heeft is een realistische gedachte. Ook in die zin vormen de populistische partijen een correctie  op het gedrag van de elite. Geen wonder dat in Nederland, waar populistische partijen electoraal heel sterk zijn, toch niet meer dan 22 procent van de bevolking ontevreden is met het functioneren van de democratie.

Zie: Matthijs Rooduijn, A populist Zeitgeist? The impact of populism on parties, Media and the Public in Western Europe. Universiteit van Amsterdam

Meindert Fennema is emeritus hoogleraar politieke theorie. Hij schrijft iedere vrijdag een column voor Volkskrant.nl.