SP-leider Emile Roemer houdt een toespraak tijdens het congres van de Socialistische Partij in Den Bosch.
SP-leider Emile Roemer houdt een toespraak tijdens het congres van de Socialistische Partij in Den Bosch. © ANP

'Roemer zou iedere scheet inkomensafhankelijk willen maken. Maar is dat erg?'

Ongelijkheid is dé crisis van de 21ste eeuw. Daarom moeten minderbedeelden de kans krijgen hun vrijheden te benutten.

 
Voor dat provincialisme zullen ook wij rijke stinkerds een hoge prijs moeten gaan betalen

Roemer is een sympathieke vent, maar zijn financiële ideeën zijn doodeng, hoor ik regelmatig van mensen die er verstand van zeggen te hebben. Hij maakt iedere scheet inkomensafhankelijk: kindertoeslag, zorgpremie, hypotheekrenteaftrek, krentenbollen - met Roemer in het Torentje is het een kwestie van tijd voordat er een inkomensafhankelijke CO2-belasting komt voor iedere scheet die ons ontglipt.

En wat zal een verstokte maoïst als premier van B.V. Nederland wel niet betekenen voor ons glorieuze bedrijfsleven? Reken maar op een exodus van pientere zakenmannetjes die ons land zo welvarend hebben gemaakt. Want zoals iedereen weet die er verstand van zegt te hebben: je moet betalen voor kwaliteit. Is er geen duidelijk verband tussen de hoogte van bonussen en de kwaliteit van bestuur in de financiële en publieke sector?

Een negatief verband inderdaad. 'Zoveel kost een excellente topman nu eenmaal', is het refrein van het neoliberale dweilorkest. Maar inmiddels is wel duidelijk dat we helemaal niet te maken hebben met excellente figuren - integendeel. Berenschot concludeerde onlangs dat bonussen vaker worden gebruikt 'als bindmiddel om management te behouden dan als middel om te sturen op resultaat'. Dus wat die exodus van excellente minkukels betreft: opgeruimd staat netjes.

Maar goed, bonussen behoren natuurlijk tot de problemen van de oppervlakte en echte socialisten nemen met de oppervlakte geen genoegen. Nu iedereen het erover eens is dat het communisme 1.0 wat problemen had in de uitvoering, zoeken de verstokte maoïsten naar een nieuwe grens. Zelfs Roemer weet: ongelijkheid is geen kwaad op zich. In een samenleving waarin een dokter evenveel verdient als een vuilnisman, wil niemand leven (of beter gezegd: wil niemand ziek worden).

De vraag is dus: hoe ver kun je nivelleren voordat het zich tegen je gaat keren?

Om de belastingopbrengst te maximaliseren kunnen de toptarieven in ieder geval nog wel wat omhoog; volgens het Centraal Planbureau tot minstens 65 procent voor de hoogste inkomens. En belangrijker nog, er zijn uitstekende, puur rationele redenen om de grenzen van nivellering op te zoeken. Onderzoekers relateren ongelijkheid aan zo'n beetje alle vormen van ellende: moord, doodslag, lage levensverwachting, overgewicht, geestesziektes, tienerzwangerschappen, lage sociale mobiliteit, publiek wantrouwen, slecht onderwijs, drugs- en alcoholmisbruik, babysterfte, persoonlijke schulden, werkdruk en ongelukkigheid.

Zelfs het economische succes van landen is in hoge mate afhankelijk van de mate waarin armen mee profiteren van de groeiende welvaart. De landen met de kleinste inkomensongelijkheid, zoals Noorwegen, Australië en - jazeker - Nederland, scoren het best op de Human Development Index (HDI), zo'n beetje de beste maatstaf voor beschaving die we hebben.

Dat dingen samenvallen wijst lang niet altijd op een oorzakelijk verband. Bovenstaande problemen los je bovendien niet op door lukraak wat krentenbollen uit te delen, dat heeft het communisme 1.0 wel duidelijk gemaakt. Effectief nivelleren is vooral een kwestie van mensen de kans geven om hun vrijheden optimaal te benutten. Als je de nationale krentenbol eerlijker wilt verdelen, kun je minderbedeelden het best leren zelf een krentenbol te bakken. Inkomensafhankelijke krentenbollenbakcursussen dus.

Het lijkt erop dat ongelijkheid dé crisis van de eenentwintigste eeuw aan het worden is.

In 1950 was het rijkste land 33 keer zo rijk als het armste land, vijftig jaar later was dat 137 keer. De rijkste 10 procent van de wereldbevolking verdient bijna tweederde van het totale wereldinkomen. De ongelijkheid in vermogen is nog groter: in 2000 bezat 10 procent meer dan 85 procent van alle rijkdom. De drie rijkste mensen ter wereld hebben samen meer te makken dan de 48 armste landen bij elkaar. Ondertussen proberen 1,4 miljard mensen te overleven van minder dan 1,25 dollar per dag. Bijna de helft van de wereldbevolking moet het doen met minder dan 2,50 dollar per dag.

Ik weet ook wel dat globaal onrecht het niet zo goed doet in een land waar we ons meer zorgen maken over de precieze besteding van de 0,7 procent ontwikkelingshulp (of 0,2 procent, als het aan de VVD ligt), dan over de dikke 99 procent die we voor onszelf houden.

Geen nood: ook over ons eigen land mogen we ons zorgen maken. Na jaren van daling groeit de armoede weer. Akkoord, een Nederlander met een daklozenuitkering verdient tien keer het modale inkomen van de Afghaan. Maar zoals iedereen weet die op de basisschool minder Flippo's had dan modaal: de crux van armoede zit hem niet in het gebrek aan centen, maar in de sociale uitsluiting van armen - hoe rijk ze ook zijn. Dat is een immense bron van maatschappelijke ellende waar vervolgens ook de rijken onder lijden - hoe rijk ze ook zijn.

Nivelleren is beter voor iedereen; van die gedachte heb ik nog nooit een fatsoenlijke weerlegging gehoord. Juist in tijden van crisis moeten we ons dat goed realiseren, want crises hebben de neiging om te denivelleren. Toegegeven: Roemers socialisme functioneert alleen op nationaal niveau. Onze joviale oppersinterklaas heeft weinig oog voor de echte ongelijkheid in deze wereld: die van de wereld. Ook in tijden van globalisering blijkt dat de natiestaat de enige stevige basis voor solidariteit is. Maar voor dat provincialisme zullen ook wij rijke stinkerds een hoge prijs moeten gaan betalen - of het nu het uiteenvallen van de euro, de groeiende migratiedruk of de toename van het aantal brandhaarden in zogenaamde knoflooklanden en bananenrepublieken betreft.

Rutger Bregman is historicus en publicist.