Theaterrecensent Hein Janssen blikt terug: lessen van 30 jaar vóór de coulissen

Theaterrecensent Hein Janssen doet een stap terug

Theaterrecensent Hein Janssen doet een stapje terug. Dertig jaar lang bezocht hij zeker drie voorstellingen per week. Hij maakt de balans op: is hij van al die avonden in het donker een beter mens geworden?

Als je van theater houdt, en van schrijven, en je bij een krant wilt werken die het belangrijk vindt daar genoeg ruimte voor te maken, dan zit je bij de Volkskrant goed. Ik zit hier dus al dertig jaar goed. Drie, vier keer per week een voorstelling bezoeken - voor sommigen moet dat de hemel zijn, voor anderen overigens de hel. Voor mij was en is het werk en levensdoel ineen. Vanwege leeftijd en dat soort onweerlegbare zaken krijgt de Volkskrant vanaf 1 mei een nieuwe theaterredacteur. Gelukkig kan en mag ik door blijven schrijven, maar niettemin is dit een geschikt moment om even terug te blikken. Wat is nou het belang van een recensie? Voor wie schrijf je ze? En word je een beter mens van zoveel theater?

'Jij schrijft voor die huisarts in Groningen die vroeger in Amsterdam studeerde, destijds veel naar film en theater ging, daar nu geen tijd meer voor heeft, maar toch op de hoogte wil blijven.' Dat hield mijn eerste chef Kunst Michael Zeeman mij altijd voor. Recensies schrijf je niet voor degene die de voorstelling heeft gezien of die misschien nog wil gaan kijken. Ja, misschien ook wel een beetje, maar je schrijft ze vooral voor de in kunst en cultuur geïnteresseerde lezer. Bovendien: een goed geschreven, kritische recensie is een sieraad voor de kunstpagina's. Waarbij kritisch niet verward moet worden met zuur. Trouwens: wie tegenwoordig dagelijks de V van de Volkskrant openslaat, ziet daarin niets terug van de azijnbode van vroeger.

Jij schrijft voor die huisarts in Groningen die vroeger in Amsterdam studeerde

Recensies schrijf je ook niet voor de theatermaker zelf, het is geen rapport van: goed gedaan, jochie, of misschien moet je nog even terug naar het repetitielokaal. Die vergissing wordt weleens gemaakt. Theatermakers zien een recensie vaak als feedback voor hun verrichtingen, maar daar hebben ze als het goed is hun eigen dramaturgen voor in huis. Kortom: wij zijn geen belangenbehartigers van de theatersector, wij schrijven enkel en alleen voor de lezers van de krant.

Exotische reizen

De grote namen van nu waren de beginnende namen van toen

Wie bedenkt als jongetje van 10 nou dat-ie later recensent wil worden? Dat heeft Huub Stapel zich weleens hardop afgevraagd, alsof het een inferieur of oneerbaar beroep zou zijn. Maar soms kun je bij je volle verstand zomaar ineens een flink deel van je leven in het theater hebben gezeten, zonder dat je daar erg raar van bent geworden.

Een van mijn eerste recensies voor de Volkskrant was die van Mens. Een ding naar het gelijknamige gedicht van Majakovski. Regie: Albert Lubbers. Spel: Hans Dagelet. Grappig dat beide mannen nog volop actief zijn. Lubbers is al een aantal jaren artistiek leider van Suburbia in Almere; Dagelet zag ik pas geleden nog schitterend acteren in In Casablanca van Oostpool en Nationale Theater. Die man is in de loop der jaren alleen maar beter geworden en dat is mooi om te zien.

Eind januari kreeg ik van een paar vrienden ineens allerlei whats-appjes, rechtstreeks vanuit Londen. Met daarop foto's van Ivo van Hove die handtekeningen aan fans uitdeelde na afloop van de voorstelling Lazarus, die toen voor de allerlaatste keer werd gespeeld. Ivo van Hove, de wereldberoemde theatermaker, die als een ware popster zijn bewonderaars ontmoet. Nederlandse theaterregisseurs maken naam in de hele wereld. Niet alleen Van Hove en Johan Simons (hij vooral in Duitsland), maar ook minder bekende namen als Lotte van den Berg, Dries Verhoeven, Wunderbaum en Dood Paard spelen van Lissabon tot San Paolo.

Terugkijkend op dertig jaar schrijven voor de Volkskrant is die internationale doorbraak van het Nederlandse theater misschien wel het meest opvallend. Toen ik begon, was het ondenkbaar dat je voor een première van een Nederlandse regisseur zou moeten afreizen naar New York of München. Ja, we kwamen weleens in Antwerpen en Gent, want daar gebeurden eind jaren tachtig en begin jaren negentig allerlei spannende dingen. Maar verder: ho maar. Een reisje naar Groningen was al exotisch.

Op het laatst kon ik op de seconde af timen wanneer Marieke Heebink als rondborstige serveerster een schop tegen de jukebox gaf

Van Hove zelf heeft al vaker gezegd dat het gunstige kunst- en theaterklimaat in Nederland hem als Vlaams, eigenzinnig theatermaker alle kansen heeft geboden zich te ontwikkelen. Ook Johan Simons - onze andere nationale coryfee - is klein begonnen: in het Noord-Hollandse landschap waar hij met het Regiotheater en later Hollandia in autosloperijen, plantenkassen en sluiscomplexen Griekse tragedies en boerendrama's regisseerde. Uiteindelijk zijn beide mannen doorgestoten naar de grootste schouwburgen, operahuizen en festivals van de wereld. Met Tony Awards en Eredoctoraten op de schouw.

De grote namen van nu waren de beginnende namen van toen. Ik weet nog hoe verbijsterd ik was om op een houten bankje in een tuinderskas in Spaarnwoude een boerendrama van Hollandia te zien. Of de echte koeien die Ivo van Hove in Het begeren onder de olmen bij Het Zuidelijk Toneel op toneel zette. Later maakte Van Hove daar nog zoiets moois: De tramlijn die Verlangen heet met Chris Nietvelt als Blanche Dubois - over een leven in het donker en dan toch proberen een schittering te zien. Theu Boermans, die de Oostenrijkse bloed-pis-stront-en-schlagerdrama's van Werner Schwab naar Amsterdam haalde. Ik heb OVERGEWICHT, onbelangrijk: VORMELOOS wel vier keer gezien, op het laatst kon ik op de seconde af timen wanneer Marieke Heebink als rondborstige serveerster een schop tegen de jukebox gaf en Peter Maffay's Du klonk.

Belangrijk waren ook de jaren van Gerardjan Rijnders bij Toneelgroep Amsterdam. Zijn montagevoorstelling Ballet heeft een onuitwisbare indruk gemaakt, omdat het zo liefdevol over liefdeloosheid ging, of zo liefdeloos over de liefde. Jan Joris Lamers en zijn Maatschappij Discordia lieten mij dwars door het toneelrepertoire heen kijken. Erik Vos betoverde mij bij De Appel met zijn magische regie van Goldoni's Trilogie van het Zomerverblijf. De ongebreidelde passie en het mateloze talent van Dirk Tanghe in zijn Vlaamse jaren en later bij De Paardenkathedraal in Utrecht. Romeo en Julia, Midzomernachtsdroom, De Revisor - dat soort theater wordt niet meer gemaakt.

Achteraf bezien valt het op hoe belangrijk de Vlaamse golf voor het Nederlandse theater is geweest. Naast Van Hove en Tanghe werd en wordt er ook geweldig theater gemaakt door Guy Cassiers, Lucas Vandervost, Luk Perceval en Alain Platel. Hoe onderling verschillend ook, onze zuiderburen zijn zinnelijker en volkser dan het calvinistische en dramaturgisch verantwoorde, aangeharkte noorden. Ik werd verliefd op Wilde Lea (Perceval), dook onder in Allemaal Indiaan (Platel), raakte bedwelmd door Casanova (Vandervost) en onthutst door Angels in America (Cassiers).

Tsjechov

Word je daar nu een beter mens van, van al dat theater en al die avonden in het donker? Nee, niet beter of slechter dan je van nature bent, vermoed ik. Het houdt je wel van de straat en behoed je soms voor onverstandige dingen. Als je van huis uit tamelijk melancholisch bent ingesteld en je je soms afvraagt waarom alles anders loopt dan gehoopt, biedt Tsjechov uitkomst. Tsjechov, altijd Tsjechov ja, om hart en ziel te doorgronden. Het hoofd komt dan vanzelf wel.

'We zullen rust vinden! Wij zullen engelen horen, we zullen de hele hemel in diamanten zien, we zullen zien hoe al het aardse kwaad, al ons lijden zal wegzinken in de barmhartigheid die dan de wereld vervult, en ons leven wordt kalm, teder en zoet, als een liefkozing. Dat geloof ik, dat geloof ik.' Dat zegt het jonge meisje Sonja in Tsjechovs Oom Wanja tegen haar oom, als aan het eind van het stuk iedereen weg is en zij samen in eenzaamheid achterblijven. Meestal ga je als toeschouwer dan toch hoopvoller het theater uit dan dat je erin kwam.

Inherent aan terugblikken is vaak dat alles vroeger beter of mooier was. Maar het Nederlandse theater is vitaler dan ooit en zoekt voortdurend nieuwe vormen om het publiek te bereiken. Eerlijk gezegd zit ik niet zo heel erg meer te wachten op weer een nieuwe visie op Hedda Gabler (ze schiet zichzelf dood) of Hamlet (hij wordt gedood), hoe verrassend die soms ook kunnen zijn.

Nee, dan liever de rafelranden van de stad langs met de Wijksafari van Adelheid Roosen en haar ZINA, of ademloos toekijken in een bloedheet tentje op De Parade waarin Saman Amini in Samenloop van omstandigheden al rappend zijn vluchtelingengeschiedenis verbeeldt. Of met rode oortjes luisteren naar Nazmiye Oral en haar Turkse moeder die met de tijdgeest en elkaar in het reine proberen te komen. Of pas geleden nog in een oud schoolgebouw zien hoe Circus Treurdier in The night of the problems met de lichtheid van toneelstukjes uit de verkleedkist heel ernstige dingen beweerde. Over de aarde bijvoorbeeld die we met z'n allen aan het kapotmaken zijn. Je werd er wijzer van dan van een discussie over klimaatverandering in Buitenhof. Net zo goed als ik van moeder en dochter Oral meer heb geleerd over de valkuilen van de multiculturele samenleving dan van allerlei opiniestukken in de krant.

In het theater kun je ervaren dat de ziel een wijd land is, waarin allerlei gevoelens en emoties over elkaar heen buitelen. Liefdesverdriet, ouder worden, verlies, ziekte, de boot missen of domweg gelukkig zijn met een bosje anemonen.

Vijf marktante momenten uit het leven van een theaterredacteur

LAMPENKAP
De lampenkap-affaire. Klappen krijgen van een boze acteur (Carol van Herwijnen) die je opwacht na een uitzending van het tv-programma De Plantage waarin je hem hebt beledigd. Althans: je hekelde zijn kluchtig bedoelde act in een toneelstuk waarin hij met een lampenkap op zijn hoofd grappig probeerde te zijn. Een aantal acteurs vond dat leuk, anderen gelukkig niet.

DRIE ZUSJES ACHTERNA
In 2001 was het honderd jaar geleden dat Tsjechovs toneelstuk Drie Zusters in première ging. Ik reisde de zusjes achterna. Van Moskou, waar Tsjechov woonde en waar het stuk nog in vol ornaat wordt gespeeld, tot aan Jalta op de Krim waar zijn zomerhuis stond. Het vroor 20 graden, maar een mooiere theaterreis heb ik niet gemaakt.

WHO'S AFRAID?
Als er de afgelopen dertig jaar één toneelstuk een constante is geweest, is dat Edward Albee's Wie is er bang voor Virginia Woolf? Vanaf de eerste opvoering die ik zag (Het Publiekstheater, met Eric Schneider en Annet Nieuwenhuijzen) tot en met die van Carine Crutzen en Warre Borgmans pas geleden. Bij elke opvoering glinstert een nieuw facet van deze duistere diamant.

BUITENLANDSE AVONTUREN 
Neem de triomfen van het Nederlands Danstheater in Edinburgh. Of de keer dat ik Julie Andrews in haar kleedkamer in New York kaas en een kaasschaaf mocht aanbieden. Met het Holland Festival naar Wenen voor Elfriede Jelineks macabere Rechnitz (De Wurgengel). Judi Dench interviewen in Londen. Op bezoek bij Alvis Hermanis in Riga. Lazarus van David Bowie en Ivo van Hove in New York.

ACTRICES
Regisseur Gerardjan Rijnders heeft eens gezegd: 'Zet een oudere actrice op toneel en Hein Janssen vindt het mooi.' Een beetje gelijk had hij wel. In de tijd dat de Volkskrant nog zijn neus ophaalde voor vrije producties ging ik naar Spoken van Ibsen met Ellen Vogel in de hoofdrol. Prachtig. Later mocht ik haar thuis interviewen. Daarna volgden onder anderen Annet Nieuwenhuijzen, Kitty Courbois, Will van Kralingen, Sacha Bulthuis, Elsie de Brauw, Halina Reijn en Marlies Heuer. Ik vind actrices vaak leuk. Acteurs trouwens ook.