Adelheid Roosen.
Adelheid Roosen. © Guus Dubbelman / de Volkskrant

Adelheid Roosen: 'Hein Janssen, ben je genoeg door ons gedankt?'

Theaterredacteur Hein Janssen doet na dertig jaar recenseren en verslaggeving vanuit de coulissen een stap terug. Voor die gelegenheid stond theatermaker en actrice Adelheid Roosen namens de theaterwereld stil bij de confronterende relatie tussen de recensent en de speler. 'Ik heb de tiran in jou gezien, en jij die in mij.'

Een citaat van m'n favoriete doorlopende onderzoek, en hoe dit citaat te leven...

Parresia is een belangrijk begrip in het werk van Foucault en betekent zoiets als 'waarheidsspreken'. Foucault onderscheidt verschillende manieren van spreken, waarvan parresia voor hem het meeste aanzien heeft. Bij parresia moet dat wat wordt verkondigd niet alleen de persoonlijke mening van een persoon zijn, de persoon moet zich binden aan deze waarheid, dus het verplicht de spreker tot iets.

Daarnaast moet er sprake zijn van een zeker risico voor de spreker. Dit risico betreft de relatie die het subject heeft met degene tot wie het zich richt. Men moet in het spreken van de waarheid het risico aangaan, in het spel brengen en onder ogen zien dat men de ander kwetst, ergert, boos maakt en bij hem gedragingen uitlokt die in geweld kunnen overgaan. Het moet kortom de relatie zelf tussen de gespreksgenoten op het spel zetten. Het impliceert daarmee moed.

Want datgene wat het betoog mogelijk maakt, kan worden ondermijnd. Het vindt dus altijd plaats als een spel waarbij een soort pact gesloten wordt, waarin moed en acceptatie nodig zijn; en wel bij beide gespreksgenoten.

De relatie van een recensent en een speler beslaat eigenlijk dit experiment, realiseerde ik me. Het is een prachtige, gruwelijke, zeer confronterende relatie.

In alle jaren dat ik je ken, heb ik je dit, parresia, met hoge inzet, zien proberen, opnieuw proberen en zien doen. Ik heb je zien vechten en gedijen, ik heb je zien paaien en verraaien, ik heb je zien zegevieren en verliezen. En jij mij ook.

Ik heb de tiran in jou gezien, en jij die in mij

In al die jaren heb ik je zien veroveren, en beschouwen. Heb ik je zien eigenheinen, en verlustigen, heb ik je zien genieten, en imploderen.

En jij mij ook.
Ik heb de tiran in jou gezien, en jij die in mij
Ik heb de elf in jou gezien, en jij in mij

Ik heb je glorieus gezien. Hartstochtelijk. Schuilend. Gedeprimeerd.
En jij mij ook.
Verslagen, zag ik je soms, verloren naar buiten lopen op theaterterrassen, aarzelend, herstellend, ergens aansluiting zoekend, of toch geen aansluiting vindend, verdwijnend in de nacht.
En zo zag jij mij ook.

Ik heb je gezien met het bloed tussen je tanden, vergevend, zegenend en, ja, juichend. Juichend de wolken doorborend, met; dit! Ja dit... Ja dit. Dat je wel 35 duizend van die rotsterren extra had willen plaatsten naast je recensie. Omdat het je hierom ging, dat je in je stoel verpletterd werd van diep verdriet, pijnlijke schoonheid tot aanraakbaar geluk, en dat allemaal in die paar uur in die stoel in het theater. Omdat de relatie van de speler en de recensent, over deze zelfde liefde gaat.

Waar verblijft een recensent in het kunstenlandschap. Waar kun je wonen?

En ik heb je zien lijden. Om waar je hoort. En dit bedoel ik als vraag. Vanuit jouw perspectief. Als ik me verplaats in jouw perspectief; waar hoor je? Ik bedoel: waar kun jij verblijven. Waar verblijft een recensent in het kunstenlandschap. Waar kun je wonen? Wie laat jou toe, wezenlijk? Dat je daar hoort. Niet dat je wordt getolereerd maar dat je daar hoort. Dat parresia, de poging tot dit gesprek, hoort. Dat de opening tot dit gesprek, moet. Dat dit gesprek jankend en wel of juichend en wel gevoerd kan worden.

Wie laat jou toe zoals Foucault lijkt te bedoelen. En dat er onderscheid gemaakt kan worden tussen wraak en smaak. Dus wie zei: jij woont hier ook. Of metselde jijzelf je huis, naast het onze, en is er sprake van gedogen. Of was je welkom, sowieso.

Ik verbaasde me toen ik Foucault herlas, hoe dit op ons van toepassing is. Want we wonen in hetzelfde landschap. Inclusief ons mogelijk dodelijk saaie spel, inclusief jouw mogelijk dodelijke pen. Dus nogmaals, vanuit jouw perspectief, zijn wij in staat als podiumartiesten die denkbeeldige welkomstdeur op dat terras te openen en een ieder toe te laten in die openbare ruimte na een voorstelling? Ook diegenen die zichzelf morgen in de krant beschouwd weten.

En welke attitude moet jij daarin aannemen, hoe leer je dat? En leren jullie dat aan elkaar? Blazen jullie ook uit, blaas je af, net als wij.  En als het schade veroorzaakt, projecteren jullie dat ook? Op de kunsten? Was je boos soms, en alleen, of hadden jullie dan elkaar op de redactie.

Dit alles heb ik niet gezien van jou, dit heb ik me verbeeld, hoe dat moet zijn.

En hoe dat is in ons.

En door dit fenomeen in onze relatie - omdat dit de relatie kan verblinden - vroeg ik me af, ben je genoeg gedankt, ben je genoeg gezien? In wie je bent, in wie je tot nu toe voor ons was? Voor dat hele focking theaterveld?

En toen ik dat naging, dacht ik nee. Dat ben je niet.

En ook dit, heb ik niet van je zien, of gehoord. Ik heb 't me verbeeld, voorgesteld, en heb geprobeerd, wat jij zovele jaren deed, namelijk in jezelf nagaan wat de maker en speler wilden zeggen, bedoelden te tonen. En dat mee te nemen in de beschouwing. En die beschouwing is nog geen parresia full monthy, maar wel de aanzet van 'het gesprek'. 

Dus ik keek in mijzelf naar jou. Jij als de medespeler in het pact van Foucault. Zoals jij keek in jezelf, naar ons.

Ik ken je zo lang, en zo weinig heb ik je gesproken.
En dat beviel me er zo aan - hoe paradoxaal dat nu ook mag klinken met parresia in het achterhoofd -, maar in al die jaren had ik me Foucault niet gerealiseerd als van toepassing op ons.

Dus dat weinig en tastend spreken, was de eer.
We omzeilden het niet, we wisten beiden waar de vrije ruimte in tact moest blijven.
Jij was aan het schrijven, en zo heb ik jou gezien.
Ik was aan het spelen, en zo heb jij mij gezien.

Dat exacte zoeken naar het bijzondere en unieke, het - moeten van het - onafhankelijke en ook gecompliceerde aan de relatie van de recensent en de speler.

En je niet laten vervreemden, terwijl we beiden ten opzichte van elkaar, mekander weg kunnen doen. Althans zo kan het voelen

En steeds opnieuw lees ik jou, en steeds opnieuw kijk jij naar mij.
En elke keer, een nieuw oog maken, een nieuw kijken.
En je niet laten vervreemden, terwijl we beiden ten opzichte van elkaar, mekander weg kunnen doen. Althans zo kan het voelen. Jij kent dat ook.

Dus daarom, als er nu afscheid is, Hein; ben je gezien? Ben je gedankt? Genoeg door ons gedankt?

Ik kan geen licht geven
Anders zou ik de glowworms van deze aardbol vragen zich voor eenmaal te verzamelen en je tocht van de schouwburg naar je huis, voor die nacht aan te lichten als een waanzinnig uitgelicht pad.  

Omdát we je danken
Om de lengte van jaren, om die standvastigheid
Omdat we je danken
Om de intentie van jaren, waarmee je het systeem bleef doorhuiveren We je danken om de buit die je binnenhaalde, bleef binnenhalen qua ruimte in woorden, regels, en pagina's voor de kunsten, om die volharding
We je danken om je tedere pen, je betrokken pen, je valse pen, je kraakheldere pen, je verliefde pen en je krassen op 's mans ziel pen.  

We je danken Hein, voor die hele inzet die je pleegde
Om het theaterveld mee te bouwen en te verbouwen.
Om de liefde en de strijd
Om de moed voor het gesprek 'parresia' in jouw krant.

Theaterrecensent Hein Janssen doet een stapje terug. Dertig jaar lang bezocht hij zeker drie voorstellingen per week. Hij maakt de balans op: is hij van al die avonden in het donker een beter mens geworden?

Ik heb een cadeau voor je gevonden

Omdat ik je ook de zoete wraak gun, en het elan om soepel van een theaterterras weg te lopen, op de momenten dat je te alleen bent.
Omdat wij, zowel speler als recensent, vaak nog niet in staat blijken parresia met elkaar aan te gaan, vond ik in het Stedelijk deze tas voor jou.
Zonder dat jij er een woord aan vuil hoeft te maken, hoef je deze tas alleen maar achteloos over je schouder te slaan en wandel je fier alleen naar huis.
Want wij spelers, nog op het terras, staren naar de woorden op die tas, die ons zeggen wat wij die avond niet konden volbrengen en waar jij wel voor kwam  

'Yesterday, I went to the museum and got an erection'