Hoe slachtoffers van antihomogeweld online een stem krijgen

'Ik verlangde naar een luisterend oor, een bemoedigend woord'

Zeven jaar geleden deed Maurits de Bruijn aangifte van geweld tegen hem. Hij kreeg er snel spijt van. Nu hebben slachtoffers meer mogelijkheden om een uitweg te vinden voor hun pijn.

Zeven jaar geleden bezocht ik een concert in Paradiso. De IJslandse band die op het Amsterdamse podium stond had me met zoveel muziek gevuld dat ik ervan moest bijkomen. In een stad is het niet altijd makkelijk een plek voor jezelf te vinden. Ik vluchtte het Vondelpark in. Even bedacht ik dat dit niet het meest verstandige idee was, maar ik negeerde die stem en zette mijn fiets tegen het bankje, ging zitten, duwde de oordopjes van mijn iPhone iets verder in mijn oren en stak een sigaret op.

Twee jongens in trainingspakken naderden. Voor het eerst viel me op hoe slecht verlicht het park was. Ik was er vrijwel zeker van dat de jongens mijn kant niet opliepen. Tot ze mijn kant opliepen.

Ze vroegen om een sigaret. Ik hield mijn brandende peuk in de lucht en zei dat het mijn laatste was.

Ze vroegen of ik joods was. Ik knikte en zij verzekerden me geen problemen met joden te hebben.

Ze vroegen of ik homo was. Ik zei ja.

Ze vroegen om geld. Ik weigerde.

Ze vroegen om mijn fiets. Ik stond op. Pakte het stuur beet en voordat ik kon opstappen, gaf de grootste van de twee jongens me een stoot op mijn wang. Meteen begreep ik wat mensen bedoelen als ze zeggen dat ze 'sterretjes zien'.

Antihomogeweld

Ik zag voor me hoe dat verhaal op de stapel meldingen van antihomogeweld terechtkwam. Het gaf geen voldoening

Twee dagen later zat ik op het politiebureau. Mijn aangifte werd opgetekend door twee agenten van Roze in Blauw, de politie-eenheid die het aanspreekpunt vormt voor lhbti's (lesbo's, homo's, biseksuelen, transgenders, interseksen). Tegenover me zaten twee agenten, die misschien op sommige dagen een keycord in regenboogkleuren dragen, maar mij niet veel meer konden bieden dan reguliere agenten zouden doen.

Ik deed mijn verhaal. En ik zag voor me hoe dat verhaal op de stapel meldingen van antihomogeweld terechtkwam. Het gaf geen voldoening. Sterker nog, ik dacht aan het persbericht dat zou verschijnen nadat alle aanmeldingen aan het einde van het jaar bij elkaar waren opgeteld. Ik dacht aan de homocafés en -clubs waar ik graag kwam en hoe het nieuws van een toename in het aantal aangiften door die plekken zou zingen. Ik dacht aan de angst die dat nieuws teweeg zou brengen. En ik vroeg me af of iemand baat had bij die aanwas. Bovendien zat ik met dat woord: antihomogeweld.

Die avond in het park was niet de eerste keer dat ik werd lastiggevallen

Was de daad homofoob omdat ze gevraagd hadden naar mijn geaardheid? Was de klap antisemitisch omdat ze me gevraagd hadden naar mijn afkomst? Aan het schemergebied waarbinnen veel geweldplegingen plaatsvinden, doet een aangifte vaak geen recht.

Een week na mijn bezoek aan het bureau belde een van de agenten me op. Hij vroeg om een bevestiging. Ik wil de aangifte graag intrekken, zei ik hem. Toen hij me vroeg naar het waarom antwoordde ik dat ik niet wilde bijdragen aan de angst die al zo aanwezig was binnen de gemeenschap. De kans dat de twee jongens ooit gepakt zouden worden leek mij bovendien minimaal.

Die avond in het park was niet de eerste keer dat ik werd lastiggevallen. Ik denk ook niet dat het de laatste keer zal zijn. Een onrustige jongen heeft me eens bedreigd op een metroperron. Ik keek om me heen, hij en ik bleken plotseling de enige wachtenden te zijn. De afdruk van de hengsels van mijn tas stond nog een uur lang in mijn handpalmen.

Wantrouwen

Er zijn de bijna gefluisterde scheldwoorden die in drukke winkelstraten door de menigte glippen

Samen met twee vrienden ben ik eens achterna gezeten door een groep mannen toen we na het uitgaan voor flikkers werden uitgescholden en ik iets durfde terug te zeggen. Een van mijn vrienden had een lemmet zien glinsteren in de nacht.

En er zijn de bijna gefluisterde scheldwoorden die in drukke winkelstraten door de menigte glippen. Soms zo subtiel dat ik me afvraag of ik het me heb ingebeeld.

Ervaringen als deze laten hun sporen na. Ze hebben voor waakzaamheid gezorgd, voor een licht wantrouwen. Noem het een zesde zintuig. Ik weet precies wanneer ik de hand van mijn geliefde maar beter kan loslaten, wanneer een kus niet tot de mogelijkheden behoort, of wanneer ik beter naar de grond kan staren in plaats van oogcontact te maken.

Binnen de lhbti-gemeenschap zijn verhalen als die van Jasper en Ronnie bekend

Mannen en vrouwen hebben mij talloze verhalen over treiterijen, bedreigende situaties en vechtpartijen verteld. Ook die kleine persberichten over de toename in het aantal aangiften komt uiteindelijk terecht bij lhbti'ers die biertjes drinken aan de bar van hun favoriete café of club. En natuurlijk wordt er gepraat over de motieven van de geweldplegers. Waarom roepen onze lichamen, roept onze aanwezigheid bij anderen zoveel weerzin op?

In de afgelopen tien jaar is het aantal officiële meldingen van geweldplegingen jegens lhbti'ers verdubbeld. Natuurlijk moet daarbij worden vermeld dat men waarschijnlijk steeds meer bereid is tot het doen van aangifte. Binnen de lhbti-gemeenschap zijn verhalen als die van Jasper en Ronnie bekend, voor de rest van Nederland was de aanval op de twee Arnhemse mannen van twee weken geleden nieuws. Een reden om hun gevoel van solidariteit te uiten. Hand in hand voor een foto te poseren. Om partij te kiezen. Voor reuring te zorgen.

Terwijl het in eerste instantie ging om een bericht van Jasper dat hij op zondagochtend om 8 uur 29 op zijn Facebookwall plaatste. Zijn verslag is meer dan 7.500 keer gedeeld.

In een van de comments op het bericht vertelt een Amerikaan dat hij vijftien jaar geleden in Seattle werd aangevallen. Hij voegt daaraan toe dat hij zich vaak onveilig voelt. Een Braziliaan deelt zijn steunbetuiging. Jaspers getuigenis wordt gehoord door mensen die soortgelijke ervaringen hebben, mensen die weten hoe het is om met de naweeën van geweld te moeten leven, mensen voor wie de waakzaamheid zo vanzelfsprekend is geworden dat ze nauwelijks meer te ontwaren is.

De bijna 14.000 reacties op Jaspers post tonen ook een andere werkelijkheid. Veel van de reageerders haken aan op het woord 'Marokkanen' waarmee Jasper de daders beschrijft. Die 'Marokkanen' zouden terug moeten naar hun eigen land, schrijft een aantal van hen.

Heft in eigen hand

Geweldslachtoffers die het heft in eigen hand nemen, vormen een nieuw fenomeen

Geweldslachtoffers die het heft in eigen hand nemen, vormen een nieuw fenomeen. Ze posten berichten die internationaal aansluiting vinden, met andere woorden 'viral gaan'. Het bereik van Jaspers getuigenis werd zo groot dat prominente lhbti'ers aanhaakten, er een hashtag kwam en het nieuws trending topic werd. Mannelijke politici en andere prominenten voelden de noodzaak een duit in het zakje te doen en grepen de hand beet van de dichtstbijzijnde mannelijke partijgenoot en poseerden voor een foto. Le Monde en The New York Times deden verslag van de uitingen van solidariteit, en zo stonden wij Nederlanders een paar dagen na de geweldpleging weer te boek als een bijzonder tolerant landje.

Niet ieder bericht krijgt zoveel aandacht. Een voor leken onnavolgbaar algoritme zorgt ervoor welke post op wiens tijdlijn verschijnt en de ene ontboezeming genereert meer interactie dan de andere. Bovendien horen we, als we het bericht al te zien krijgen, slechts één kant van het verhaal. De verdachten van de Arnhemse geweldpleging claimen dat de eerste klappen door Ronnie en Jasper werden uitgedeeld. Hoe zouden de afgelopen twee weken zijn verlopen als niet de twee mannen maar de groep waarover ze schreven een bericht had gepost?

Angela Brower besloot de beelden van haar verwondingen te delen met de rest van de wereld

Vier jaar geleden deelde Wilfred de Bruijn een foto van zijn bebloede gezicht en twee paarse ogen. 'Dit is het gezicht van homofobie', schreef hij in de begeleidende tekst. De foto werd meer dan 8.000 keer gedeeld. De Daily Mail en The Guardian berichtten erover, de geweldpleging was aanleiding tot protesten.

Angela Brower werd in 2014 slachtoffer van huiselijk geweld toen haar ex zijn spullen kwam ophalen en haar herhaaldelijk in het gezicht sloeg. Brower besloot de beelden van haar verwondingen te delen met de rest van de wereld, om vrouwen meer bewust te maken van de gevaren van huiselijk geweld.

Nadat de verkrachter van een 23-jarige vrouw in de zomer van vorig jaar was veroordeeld tot slechts zes maanden gevangenisstraf, besloot het slachtoffer haar ruim 7.000 woorden tellende statement dat ze in de rechtszaak had voorgelezen door Buzzfeed te laten publiceren. 'Ik wilde me ontdoen van mijn lichaam zoals je een jas uittrekt, en het ziekenhuis verlaten', schreef ze.

Online krijgen slachtoffers de kans de gruwelijkheden in eigen bewoordingen te delen

Eva werd in 2014 aangerand in de Amsterdamse Willemsstraat en postte een foto: haar middelvinger op de voorgrond, haar bont en blauwe gezicht op de achtergrond. 'Het is haast taboe om erover te praten, maar het moet juist een taboe zijn voor die kerels', zei ze tegen Het Parool. Student Milou maakte een filmpje over haar ervaringen met slutshaming bij de Groningse studentenvereniging Vindicat.

Online vinden deze slachtoffers hun stem. Ze krijgen de kans de gruwelijkheden die hen zijn overkomen in eigen bewoordingen te delen. En dat betekent dat ook de reageerders de kans krijgen om vrouwen tot slet te bestempelen nadat ze hun ervaringen hebben gedeeld. De vrijheid die op social media te vinden is, duurt dus niet altijd even lang.

Moed

Hun verhalen vertellen zo veel meer dan een procentuele toename in het aantal aangiften

We zijn geneigd de selfie te linken aan de narcistische tieners die ze veelal posten. En aan de seksualisering van de maatschappij, de vervuiling en oppervlakkigheid van social media. De discussie over het plaatsen van zelfportretten zwalkt tussen twee ideeën: het narcisme wordt versterkt door het gebruik van social media of social media tonen aan hoe narcistisch onze maatschappij is. Maar de getuigenisberichten of foto's zijn net zo goed te verbinden aan positieve ontwikkelingen.

Toen ik zeven jaar geleden aangifte deed, zag ik voor me hoe de klap op mijn gezicht en de smaak van bloed in mijn mond die daarop volgde, tot niet meer zou leiden dan een statistiek, een getal in de krant. Ik had niet de moed om op Facebook mijn verhaal te doen. Gelukkig vinden steeds meer mensen die durf wel. Hun berichten zijn vaak rauw, ongefilterd, maar ze vertellen zo veel meer dan een procentuele toename in het aantal aangiften.

Mijn bezoek aan het politiebureau bracht geen soelaas. Sterker nog, ik had het gevoel dat mijn verhaal niet meer van mij was, en had me gestoord aan de onbewogen gezichten van de agenten die tegenover me zaten en met professionele precisie mijn beschrijving van de avond optekenden. Zodra mijn hoop op gerechtigheid was vervlogen, verlangde ik naar een luisterend oor, een bemoedigend woord, en had ik misschien wel meer gehad aan een reactie op Facebook.

Het is aan ons toehoorders om te luisteren naar hun moedige verhalen

Het posten van een bericht op social media hoeft een aangifte niet in de weg te staan of te vervangen. Ook Jasper en Ronnie zijn naar de politie gegaan om hun verhaal te doen. Maar op de verder nogal zoetsappige coverfoto van de Facebook-pagina Selfies of Survivors staat een belangrijke boodschap: 'You own everything that happened to you.'

Slachtoffers van geweldplegingen hebben niet gevraagd om de agressie die ze te verwerken hebben gekregen. Het is aan hen om een uitweg te vinden voor hun pijn en het is aan ons toehoorders om te luisteren naar hun moedige verhalen, voordat ze verworden tot een getal in de krant.