Met respect voor de kogel

Het leven van Rutger Smith (25) draait om kogelstoten, het ‘lelijke eendje’ van de atletiek. Hij heeft schik in het streven naar perfectie, al komt dat misschien zonderling over....

Zijn favoriete kogel heeft Rutger Smith opgedoken in een loods in Amerika. Hij is gebruikt bij de Olympische Spelen van 1996. Het staat met strakke letters in het metaal gegraveerd.

De kogel is ‘mooi rond’, vindt Smith. Hij heeft een diameter van 12,5 centimeter en weegt exact 7,265 kilo, vijf gram zwaarder dan strikt vereist. Zes weken geleden is hij nog gewogen nadat Smith zijn Nederlandse record had verbeterd tot 21.62 meter. Ook bij warm weer voelt de kogel koel aan. ‘Hij ligt lekker in de hand en lekker in de nek.’

Smith koestert het metalen object, dat hem meer waard is dan de kostprijs van 100 euro. Hij vervoert hem in een speciale draagtas en verliest hem tijdens de wedstrijden niet uit het oog. Hij zal hem niet gauw achteloos in een hoek smijten. ‘Ik behandel hem met respect.’

De kogel is het instrument van de 25-jarige Groninger, wiens leven al bijna tien jaar in het teken staat van stoten. Zijn lichaam (1.97 meter, 125 kilo) en geest staan in dienst van een doel: zo ver mogelijk komen. Vorig jaar werd hij bij de WK atletiek tweede. Aan de EK atletiek begint hij als aanvoerder van de Europese ranglijst.

Smith weet dat kogelstoten als een zonderlinge bezigheid wordt beschouwd. Zelfs binnen de atletiek staan werpnummers volgens hem te boek als ‘het lelijke eendje’. Maar hij heeft schik in het streven naar perfectie, naar het verkennen van de grenzen van zijn talent.

Hij ervaart een ongekende sensatie als hij de kogel, na anderhalve draai in de stootcirkel, door de lucht ziet vliegen tot hij ruim 20 meter verderop in het gras of het grind landt.

‘Als je 10 meter stoot, begrijp ik ook wel dat het niet zo leuk is. Je stoot, je kijkt en de kogel is al geland. Als je 21 meter haalt dan stoot je, draai je door en zie je hem in een baan door de lucht vliegen. Die vlucht beleef ik heel langzaam, vertraagd. Ik zie hem eigenlijk in slowmotion landen. Dat voelt heerlijk. Dat is een absolute kick.’

Ver stoten lijkt een koud kunstje, erkent hij. Het is ook geen rocket science, zoals zijn trainer Gert Damkat graag mag zeggen. Maar hij weet ook dat de kale cijfers, of de televisiebeelden, niet weergeven wat hij moet doen om ver te stoten. Ook de aard van zijn prestatie is niet werkelijk over te brengen. Het gewicht van de kogel, de afstand van de stoot: zelfs voor atletiekliefhebbers komen de cijfers pas tot leven als ze in een ander perspectief worden geplaatst.

Smith stoot, als het ware, een zware bowlingbal zonder de baan te raken tussen de kegels. Een dikke kat gooit hij met droge vacht over een Amsterdamse gracht. ‘Ik denk dat de gemiddelde sportieve kerel van mijn leeftijd een kogel maar 7 meter stoot.’

Zijn aanleg voor de discipline ontdekte hij als 16-jarige, tien jaar nadat hij lid werd van een atletiekvereniging in Groningen. Hij was lang, maar dun. Met zijn toenmalige lengte en gewicht (1.95 meter, 72 kilo) had hij meer weg van een hoogspringer dan een kogelstoter.

Dat veranderde razendsnel toen hij aan krachttraining ging doen. In een jaar won hij 32 kilo aan spieren. ‘Hij hoefde maar naar een gewicht te wijzen of hij groeide al’, zegt zijn trainer, die zijn pupil soms gekscherend omschrijft als ‘big man, no brains’.

Sindsdien is Smith alleen maar sterker geworden. Hij traint dagelijks twee keer en neemt volgens een nauwkeurig voedingschema 3800 calorieën (anderhalf maal de gebruikelijke hoeveelheid voor een volwassen man) tot zich om zijn energievoorraad op peil te houden. Hij eet zesmaal per dag en drinkt tussen de maaltijden steeds anderhalve liter water om de afvalstoffen uit zijn lichaam te spoelen.

Toch doet hij in pure kracht nog steeds onder voor zijn voornaamste buitenlandse concurrenten. Met bankdrukken heeft hij zijn persoonlijke record onlangs van 192,5 kilo verbeterd tot 200 kilo. Zijn tegenstanders brengen 40 tot 100 kilo meer omhoog. ‘Als je kijkt naar de beste acht bij de WK in Helsinki dan kom je gemiddeld op 240 kilo. Ik breng het gemiddelde omlaag.’

Smith compenseert zijn relatieve gebrek aan armkracht deels met zijn benen. In Amerika ontdekte hij een paar jaar geleden dat hij kan springen als de beste, ondanks zijn eigen gewicht.

‘In een gym stond een tafel van 1.10 meter hoog. Daar moest je van zo ver mogelijk op zien te springen. Het record stond op 6 feet, een kleine twee meter, van een heel explosieve discuswerper die 67 meter gooit. Ik begon rustig, met 3, toen 4, toen 5, toen 6 feet. Ik dacht: er zit meer in. Ik ben nog verder achteruit gegaan. Vanaf 7 feet, meer dan 2 meter, sprong ik er nog op. Ik beschouw die sprong als een van mijn meest indrukwekkende persoonlijke records.’

Toch vereist kogelstoten meer dan sterke armen en benen. Smith behoort tot de wereldtop dankzij zijn atletische vermogen. De daadwerkelijke stoot is het sluitstuk van een korte keten, razendsnel uitgevoerde bewegingen die nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd. Zijn lichaam is de katapult die de kogel wegschiet.

De Groninger kan het belang van die bewegingen treffend illustreren. Zijn linker- en rechterarm zijn even sterk. Met rechts stoot hij ruim 21 meter, met links krap 13.

Om de kogel zoveel mogelijkheid snelheid mee te geven, gebruikt Smith de draaitechniek die in de jaren zeventig is bedacht door de Rus Aleksander Barisjnikov. Hij maakt anderhalve draai door de stootcirkel voordat hij de kogel lanceert.

Smith kan zich de dag herinneren dat hij de klassieke aanglij-techniek, die slechts een halve draai kent, voorgoed afzwoer. ‘Het was op zondagochtend, ik meen 21 september 1998. Ik had de dag ervoor een wedstrijd gehad en had eigenlijk nergens zin in. Ik wilde geen krachttraining doen en niet aanglijden. Wat wil je dan wel, vroegen de trainers. Ik zei: ik wil wel eens draaien met de kogel.’

Het werd een openbaring. ‘Eigenlijk begonnen de kogels direct te vliegen. Uiteindelijk stootte ik aan het eind van de training 19.48. Dat was 6 centimeter verder dan mijn toenmalige persoonlijke record. En dat terwijl ik in wedstrijden altijd verder stoot. De trainers en ik keken elkaar aan en wisten: dit wordt het. De eerstvolgende wedstrijd stootte ik 19.79. Ik heb nooit meer anders gedaan dan draaien.’

In de perfectionering van het ritme schuilt het geheim van de verre stoot. Steeds is hij op zoek naar balans. Bij elke training maakt hij dezelfde bewegingen dertig tot veertig keer. Omdat hij elk jaar sterker wordt en zijn gewicht wisselt, is die zoektocht permanent.

‘Ritme is alles. Als ik denkt aan kogelstoten denk ik aan ritme. Ik voel het ritme. Alles moet in balans zijn. Zodra je denkt ‘ik ga hard stoten’ gaat het mis. Dan concentreer je je te veel op het laatste stuk en dus laat je links liggen wat er voor moet gebeuren. Als er een schakel ontbreekt in de keten mislukt de stoot.’

Smith heeft ondervonden dat het belang van een sterke geest niet mag worden onderschat. Na zijn succesvolle juniorentijd – hij werd wereldkampioen op kogel en discus – had hij verwacht bij de senioren snel aansluiting te vinden bij de top. Maar de WK van 2003 en de Olympische Spelen eindigden in een teleurstelling. Hij strandde in de kwalificatieronden. Hij ging ten onder aan de druk die hij zichzelf had opgelegd. Hij besloot de hulp in te roepen van sportpsycholoog Rico Schuijers.

Van hem heeft Smith geleerd dat hij ook zijn geest moet trainen. ‘Je moet een wedstrijd al hebben beleefd voordat je hem afwerkt, op allerlei manieren. Voor de EK heb ik de wedstrijd al drie keer doorgemaakt: als slechte wedstrijd, als redelijke wedstrijd en als goede wedstrijd. Je probeert je verschillende scenario’s voor te stellen. Ik weet wat ik moet doen als ik in de kwalificaties na twee slechte stoten mijn laatste kans krijg.

‘Als je het goed doet, moet je het gras ruiken als je in je bed aan de wedstrijd ligt te denken. Dan heb je er het meeste baat bij als het misgaat tijdens de wedstrijd. Je weet hoe de kogel in je nek ligt, je voelt het magnesium aan je handen, je hoort het publiek je naam roepen, je voelt de druk. Als dat lukt, ben je voorbereid. Dan gebeurt er tijdens de wedstrijd niets nieuws.’

Vorig jaar, bij de EK indoor in Madrid, redde hij zich voor het eerst uit een netelige situatie, dankzij de trainingen van Schuijers. Het was de ommekeer in zijn loopbaan. ‘Ik stond er slecht voor. In mijn eerste poging stootte ik 19.46, mijn tweede was ongeldig. Ik moest in mijn laatste poging 20 meter stoten om bij de beste acht in de finale te komen.

‘Ik was zo zenuwachtig. Ik dacht: het zal toch niet weer mislukken, zoals bij de WK en de Spelen. Toen ben ik echt gaan denken aan de lessen van Rico. Ik bleef kalm, deed mijn ding en stootte 20.46. Het scheelde exact een meter. Je geest kan dus letterlijk een meter verschil maken. In de finale werd ik toen uiteindelijk tweede met een Nederlands indoorrecord van 20.79.’

De EK atletiek vormen een nieuw examen. In Göteborg wil en kan hij winnen, gezien zijn koppositie op de seizoensranglijst. Hij weet dat er in Nederland naar hem wordt gekeken en hij vindt dat plezierig. Hij presteert beter als alle ogen op hem zijn gericht.

Smith beseft dat hij met één perfecte stoot het beeld van zijn sport kan doen kantelen. Kogelstoten is misschien een zonderling tijdverdrijf, een Europees kampioen is een geslaagde zonderling.

‘Atletiek zit niet in onze sportcultuur, zoals schaatsen en voetbal. Kogelstoten al helemaal niet. Dan moet je het, kort gezegd, van gekken hebben zoals ik. Ik stoot natuurlijk in de eerste plaats voor mezelf. Maar ik hoop dat ik langzaam het beeld van mijn sport toch wat aan het veranderen ben. Ik ben kogelstoter, maar ik ben ook een entertainer.’