Waarom we allemaal van Mars komen
Cordelia Fine

Waarom we allemaal van Mars komen

Non-fictie - Gezondheid & Psychologie

Waarom we allemaal van Mars komen

Mevrouw kan niet inparkeren

Mannen zijn analytisch, vrouwen empatisch, zo luiden populaire theorieën over de sekseverschillen. Kletskoek, vindt Cordelia Fine, of duidelijker nog: neuroseksisme. Door Aleid Truijens

Hersenen van vrouwen zijn gemiddeld anderhalf ons lichter dan die van mannen, vandaar hun opvallende intellectuele inferioriteit. De hersenstam van vrouwen is groter, de hersenmantel kleiner - daardoor ligt hun kracht niet op politiek of juridisch terrein. Vrouwen zijn qua aard en fysiek ongeschikt voor de geneeskunde, uitgezonderd maatschappelijk werk. Als vrouwen doorgaan met hun kruistocht voor onafhankelijkheid en de vernietiging van het gezin, zal er een woeste mannelijke kracht verrijzen, die hen op hun plaats zet.

Deze uitspraken werden gedaan door eminente biologen en neurologen aan het eind van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Cordelia Fine, een Brits-Australische psycholoog en criminoloog, citeert deze nu vermakelijke, maar in hun tijd onomstreden wetenschappelijke inzichten in haar boek Waarom we allemaal van Mars komen, dat in de Engelse editie de titel Delusions of gender heeft. Nog verder terug in de tijd stuitte ze op experts die meenden dat het bloed van vrouwen te koud was, hun baarmoeders te groot, hun IQ te laag, hun ziel vervuild door hormonen. Vandaar dat de stumpers ongeschikt waren voor iedere andere activiteit dan baren, zogen en poetsen. Logisch. Degenen die zulke theorieën, twee millennia lang, ventileerden, waren altijd mannen, en het voornaamste kenmerk van een vrouw was dat zij een niet-man was.

Alle aannames van deze geleerden werden in de loop van de twintigste eeuw onderuitgehaald. Anno 2011 studeren in de westerse wereld meer vrouwen dan mannen aan de universiteit, zitten er meer meisjes dan jongens op het vwo en studeren zij sneller af en met hogere cijfers. Beginnende artsen zijn in meerderheid vrouw, net zoals jonge rechters. Vrouwen tonen minder voorkeur voor wis- en natuurkunde dan mannen, maar áls ze deze vakken kiezen zijn ze er beter in. Vrouwen worden tegenwoordig regeringsleider, of baas van het IMF. Vuilnismannen en straatvegers zijn nog in meerderheid man. Gewichtheffers ook.

Toch staan vrouwen niet te dringen bovenop de apenrots. Zij blijven gemiddeld in salaris achter bij mannen en bekleden minder vaak topfuncties in het bedrijfsleven en de wetenschap. Hoe hoogopgeleid ze ook zijn, thuis zijn ze de hoofdverantwoordelijke voor het huishouden en de kinderen.

Dit kleine - en snel afnemende - verschil was aanleiding voor een recente hausse aan wetenschappelijk onderzoek naar de aangeboren verschillen tussen man en vrouw. Dat leidde weer tot een vloedgolf aan populair-wetenschappelijke boekjes, vaak bestsellers, want boeken over 'het brein' doen het goed. Het is kennelijk aantrekkelijk om te lezen dat mannen van nature monosyllabisch grommen achter hun krant, dol zijn op kinderachtige games en sleutelen aan auto's, relatiegesprekken haten en eten laten aanbranden. En dat vrouwen niet kunnen kaartlezen en inparkeren, niet opsnijden over hun prestaties, niet onderhandelen over hun salaris maar daarentegen uitmuntende troosteressen zijn en kinderen in toom kunnen houden terwijl ze koken én telefoneren. Het zit 'nu eenmaal' in hun hersenen, want vrouwen krijgen alle maatschappelijke kansen. Niks aan te doen. Logisch.

En zo kon Cordelia Fine, die voor haar spraakmakende boek een immense hoeveelheid literatuur doorspitte over 'genderverschillen', uit recent hersenonderzoek wéér optekenen dat mannenhersenen geschikt zijn om 'de wereld te begrijpen', en vrouwenhersenen om 'emoties te begrijpen'. Het vrouwenbrein is 'talig', dat van de man toegesneden op analytisch denken. De man wil scoren en jagen, de vrouw samenwerken, vrede stichten en nestjes bouwen.

Dit alles zou te danken zijn aan een 'testosteronstoot' die een prille foetus al dan niet ontvangt en die de linker hersenhelft doet groeien. Indrukwekkende plaatjes

van hersenscans geven de indruk dat het hier om keiharde wetenschap gaat. Fine heeft er een ander woord voor: neuroseksisme. Vooringenomen prietpraat die er bij het publiek in gaat als gods woord in een ouderling. Precies zoals rond de vorige eeuwwisseling.

Fine beweert niet dat er géén verschillen bestaan tussen mannen- en vrouwenhersenen, en evenmin dat alle neurowetenschappers onzin verkopen. Wel toont ze haarfijn, en bijzonder geestig, aan dat veel onderzoek te kleinschalig is, dat resultaten vaak worden opgeblazen en gretig worden versimpeld voor het brede publiek. Ze geeft voorbeelden van onderzoeken naar emoties van mannen en vrouwen, uitgevoerd op dode proefpersonen, van onderzoek waarbij een van beide seksen simpelweg ontbreekt en van baby's die al een voorkeur zouden hebben voor meisjesspeelgoed op een leeftijd dat ze onmogelijk de voorgehouden objecten kunnen identificeren.

Het gaat Fine vooral om de sprong van hersenen naar gedrag, die al te gemakzuchtig wordt gemaakt. Of verschillen in prestaties en gedrag tussen mannen en vrouwen aangeleerd of ingebakken zijn, is moeilijk aantoonbaar. Gedrag is onderhevig aan sociaal-culturele invloeden, aan opvoeding, wensdenken, groepsdwang, heersende stereotypen, kortom, aan nurture. Onder invloed van die omgevingsfactoren veranderen onze plastische hersenen voortdurend.

'Gender' speelt bewust of onbewust altijd een rol. Vanaf de geboorte worden meisjes gekleed in meisjeskleren en omringd met snoezig meisjesspeelgoed en benaderd als meisjes. Zelfs bij meisjes die worden geboren met aantoonbaar veel androgene hormonen - die zich als kind inderdaad ietwat jongensachtig gedragen - hangt het van hun opvoeding en hun eigen verlangens af ze 'vrouwelijke' vrouwen worden of niet.

Fine haalt een onderzoek aan waarbij studentes een wiskundetest kregen voorgelegd. De ene helft moest op het formulier haar sekse invullen, de andere niet. De helft die geen geslacht invulde, scoorde stukken beter op de test. Nog slechter waren de resultaten als de meisjes eerst een artikel hadden gelezen over achterblijvende vrouwelijke wiskundeprestaties.

Dan zijn er nog de vooroordelen van de omgeving. Fine vertelt over een transseksuele hoogleraar neurobiologie die van vrouw man werd. Na zijn operatie kreeg hij te horen dat hij veel beter college gaf en interessanter werk leverde dan zijn 'zuster'. Een vrouw die voorheen man was, vertelt dat zij enige tijd na haar geslachtsverandering niet meer achteruit kon inparkeren of zware dozen tillen. Ze paste zich feilloos aan het verwachtingspatroon aan.

Fine's betoog is overtuigend. Het is ook geweldig goed geschreven, dat helpt. De schrijfster schakelt zo makkelijk van hyperabstracte wetenschap naar alledaags leven en formuleert zo soepel en scherp, dat íeder boek van haar, zelfs over de hengelsport, genietbaar zou zijn.

Met populaire breinboeken heeft Waarom we allemaal van Mars komen - de Nederlandse titel refereert handig aan de succestitels van John Gray - gemeen dat het een onverbiddelijke bestseller is. Het boek werd genomineerd voor grote prijzen en The Guardian noemde het een van de belangrijkste boeken van 2010. Cordelia Fine verdient die lof. Ze is grappig, slim, analytisch én intuïtief en voor de duvel niet bang. Een topvrouw.