Selfiesticklectuur, oftewel een borstklopperig brieven boek
© Henriette Guest
Brieven uit Genua
Ilja Leonard Pfeijffer

Brieven uit Genua

Non-fictie

Selfiesticklectuur, oftewel een borstklopperig brieven boek

Het leven glans geven door het te beschrijven, dat is wat Ilja Leonard Pfeijffer (1968) beoogt in romans, verzen en toneelstukken die getuigen van een hevige woordverliefdheid. Zuinigheid is hem een gruwel. Liever ronken dan schrapen. Aan zijn hang naar uitbundigheid hebben we recentelijk de roman La Superba (2013) en de dichtbundel Idyllen (2015) te danken, die beide meerdere malen werden bekroond.

Ego-document

Hoe dat leven er zonder versierselen uitziet, kunnen we ons enigszins voorstellen aan de hand van de Brieven uit Genua die Pfeijffer aan vrienden, zijn moedertje en zichzelf richtte, en waarvoor de genre-aanduiding ego-document een understatement is. Selfiesticklectuur is een minder deftige en betere omschrijving. De stilistische draperieën ontbreken overigens bij Pfeijffer ook nu niet, anders zou de beschrijving van een leven dat zich grotendeels heeft afgespeeld in cafés te Leiden (Burgerzaken en De Burcht), Amsterdam (De Zwart) en Genua (Caffè Letterario) geen zevenhonderd pagina's hoeven beslaan. Aan het slot lijkt het leven zélf glans te krijgen, dankzij een nieuwe liefde en een anale fistel. Dat rotding namelijk brengt hem in contact met een arts die de langharige bohemien bezweert met drinken te stoppen. In het Italiaans zegt Ilja ten slotte Joyceaans ja (Sì) tegen het nieuwe leven.

Ridicule stellingen

De roes van het liefdesgeluk, plus de ontnuchtering van een bestaan zonder alcohol, zou een nieuwe Pfeijffer kunnen inluiden, maar dat valt buiten het bestek van dit borstklopperige boek. Nu moeten we luisteren naar de monologen van de Hollandse drinker in Genua, en diens buitengewone prestaties in de kroeg, op papier en in bed. Af en toe waagt hij zich aan stellingen over politiek (Geert Wilders 'is irrelevant geworden'), economie (we 'moeten niet bang zijn voor een staatsgeleide economie') en dichters (die 'weten als geen ander wat goed Nederlands is, omdat zij het verschil kennen tussen elegant en lelijk Nederlands') die even stellig zijn als ridicuul.

'Je boeken en artikelen zijn ook in het buitenland niet onopgemerkt gebleven', schrijft hij in een terugblik op zichzelf als briljant graecus, gepromoveerd op Pindarus. Dat klopt, ja: in The Classical Review 51 (2001, pag. 7-9) vond ik een recensie waarin W.B. Henry (Merton College, Oxford) de dissertatie karakteriseerde als 'a scarcely credible level of incompetence and carelessness'.

Songteksten schrijven voor Ellen ten Damme doe ik ook, pocht Pfeijffer in een rijtje artistieke prestaties. Ik heb die teksten gelezen en toen Ten Dammes cd Alles draait (2015) gedraaid, omdat ik niet kon geloven dat het arme kind deze regels uit het hartverscheurend slechte Lampedusa echt moest zingen: 'Wat moeten we met jou?/ Besta gewoon maar niet/ Ons huis is niet van jou/ Besef je dat dan niet?' En jawel.

Flauwekul

Ilja Pfeijffer komt uit Rijswijk en schreef, net als iedereen, als zestienjarige zijn eerste gedicht. Toen hij Lucebert ontdekte, 'vielen mij de schellen van de ogen', en begreep hij dat poëzie ook wild en raar mocht zijn. De bombast, waar Lucebert niet altijd vrij van was, heeft Pfeijffer als kern begrepen. Zo wilde hij het ook doen.

Italianen roddelen graag. Zoiets dachten we al. 'Voetbal is religie voor de Italianen.' Je meent het. Onder de schrijvers heeft hij vooral drinkebroers als vrienden. Geen wonder. Hij is blij met de Libris Prijs. Goed om te horen en zeer verdiend. En nu weer op je kont gaan zitten, als de anale fistel helemaal genezen is, haal ook die verentooi eruit die je er zelf in gestoken hebt, en schrijf weer een echt boek. Dit is flauwekul, die door het Letterenfonds nog met een werkbeurs is beloond ook. Die goedzakken zullen zich ook achter de oren krabben.