Sapiens
Yuval Noah Harari

Sapiens

Non-fictie

Sapiens

Yuval Harari overschat schromelijk zijn eigen kwaliteiten

Na ruim vierhonderd bladzijden van zijn Sapiens - een kleine geschiedenis van de mensheid, is Yuval Harari toe aan zijn dankwoord. Eerst bedankt hij een aantal collega's van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem, en dan Jared Diamond: 'Van wie ik heb geleerd om het grote verhaal te zien'. Een opmerkelijk bedankje. Want wat is dan dat grote verhaal dat Harari ons wilde vertellen? Na al die bladzijden was ik het spoor bijster.

Een teleurstellende ervaring. Sapiens stond twee jaar lang hoog genoteerd in de Israëlische bestsellerlijsten. Het boek werd in 32 talen vertaald. (Uitgevers blijven hopen op een herhaling van het succes van Bill Brysons A Short History of nearly Everything). Harari moet toch iets goeds hebben gedaan. Maar Jared Diamond hoort met Simon Schama, Bill Bryson en Charles Mann tot die zeldzame auteurs die inderdaad het grote verhaal vertellen. Die op basis van belezenheid en een heldere visie de menselijke geschiedenis vorm weten te geven. Diamond verwierf faam met Zwaarden, paarden & ziektekiemen, over de impact van veroveringen en veroveraars op de geschiedenis. Zijn recente werk, De wereld tot gisteren, is een brede vergelijking tussen de laatste primitieve samenlevingen, en de eenheidsworst die we nu 'beschaving' noemen. Diamond laat zien hoe 'primitief' we eigenlijk nog zijn, en hoe veel we van die volken kunnen leren. Hij zet aan tot denken. Harari laat de lezer in verwarring achter.

Er valt genoeg te genieten, dat zeker. Harari is een geestdriftig geschiedenisleraar. Van alles komt er voorbij - dat is een vereiste voor dit soort boeken. En dat alles liefst niét in chronologische volgorde. Een kijkje in het oude Egypte wordt gevolgd door een stukje over internet, en afgesloten met gemopper van Karl Marx. Dat soort werk. Harari beheerst de techniek, maar een 'groot verhaal' komt niet van de grond. Al lezende wordt men beslopen door het gevoel dat de auteur ergens halverwege de rit een forse koerswijziging heeft uitgevoerd.

De kern van het boek (ruwweg pagina's 100 t/m 375) bestaat uit een helder overzicht van de uitvindingen die er voor hebben gezorgd dat de mens deze planeet kon veroveren (het schrift, de handel, geld, et cetera), gevolgd door de uitvindingen die er voor zorgden dat het Westen de wereld kon domineren. Wanneer hij abstract wil zijn, vervalt Harari in moeizaam gebrabbel (zinnen als: 'Maar wetenschap houdt meer in dan aanvalswapens en speelt ook een belangrijke rol bij onze verdedigingssystemen', p. 283), maar al met al niet onaardig. Maar iemand vond dat gegeven te mager en kwam op het idee er een 'geschiedenis van de mensheid' van te maken. Dus werd er een fikse inleiding aan toegevoegd over het ontstaan en de eerste wankele schreden van de homo sapiens.

Harari koos voor een modieuze aanpak; een categorische afwijzing van het begrip 'vooruitgang'. Volgens veel auteurs zijn we de laatste twee miljard jaar alleen maar zieker en zieliger geworden, en diep in ons woelt nog steeds die mensaap uit Afrika. Als jager/verzamelaars waren we gelukkiger, vrijer en gezonder. In die paradijselijke tijd aten ze gezonde natuurproducten en konden ze volop relaxen bij koele waterstromen. 'Natuurlijk werden ze soms te grazen genomen door een tijger, maar daar stond tegenover dat ze niet te maken kregen met auto-ongelukken en industriële vervuiling.' De uitvinding van de landbouw bijvoorbeeld was een regelrechte ramp. De elite ging er met het graan vandoor. Het was volgens Harari een 'valkuil', of ook wel, 'de grootste zwendel van de geschiedenis'.

Het boek biedt een overdaad aan dit soort borrelpraat. En dan zijn er nog de kleine uitglijers. Toen Constantijn keizer werd, was het christendom volgens Harari nog een obscure oosterse sekte. De West-Europese provincies droegen praktisch niks bij aan het Romeinse Rijk. De Britten konden India besturen dankzij 'hun superieure kennis'. Het nazisme was een vorm van (evolut

ionair) humanisme. De kredietcrisis werd veroorzaakt doordat banken 'als gekken' geld bijdrukten. En zo kunnen we doorgaan.

De bewerking tot een 'kleine geschiedenis' vereiste een nieuw slot, en aansluitend op zijn deprimerende inleiding koos Harari voor het thema 'geluk'. Dat geluk dat ons volgens hem duizenden jaren geleden ontglipte. Met veel retoriek roept hij 'geluk' uit tot het zwarte gat der geschiedenis. Historici hebben van alles onderzocht 'maar ze hebben zich zelden afgevraagd hoe die dingen het levensgeluk van de mens beïnvloeden. Dat is de grootste lacune in onze kennis van de geschiedenis.' Vervolgens neemt hij een duik in het geluksonderzoek. Hij constateert dat geld en gezondheid een beetje gelukkig maken, maar dat geluk toch vooral een kwestie is van instelling. Wie verwacht dat zijn leven ooit beter wordt, is gelukkiger dan degene die niets meer verwacht. (Hier komt Nietzsche even om de hoek kijken.) Het geluk dat wij nastreven, is een illusie, constateert Harari. (En Boeddha komt erbij.) 'Als dit klopt', zo luidt zijn wanhopige conclusie, 'is alles wat we weten over de geschiedenis van het geluk misschien wel onzin. Misschien is het helemaal niet zo belangrijk of de verwachtingen van mensen worden ingelost en of ze aangename dingen voelen. De voornaamste vraag is of mensen de waarheid over zichzelf kennen.'

We zijn op pagina 425. Geluk is, om met Neerlands Hoop te spreken, gelul. Die tevreden jager, die ongelukkige landbouwer - het blijkt allemaal onzin. U vindt dat verwarrend? Dan moet u de twee laatste alinea's van die pagina lezen. Daarin begint Harari toch weer opnieuw over geluk als 'de grootste lacune' in onze historische kennis. Gelukkig is het dankwoord dan niet ver meer.

Uit het Hebreeuws vertaald door Inge Pieters