Poëzie gedragen door een aanstekelijke energie
© .

Poëzie gedragen door een aanstekelijke energie

Recensie debuutbundel Max Greyson

Nadat ik de debuutbundel van Max Greyson (Antwerpen, 1988) had gelezen, herinnerde ik me vrijwel niets. Had ik soms niet goed gelezen? Dat ik de bundel een tweede kans gaf, was omdat ik toch onder de indruk raakte van het verlangen van de dichter om hartstochtelijk te leven en daar de woorden voor te vinden. Wat deze bundel draagt, is een vaart, een aanstekelijke energie waarmee wankele liefdes in een broeierig nachtleven worden afgetast.

De lezer moet mee op zoek naar liefde, verbondenheid, een plek om tot rust te komen. Een zoektocht is voor het onderwerp wellicht vruchtbaar, maar voor het tot stand komen van een gedicht niet per se. Wat er precies gebeurt tussen de 'ik' en de 'jij' wordt niet vermeld. De lezer moet maar aannemen dat dit interessant genoeg is:

De laatste tijd tel je niet meer de kussen en orgasmes/ je berekent de invalshoek van het licht/ van een knipoog bij het slapengaan/ van een glimlach bij het wakker worden/ ik ben een cijfer op de schaal van wang tot lip

Greyson schrijft over jong zijn in de stad en daarbij bombastische woorden: Onthoud het dwaze uur dat loos is van beloften/ wanneer we ons als motten ontpoppen en zwermen/ de dag staat gelijk aan groeipijn en afgeleefde cocons, onthoud/ hoe we onszelf nachtvlinders noemen met poedervleugels en schilferhuid/ hoe we onszelf de kleren uitvreten en vluchtig als vuurwerk verpulveren/ wanneer we raken aan het licht

In de reeks Beelden is hij het meest ingetogen en op zijn sterkst. In 'Beelden uit Hebron' schept hij het beeld van een vrouw en het beeld van een land in crisis. Hier houdt het verlangen om woorden te vinden op. Er ontstaat ruimte tussen de woorden en de beelden. Een dichterschap vangt aan.