Lachen om briljante spektakelmachines, nu het nog kan

Recensie Machinespektakel, Stedelijk Museum

Het wordt pas echt kunst als ze bewegen, de briljante spektakelmachines van Jean Tinguely. Maar juist door die bewegingen wacht de installaties een wreed lot.

Het was niet eens zo'n heel opvallend werk: een middelgroot schrootsculptuurtje, slordig gemonteerd op een oliedrum. Jaren tachtig. De klas had zich door het museum verspreid, ik vond een knop op de grond. Klik. En toen gebeurde er iets onomkeerbaars. Het ding ging af als een ratel, schokte als een spasticus en produceerde dit: een driftig heen en weer zwaaiend veertje. Én een lach diep onderuit de tienerbuik, ik schrok er zelf van. Het kwartje viel niet veel later. Het hele onlogische leven zelf stond mij daar toe te wuiven, te verleiden, uit te lachen, en dat nog wel in een muséum? Er viel iets te halen in de kunst. Ik was verkocht.

Dit moet talloze mensen zijn overkomen. Sinds de jaren zestig van de vorige eeuw sloot het publiek het werk van de Zwitserse kunstenaar Jean Tinguely (1925-1991) in het hart. Zijn 'nutteloze machines', vaak van oud ijzer in elkaar geflanst, variërend van tafelmodel tot huizenhoog en van ballenschietmachine tot fontein, brachten iedereen in verrukking. Ook al sprak de pers er vaak schande van. 'Potsierlijke antimachines' vond de Volkskrant in 1961. In het Stedelijk Museum, dat een lange en innige band met de kunstenaar heeft, loopt momenteel het grootste overzicht in Nederland tot nu toe. Conservator Margriet Schavemaker verzette letterlijk bergen schroot voor een klassieke, chronologische opstelling en kreeg zelfs van het Tinguely Museum uit Bazel grote complimenten voor haar prestatie.

Lees verder onder de video.

Annamariakoekoek-effect

Beeldende kunst

Jean Tinguely - Machinespektakel.
Stedelijk Museum Amsterdam, t/m 5/3/2017

Chronologisch is in dit geval absoluut niet saai. Het lijkt wel of de machines acteurs zijn uit Tinguely's fantastische, veelbewogen leven (zie kader) waarin het goed dwalen is. Van de ontdekking van 'beweging' als een nieuw materiaal, eind jaren veertig (een ontroerend mooie zaal, met wandreliëfs die ombeurten zachtjes in beweging komen) tot een daverend, inktzwart slotakkoord veertig jaar later.

En de uitwerking is als vanouds: bubbelend als champagne. Op de publieksopening van Machinespektakel rende iedereen heen en weer en reageerde precies zo als op de iconische foto's van de Tinguely-tentoonstellingen in de jaren zestig. Opgetogen. Bevrijd. Kinds. Omdat de werken maar af en toe in beweging gezet kunnen worden, krijgt de expositie een extra Annamariakoekoek-effect. Sta je hier, dan klinkt uit de volgende zaal een knallend geluid van deksels en kettingen. Kom je daar, dan staat de boel daar net uit te deinen. Als het apparaat na tien minuten wachten opnieuw in beweging komt, voelt dat als een beloning.

Maar ja - vrolijk? De lach, zo onmiskenbaar met het oeuvre van Tinguely verbonden, klinkt ook homerisch. Het is een lach met een holle echo.

Dat heeft drie oorzaken. Ten eerste is daar de doodeenvoudige, voorbeeldig uitgevoerde opzet van de tentoonstelling. Zowel het oeuvre als de expositie vertonen een gestaag oplopende, bijna megalomane lijn, want Tinguely ging steeds meer, steeds groter werken. Toch is er maar één uitkomst: het is eindig, het refrein is Hein. Tinguely maakte er vijf jaar voor hij stierf een werk over, en wát een einde is dat. De volledige erezaal van de oudbouw van het museum, die je via de zijkant betreedt, is ingeruimd voor Mengele-Totentanz (1986). Een ensemble van veertien werken dat voor het eerst in zijn geheel te zien is buiten het Tinguely Museum. De kunstenaar maakte het nadat hij, zelf nog maar nauwelijks hersteld van een forse hartoperatie, een nabijgelegen boerderij finaal zag afbranden. Een razend inferno. Dieren kwamen om, de omgeving stonk er dagenlang naar kadavers.

Tinguely kocht de uitgebrande en verwrongen boedel in zijn geheel op. De landbouwmachines, waaronder een maismachine van de firma Mengele (inderdaad, familie van); de dode dieren; de gecarboniseerde dakbalken; alles. De opstelling die hij er, werkend als een gek, in een paar maanden tijd van maakte, vormt nu het slotakkoord van de tentoonstelling. Eens in de zes minuten gaat alles 'aan' - trage, beheerste bewegingen die een ijselijk gepiep voortbrengen. Transportbanden vervoeren schedels, een geblakerd naaimachientje rijdt heen en weer, metalen platen klapperen open en dicht, je komt ogen tekort. De belichting is spectaculair en theatraal, noem het maar gerust vergankelijkheidskitsch. En toch werkt het. Het beeld van de manische knutselaar die gaandeweg geen enkele maat meer kende in zijn speelsheid, zoals dat langzaam in de tentoonstelling wordt opgebouwd, wordt bijgesteld. De zalen ervóór heb je gelachen, maar het bleek dansen op de rand van de vulkaan. Het geeft in retrospectief diepte en ernst aan alles wat je hebt gezien.

Wereldster

Hoofdkwartier

Gun het de iPad-generatie: knutselen als Tinguely. In 'Tinguely's Hoofdkwartier', ingericht in de ruimte onder de oude monumentale trap van het Stedelijk Museum, kunnen bezoekers zelf een machine in beweging zetten, constructies maken en die aan een loopband van een machine toevoegen of tekeningen maken op roterend papier, aangedreven door een trapnaaimachine. Alles beweegt, niets staat stil.

Het tweede dat tot nadenken stemt, is de presentatie van twee iconische Stedelijktentoonstellingen, uit 1961 en 1962. Middels foto's, filmpjes, een paar kunstwerken en allerlei briefjes, rekeningen en notities, komen die tot leven. Tinguely was bezig een wereldster te worden. Hij was zowel organisator als deelnemer aan de tentoonstellingen Bewogen Beweging en Dylaby (wat stond voor Dynamisch Labyrint). Het was de tijd van de legendarische Willem Sandberg (museumdirecteur van het Stedelijk van 1945-1963), die een rotsvast geloof had in de zegeningen van de toekomst en kunstenaars als de antennes van die toekomst zag. De kunstenaars kregen de sleutel, werkten dag en nacht door en bouwden met materiaal van de vlooienmarkt en de feestwinkel.

Prachtige bonnetjes kreeg het Stedelijk voor Dylaby ('1 mex. hoed, 1 draaiguierl., 1 x confetti') en nog mooier is het logboek dat conservator Ad Petersen bijhield. Tinguely 'maakt steeds weer gaten in de vloer' en 'blaast ballonnen op totdat hij de totale uitputting nabij is'. Het publiek voelde in het resultaat, een spookhuisachtig labyrint waar onder andere met verf geschoten kon worden, die vrijheid. Jong en oud, kunstliefhebber of helemaal niet, zo bewijzen de foto's en films van bijvoorbeeld Ed van der Elsken.

Die tijd is definitief voorbij. Het museum 'professionaliseerde'. Het is ondenkbaar dat een kunstenaarsgroep zonder plan wordt uitgenodigd. Dat ongebreidelde vertrouwen in kunstenaars en zo'n eenvoudig wereldbeeld bestaan al lang niet meer. Sleutels worden niet meer gegeven, al helemaal niet aan kunstenaars die gaten in de grond boren. Dat is best jammer.

Lees verder onder de video.

Dan is er de sluipmoordenaar die in het oeuvre van Tinguely zelf zit. De tijd. Genadeloos, vraatzuchtig. De machines slijten door gebruik maar bestaan als kunstwerk eigenlijk alleen als ze bewegen. Dát is het werk, niet de sculptuur an sich. Onvoorspelbare, hoekige, nerveuze, lyrische, obscene, aggressieve, elegante, vrolijke of larmoyante bewegingen; eindeloos is het palet dat Tinguely zich eigen maakte en dat steeds minder te zien zal zijn. Het Stedelijk heeft een lijst instructies van de bruikleengevers, voor elk apparaat een ander. De prachtige Bascule (1968), een loom zwaaiend en wiegelend machientje, mag maar af en toe 15 seconden werken. Requiem pour une Feuille Morte (1967), dat met zijn traag draaiende, strak afgewerkte zwarte raderen, spiralen en een hele achterwand vult: 30 seconden per kwartier.

Een bekende foto (zie hierboven) toont een keurige vrouw in het Moderna Museet in Stockholm, in kokerrok, die in 1961 onbedwingbaar moet lachen op de Cyclograveur. Een apparaat dat nooit meer in beweging komt.

Als het aan Tinguely lag stond alles waarschijnlijk permanent aan - dan maar slijten, of vervangen, of sterven desnoods. Alles behalve stilstand. 'Seid in der Zeit' schreef hij in een strooibiljet in 1959. 'Hou op piramides en kathedralen te bouwen die zullen verbrokkelen als suikerwerk... leef in het nu, in en op de tijd.'

Lees verder onder de video.

Tinguely was al bij leven een icoon en een volksheld voor de Zwitsers

En dus kijken we naar een oeuvre dat bedoeld is om te leven en te sterven, maar langzaam afkoerst op een bestaan als opgezet dier. Dat heeft zoiets treurigs, dat het beter is er hard om te lachen. Nu kan het nog.


Tinguely was al bij leven een icoon en een volksheld voor de Zwitsers.

De man met een naam als een setje rinkelende imbussleutels was een rusteloze, energieke alleskunner. Begonnen als etaleur in Bazel trok Jean Tinguely (1925, Fribourg, Zwitserland) in 1953 met zijn eerste vrouw, de kunstenaar Eva Aeppli, naar Parijs. Hun dochtertje bleef ter opvoeding bij haar Zwitserse grootouders achter. Tinguely zette zich aan het werk. Bewegende wandreliëfs groeiden uit tot steeds grotere machines. Tinguely bespeelde de media vanaf het begin handig. Zo maakte hij van zijn deelname aan de Eerste Biennale van Parijs in 1959, waar hij buitengesloten werd omdat zijn machine te veel herrie en stank produceerde, een fotogenieke happening met de Eiffeltoren op de achtergrond. De foto's gingen de wereld over, net als die van Transport, een knetterende optocht van machines van de werkplaats naar de galerie in 1960. Waar Tinguely was, was beeld.

Zijn zelfvernietigende machines, enorme installaties die zichzelf in een half uurtje opbliezen of doodwerkten, maakten van hem ook buiten Europa een wereldster. Zijn relatie met kunstenaar Niki de Saint Phalle hielp daarbij. Het knappe stel stond bekend als 'de Bonny & Clyde van de kunstwereld' en werkte samen aan projecten op grote schaal, machines en beelden zo groot als gebouwen. In de bossen van Milly-la-Forêt, nabij Parijs, staat nog steeds hun Cyclop, een gebouw als een enorm hoofd en een collectief kunstwerk ineen. Op films en foto's is te zien hoe Tinguely, De Saint Phalle en hun vrienden hun droom waarmaken, non-stop werkend (en rokend) in een sprookjesachtig decor.

Tinguely keerde in de jaren zeventig terug naar Zwitserland. Zijn liefde voor Formule1-races - hij decoreerde vele racewagens en deed in 1981 mee aan een tribute race voor de jong overleden coureur Jo Siffert - en actieve deelname aan het exuberante Bazelse carnaval maakten hem steeds meer tot een Zwitserse volksheld. In 1991 overleed hij aan hartfalen, 66 jaar oud.